De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Galdrian,’ zei Thom, en hij klonk bijna even onbewogen als zij. ‘Tja, hij is nu een dode koning en hij zal geen vuurwerk meer zien.’
‘Het Gilde,’ zei ze vermoeid, ‘geeft me nog niet de schuld van die oorlog in Cairhien, alsof Galdrian in die rampzalige nacht omkwam.’ Thoms gezicht betrok. ‘Het ziet ernaar uit dat ik hier niet langer kan blijven,’ ging ze door. ‘Tammuz en die andere ezels zullen spoedig bijkomen. Misschien zullen ze de krijgslieden deze keer vertellen dat ik mijn spullen heb gestolen.’ Ze keek Thom en vervolgens Mart nadenkend aan en scheen een beslissing te hebben genomen. ‘Ik moet jullie belonen, maar ik heb geen geld. Maar ik heb misschien iets wat even goed is als goud. Misschien zelfs beter. We zullen zien wat jullie ervan vinden.’
Mart wisselde een blik met Thom terwijl ze onder het zeil van haar wagen begon te rommelen. Ik help iedereen die kan betalen. Hij dacht dat er een verwachtingsvol lichtje in Thoms blauwe ogen was verschenen.
Aludra haalde een bundel uit een stel andere bundels, een kleine rol van zware oliestof, waar ze haar armen nog net omheen kon slaan. Ze legde de rol in het stro, maakte de touwen los en rolde de stof uit op de vloer. Over de hele breedte waren vier rijen zakjes aangebracht, van klein naar groot. In elk zakje zat een met was beklede papierrol, waarvan de punt met een donker gekleurd koord er net uitstak. ‘Vuurwerk,’ zei Thom. ‘Ik wist het. Aludra, dit moet je niet doen. Je kunt deze verkopen en van de opbrengst tien of meer dagen in een goede herberg zitten en elke dag goed eten. Nou ja, overal buiten Aringil.’ Ze knielde naast de lange strook oliestof en snoof. ‘Wees stil, oude man.’ Ze liet het vriendelijk klinken. ‘Wordt het mij niet toegestaan om dankbaarheid te tonen? Denk je dat ik verder niets voor de verkoop over zou hebben? Let goed op.’
Mart hurkte geboeid naast haar. Hij had twee keer in zijn leven vuurwerk gezien. Marskramers hadden het naar Emondsveld gebracht, wat de dorpsraad heel wat gekost had. Toen hij tien jaar oud was, had hij geprobeerd er een open te snijden om te zien wat erin zat, en dat had een flinke opschudding veroorzaakt. Bran Alveren, de dorpsmeester, had hem een draai om de oren gegeven; Doral Barran, die de Wijsheid was vóór Nynaeve, had hem een mep verkocht, en zijn vader had hem thuis ook nog een pak slaag gegeven. Een maand lang had niemand in het dorp met hem willen praten, behalve Rhand en Perijn, en zij hadden hem vooral verteld wat voor een sufferd hij was geweest. Hij stak een hand uit om een rol aan te raken en Aludra sloeg die opzij. ‘Luister eerst, zeg ik! De kleinste staafjes geven een luide knal, maar niet meer dan dat.’ Ze waren zo groot als zijn pink. ‘Deze staven hier geven een luide knal en een helder licht. Die ernaast knallen, maken licht en geven een heleboel vonken. De laatste staven – ze waren dikker dan zijn duim – doen dat allemaal, en de vonkenregen heeft allerlei kleuren. Net een nachtbloem, maar dan op de grond.’ Nachtbloem? dacht Mart.
‘Daar moet je heel voorzichtig mee zijn. Zie je, de lont is heel lang.’ Ze zag zijn lege blik en bewoog een van de lange, donkere koorden. ‘Dit, dit!’
‘Waar je het aansteekt,’ mompelde hij. ‘Dat weet ik.’ Thom maakte een keelgeluidje en streek met een knokkel langs zijn snorpunten, alsof hij een glimlach wilde verbergen.
Aludra gromde: ‘Waar je het aansteekt. Ja. Blijf er niet bij staan; je rent weg zodra je de lont hebt aangestoken. Je begrijpt me?’ Ze rolde de lap op. ‘Je mag deze naar believen verkopen of gebruiken. Denk eraan, leg ze nooit te dicht bij een vuur neer. Vuur laat ze allemaal ontploffen. Zoveel tegelijk als dit hier kan een huis verwoesten.’ Ze aarzelde even voor ze de koorden strikte en voegde er toen aan toe: ‘En er is nog een laatste ding; misschien heb je dat weleens gehoord. Snij een van deze hier niet open, zoals sommige grote dwazen doen als ze willen kijken wat erin zit. Als de inhoud in de openlucht komt, kan die soms ontploffen zonder dat er vuur bij komt. Je kunt een vinger verliezen, of zelfs een hand.’
‘Dat heb ik gehoord,’ zei Mart droog.
