De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Vlammen barstten aan alle kanten uit de drie Myrddraal en ze krijsten als een vleesmolen die gierend de botten niet meer kan kraken. Ze was echter vergeten dat ze niet alleen was, dat Nynaeve en Elayne bij haar waren. Zelfs toen de Schimmen door de vlammen werden verteerd, scheen de lucht hen samen te drukken en hen in een bal van vuur en duisternis te persen, die steeds kleiner werd. Hun gekrijs kerfde langs Egwenes ruggengraat en er schoot... iets uit Nynaeves handen – een dunne staaf wit licht waarbij een middagzon donker leek, een staaf vuur dat gesmolten metaal koud deed lijken. De staaf verbond haar handen met de Myrddraal. En die hielden op te bestaan alsof ze er nooit geweest waren. Nynaeve sprong geschrokken achteruit en de gloed om haar heen verdween. ‘Wat... wat was dat?’ vroeg Elayne.
Nynaeve schudde haar hoofd en keek even verbaasd als Elayne klonk, ik weet het niet. Ik... ik was zo kwaad, zo bang voor wat ze wilden-ik weet niet wat het was.’
Lotsvuur, dacht Egwene. Ze wist niet hoe, maar ze was er zeker van. Met tegenzin dwong ze zichzelf saidar los te laten, dwong ze saidar haar los te laten. Ze wist niet wat moeilijker was. En ik heb helemaal niet gezien wat ze deed.
Toen ontdeden de Aiel zich van hun sluier. Enigszins haastig, dacht Egwene, alsof ze de vrouwen wilden zeggen dat ze niet meer wilden vechten. Drie Aiel waren mannen, een ervan een oudere man met behoorlijk wat grijs in zijn donkerrode haar. Ze waren lang, deze Aielmannen, en jong of oud, ze hadden in hun ogen die kalme zelfverzekerdheid en ze bewogen met die gevaarlijke sierlijkheid die Egwene bij zwaardhanden vond horen. De dood reed mee op hun schouders en ze beseften zijn aanwezigheid, maar waren niet bevreesd. Een van de vrouwen was Aviendha. Het gegil en het geschreeuw buiten stierven weg. Nynaeve liep naar de gevallen Aiel toe.
‘Dat hoeft niet, Aes Sedai,’ zei de oudere man. ‘Zij troffen het staal van de Schaduwman.’
Nynaeve bukte zich echter toch om hen te onderzoeken. Ze nam hun sluiers weg zodat ze hun oogleden kon terugslaan en voelde aan hun keel naar de hartslag. Toen ze zich oprichtte van de tweede dode, was haar gezicht wit. Het was Dailin. ‘Bloedvuur! Bloedvuur!’ Het was niet duidelijk of ze Dailin bedoelde, de man met het grijzende haar, Aviendha, of alle Aiel. ‘Ik heb haar niet geheeld om haar hier op deze manier te laten sterven!’
‘De dood komt voor ons allen,’ begon Aviendha, maar toen Nynaeve zich woest naar haar wendde, zweeg ze. De Aiel keken elkaar aan of ze zich afvroegen of Nynaeve hun hetzelfde zou aandoen als de Myrddraal. Het was geen vrees in hun ogen, slechts behoedzaamheid. ‘Schaduwstaal doodt,’ zei Aviendha, ‘het verwondt niet.’ De oudere man keek haar aan met iets van verbazing in zijn ogen – Egwene vond dat het knipperen van zijn ogen, net als bij Lan, hetzelfde uitdrukte als de zichtbare verbazing van iemand anders. ‘Van sommige zaken weten zij weinig, Rhuarc.’
‘Het spijt me,’ zei Elayne met heldere stem, ‘dat we uw... dans onderbraken. Misschien hadden we niet tussenbeide moeten komen.’ Egwene keek haar verbaasd aan en zag toen wat ze deed. Stel ze op hun gemak en geef Nynaeve de kans om af te koelen. ‘U hebt de zaken behoorlijk goed aangepakt,’ zei ze. ‘Misschien hebben wij u beledigd door ons ermee te bemoeien.’
De grijze man – Rhuarc – grinnikte kort en zacht. ‘Aes Sedai, zelf ben ik blij met... wat u ook deed.’ Even leek het of hij dat betwijfelde, maar toen kwam zijn goede stemming terug. Hij had een mooie glimlach en een sterk, vierkant gezicht; hij was knap, zij het wat oud. ‘We hadden hen kunnen doden, maar drie Schaduwmannen... Zij zouden er twee of drie van ons gedood hebben, of misschien wel ons allemaal, en ik kan niet zeggen of wij hen allemaal afgemaakt zouden hebben. Voor de jongeren is de dood een vijand met wie ze hun krachten wensen te meten. Voor de ouderen is ze een oude vriend, een oude geliefde, maar we zijn niet genegen haar spoedig te ontmoeten.’ Door zijn woorden leek Nynaeve zich te ontspannen, alsof de ontmoeting met een Aiel die niet naar zijn dood verlangde, de spanning uit haar had weggezogen. ‘Ik zou u moeten danken,’ zei ze, ‘en dat doe ik ook. Maar ik moet bekennen dat ik me erover verbaas dat u hier bent. Aviendha, verwachtte u ons hier aan te treffen? Waarom?’
‘Ik volgde u.’ De Aielvrouw leek er zich niet over te schamen. ‘Om te zien wat u zou gaan doen. Ik zag de lieden die u grepen, maar ik was te ver om te helpen. Ik wist zeker dat u me zou zien als ik te dichtbij zou komen, dus bleef ik honderd pas achter. Tegen de tijd dat ik zag dat u uzelf niet kon helpen, was het te laat om het alleen te proberen.’ ik weet zeker dat u al het mogelijke deed,’ zei Egwene zwakjes. Ze was maar een honderd pas achter ons, Licht, die schurken hebben helemaal niets gezien.
Aviendha zag haar woorden als aanmoediging meer te zeggen, ik wist waar Coram moest zijn, en hij wist waar Dhael en Luaine waren, en zij wisten...’ Ze stopte even en keek fronsend de oudere man aan. ‘Ik verwachtte geen stamhoofd tussen hen die kwamen, en zeker niet de mijne. Wie leidt de Taardad Aiel, Rhuarc, terwijl jij hier bent?’ Rhuarc haalde zijn schouders op alsof dat onbelangrijk was. ‘De sibbehoofden zullen elkaar afwisselen en proberen te beslissen of ze na mijn dood werkelijk naar Rhuidean willen gaan. Ik zou niet gekomen zijn als Amys én Bair én Melaine én Seana me niet hadden beslopen als klipkatten een wilde geit. De dromen zeiden dat ik moest gaan. Ze vroegen of ik werkelijk oud en dik in mijn bed wilde sterven.’ Aviendha lachte als gold het een goede grap. ‘Ik heb gehoord dat ze zeggen dat een man die gevangen is tussen zijn vrouw en een Wijze, vaak veel liever een tiental vijanden van vanouds wil bevechten. Een man die gevangen is tussen een vrouw en drie Wijzen, en die vrouw is zelf een Wijze, zal misschien overwegen Zichtzieder zelf aan te vallen.’
‘Die gedachte is bij me opgekomen.’ Hij keek nadenkend naar de vloer. Naar drie Grote Serpent-ringen, zag Egwene, en een veel zwaardere gouden ring voor een grote mannenvinger. ‘En dringt zich nog steeds op. Alles moet veranderen, maar ik zou geen deel van die verandering zijn als ik mezelf eraan kon onttrekken. Drie Aes Sedai op reis naar Tyr.’ De andere Aiel keken elkaar even aan, alsof ze niet wilden dat Egwene en de andere twee het zouden merken.
‘U sprak over dromen,’ zei Egwene. ‘Weten uw Wijzen wat hun dromen betekenen?’
‘Sommigen wel. Als u daar meer over wilt weten, moet u met hen praten. Misschien zullen zij het een Aes Sedai vertellen. Zij vertellen het niet aan mannen, afgezien van wat de dromen ons opdragen.’ Plotseling klonk hij vermoeid. ‘Dingen die we gewoonlijk zoveel mogelijk zouden vermijden.’