Ze fronste, alsof ze zich afvroeg of hij van plan was zoiets toch te doen, en duwde hem ten slotte de opgerolde bundel toe. ‘Hier. Ik moet er nu vandoor, voor die geitenzonen wakker worden. Ik denk dat ik morgen naar Lugard trek. Die varkens zullen denken dat ik naar Caemlin ga, ja?’
Lugard lag verder weg dan Caemlin, en Mart herinnerde zich plotseling dat harde stuk brood. En ze had gezegd dat ze geen geld had. Het vuurwerk zou pas een maaltijd opleveren als ze iemand vond die het zich kon veroorloven. Ze had niet eens gekeken naar al het goud en zilver dat bij zijn sprong uit zijn zakken was gerold; het glinsterde en vonkte in het lantaarnlicht tussen het stro. Ach, Licht, ik kan haar toch niet hongerig laten vertrekken? Hij verzamelde vlug zoveel als hij bij elkaar kon vegen.
‘Eh... Aludra? Ik heb genoeg, zoals je ziet. Ik dacht misschien...’ Hij hield haar de munten voor. ‘Ik kan altijd meer winnen.’ Ze stond even stil, de mantel nog half om haar schouders, en glimlachte toen naar Thom, waarna ze de mantel goed aantrok. ‘Hij is nog jong, ja?’
‘Hij is jong,’ stemde Thom in. ‘En niet half zo slecht als hij zelf weleens denkt. Niet altijd, tenminste.’ Mart keek hen vuil aan en liet zijn hand zakken. Aludra tilde de bomen op, keerde de wagen en begaf zich naar de deur, waarbij ze Tammuz een schop tegen zijn ribben gaf. Hij kreunde suffig.
‘Ik zou iets willen weten, Aludra,’ zei Thom. ‘Hoe stak je die lantaarn in het donker zo snel aan?’
Ze stond vlak voor de staldeuren stil en glimlachte hem over haar schouder toe. ‘Je wilt dat ik je alle geheimen vertel? Ik ben je dankbaar, maar niet verliefd. Dat geheim kent zelfs het Gilde niet, want het is mijn eigen ontdekking. Ik zal je dit vertellen. Als ik weet hoe ik het handig kan maken en het alleen kan laten werken als ik het wil, zullen stokjes mij een fortuin bezorgen.’ Ze gooide haar gewicht tegen de bomen en trok de wagen de regen in, waarna de nacht haar opslokte. ‘Stokjes?’ zei Mart. Hij vroeg zich af of ze niet een beetje vreemd in haar hoofd was. Tammuz kreunde opnieuw.
‘Het is het beste als wij hetzelfde doen als zij, jongen,’ zei Thom. ‘Anders wordt het een keuze tussen vier mannen te kelen en te pogen de komende dagen alles aan de koninginnegarde uit te leggen. Dit soort mannen stuurt uit nijd de garde achter ons aan. En ze hebben genoeg reden om nijdig te zijn, denk ik.’ Een van Tammuz’ gezellen bewoog, alsof hij bijkwam, en mompelde iets.
Tegen de tijd dat ze alles gepakt hadden en de paarden opgezadeld, was Tammuz op handen en knieën overeind gekomen, en ook de anderen bewogen zich kreunend.
Mart zwaaide in het zadel en staarde naar de regen buiten. ‘Een domme held,’ zei hij. ‘Thom, als het erop begint te lijken dat ik de held wil uithangen, geef me dan een schop.’
‘En wat zou je dan anders hebben gedaan?’
Mart keek hem woest aan, trok zijn kap over zijn hoofd en schoof de rand van zijn mantel over de dikke rol die achter de hoge zadelboom was vastgebonden. Ondanks die oliedoek kon iets meer bescherming tegen de regen geen kwaad. ‘Geef me gewoon een schop!’ Hij spoorde zijn paard aan en galoppeerde de nacht in.
41
De Jagerseed
Terwijl de Sneeuwgans met gestreken zeilen naar de lange stenen kaden van Illian werd geroeid, stond Perijn op het achterschip naar de grote groepen vogels te kijken die op lange poten door het hoge moerasgras waadden, dat de grote haven bijna geheel omsloot. Hij zag dat het magere witte kraanvogels waren en vermoedde dat de veel grotere, blauwe daarmee verwant waren. Maar veel vogels – met rode of roze veren, en sommige met nog grotere platte snavels dan die van eenden – kende hij helemaal niet. Wel tien verschillende soorten meeuwen zwierden boven de haven rond, en een zwarte vogel met een scherpe snavel scheerde vlak boven het water langs; de onderste snavel trok een v-vormig golfspoor. In de uitgestrekte haven lagen schepen die drie of vier keer zo groot waren als de Sneeuwgans, wachtend op hun beurt aan de kaden of op de wisseling van het tij, zodat ze voorbij de lange golfbreker uit konden zeilen. Kleine bootjes met twee of drie man aan boord visten dicht bij het riet of in de kronkelende moeraskreekjes. Aan beide zijden van elke boot werden aan lange masten netten meegetrokken.