Hij boog zich en raapte de mannenring op. Op het zegel vloog een kraanvogel boven een lans en een kroon; Egwene herkende hem nu. Ze had de ring aan het leren koord om Nynaeves nek vaak genoeg gezien. Nynaeve trapte op de andere ringen om hem uit zijn hand te grissen. Haar gezicht was rood, van boosheid, en van te veel andere gevoelens die Egwene niet herkende. Rhuarc maakte geen aanstalten hem terug te nemen, maar praatte op dezelfde vermoeide toon verder. ‘En een van hen draagt een ring waarvan ik als jongen gehoord heb. De ring van de koningen van Malkier. In mijn vaders tijd reden zij met de Shienaranen uit tegen de Aiel. Zij waren goed in de dans van de speren. Maar Malkier viel ten prooi aan de Verwording. Er wordt gezegd dat alleen een kindkoning het overleefde en dat hij nu de dood die zijn land nam, het hof maakt zoals andere mannen een mooie vrouw. Waarachtig, dit is een vreemde zaak, Aes Sedai. Van alle vreemde dingen die ik dacht te zullen zien nadat Melaine mij uit mijn eigen veste en over de Drakenmuur joeg, is er geen zo vreemd als dit. Het pad dat u me toont, is er een waarvan ik nooit had gedacht dat mijn voeten het zouden volgen.’
‘Ik wijs u geen enkel pad,’ zei Nynaeve scherp. ‘Alles wat ik wil, is mijn reis voortzetten. Deze mensen hadden paarden. We zullen er drie van nemen en op weg gaan.’
‘In de nacht, Aes Sedai?’ zei Rhuarc. ‘Is uw reis dan zo dringend dat u in deze gevaarlijke landen in het donker wilt reizen?’ Nynaeve worstelde duidelijk met zichzelf voor ze nee zei. Op een beslistere toon voegde ze eraan toe: ‘Maar ik ben van plan met zonsopgang te vertrekken.’
De Aiel droegen de doden buiten de omheining, maar Egwene noch de andere twee wensten het smerige bed te gebruiken waarin Adden had geslapen. Ze raapten hun ringen op en sliepen onder de open hemel in hun mantels en de dekens die de Aiel hun gaven. Toen de dauw de lucht in het oosten deed parelen, bereidden de Aiel een ochtendmaal van taai, gedroogd vlees – Egwene twijfelde tot Aviendha haar zei dat het geitenvlees was – platbrood dat al bijna net zo moeilijk te eten was als het vlees, en witte, blauwdooraderde kaas met een scherpe smaak, die zo hard was dat Elayne mompelde dat de Aiel hier zeker voor oefenden door keien te eten. Maar de erfdochter at evenveel als Egwene en Nynaeve samen. De Aiel lieten de paarden vrij – zij reden nooit, tenzij het moest, legde Aviendha uit, en het klonk alsof ze zelf liever met blaren zou rennen – nadat ze de beste drie voor Egwene en de anderen hadden uitgezocht. De dieren waren groot en bijna even zwaar als krijgsrossen, met een trotse hals en fiere ogen. Een zwarte hengst voor Nynaeve, een voskleurige merrie voor Elayne en een grijze voor Egwene.
Ze besloot de grijze Mist te noemen, in de hoop dat een rustige naam haar ook rustig zou stemmen, en Mist bezat inderdaad een lichte tred toen ze naar het zuiden reden, juist toen de zon een rode rand boven de horizon stak.
De Aiel begeleidden hen te voet, allen die het gevecht hadden overleefd. Er waren buiten de hut nog drie gedood, naast de twee die door het staal van de Myrddraal waren getroffen. Ze waren nu met negentien in totaal. Ze liepen met lange stappen soepel naast de paarden mee. Eerst probeerde Egwene Mist te bewegen tot een langzame stap, maar de Aiel vonden dit heel grappig.
‘Ik zal tien span met je hardlopen,’ zei Aviendha, ‘en we zullen zien wie er wint, jouw paard of ik.’
‘Ik twintig!’ riep Rhuarc lachend.
Egwene begon te geloven dat ze het echt meenden, en toen zij en de anderen hun paarden sneller lieten lopen, raakte er geen Aiel achterop.
Toen de rieten daken van Jurene in zicht kwamen, zei Rhuarc: ‘Vaart wel, Aes Sedai. Moge u altijd water en schaduw vinden. Misschien zullen wij elkaar wederzien voor de verandering komt.’ Hij klonk grimmig. Terwijl de Aiel naar het zuiden afbogen, hieven Aviendha, Chiad en Bain hun hand ten afscheid. Ze leken niet langzamer te lopen, nu ze niet meer met de paarden meerenden; misschien wel sneller. Egwene had zo’n idee dat ze dit tempo zouden volhouden tot ze waren aangekomen waar ze ook heengingen.
‘Wat bedoelde hij daarmee?’ vroeg ze. ‘Dat “Misschien zullen wij elkaar wederzien voor de verandering komt”?’ Elayne schudde haar hoofd.
‘Het maakt niet uit wat hij bedoelt,’ zei Nynaeve. ‘Ik ben even blij dat ze vannacht zijn gekomen als dat ze nu weer weg zijn. Ik hoop dat er een schip is.’
Jurene zelf was een klein plaatsje met allemaal houten huizen, waarvan er geen hoger was dan één verdieping. Op een hoge mast wapperde de banier van de Witte Leeuw van Andor; er waren vijftig manschappen van de koninginnegarde gelegerd, in rode jassen met hoge witte kragen onder schitterende borstplaten. Ze waren hierheen gestuurd, zei de gardekapitein, om een veilig toevluchtsoord voor vluchtelingen naar Andor te scheppen. Maar daarvan kwamen er elke dag minder. De meesten trokken nu naar dorpen die verder stroomafwaarts lagen, dichter bij Aringil. Het was maar goed dat de drie vrouwen nu waren gekomen, want hij verwachtte zeer binnenkort het bevel om zijn troepen terug naar Andor te leiden. De weinige bewoners van Jurene zouden waarschijnlijk met hen meegaan en de rest achterlaten voor rovers en de Cairhiense krijgslieden van Huizen die met elkaar in oorlog waren.
Elayne hield haar gezicht verborgen onder de kap van haar stevige wollen mantel, maar geen van de krijgslieden scheen het meisje met het roodgouden haar in verband te brengen met de erfdochter. Een paar vroegen haar om te blijven; Egwene wist eigenlijk niet of Elayne geschokt was of aangenaam verrast. Zelf vertelde zij de mannen die haar hetzelfde vroegen, dat ze geen tijd had. Op een rare manier was het toch aardig om gevraagd te worden. Ze was zeker niet van plan om wie van deze kerels dan ook te kussen, maar het was fijn om weer eens te merken dat op z’n minst een paar mannen dachten dat ze er even aardig uitzag als Elayne. Nynaeve gaf een man een klap in zijn gezicht. Egwene moest er bijna om lachen en Elayne glimlachte openlijk. Egwene dacht dat Nynaeve geknepen was en ondanks haar boze gezicht leek ze het toch niet helemaal onplezierig te vinden. Ze droegen hun ringen niet. Het had Nynaeve niet veel moeite gekost om hen ervan te overtuigen dat de ene plek waar ze niet voor Aes Sedai aangezien wilden worden, Tyr was, vooral als de Zwarte Ajah zich daar bevond. Egwene had de hare in haar buidel, samen met de stenen ter’angreaal; ze raakte beide ringen vaak aan om vast te stellen of ze er nog steeds waren. Nynaeve droeg de hare tussen haar borsten, aan het koord waaraan ook Lans zware ring hing. In Jurene lag een schip gemeerd aan de stenen pier in de Erinin. Kennelijk niet het schip dat Aviendha had gezien, maar het was een schip. Egwene was teleurgesteld toen ze het zag. De Schicht was twee keer zo breed als de Blauwe Kraanvogel en deed haar naam geen eer aan, met haar hoge boeg die net zo rond was als haar schipper. Deze goede man knipperde met zijn ogen en krabde zijn oor terwijl hij naar Nynaeve keek toen ze hem vroeg of zijn schip snel was. ‘Snel? Ik zit vol met duur hout uit Shienar en tapijten uit Kandor. Wie heeft er met zo’n lading nog snelheid nodig? De prijzen worden alleen maar hoger. Ja, ik mag aannemen dat er snellere schepen achter mij zijn, maar die leggen hier niet aan. Ik zou zelf niet gestopt zijn als ik geen maden in het vlees had gevonden. Een dom idee, dat ze in Cairhien vlees zouden verkopen. De Blauwe Kraanvogel? Ik zag Ellisor vanmorgen stroomopwaarts ergens vastzitten. Daar komt-ie niet gauw los. Dat heb je met die snelle schepen.’
Nynaeve betaalde hun reis – en nog eens twee keer zoveel voor hun paarden – met zo’n blik in haar ogen dat Egwene en Elayne lang nadat de Schicht al slingerend Jurene had verlaten, niet met haar spraken.