Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een Kroon van Zwarden
Een Kroon van Zwarden - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een Kroon van Zwarden

Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:

Een Kroon van Zwarden
1 ... 111 112 113 114 115 116 117 118 119 ... 217
Перейти на страницу:

‘Het is maar goed dat je de waarheid vertelt, meisje,’ murmelde Caddar droog. ‘Je zult leren dat ik er niet van houd om belogen te worden. Houd de weglijn aan, zodat ik weet waar het is en naar je toe kan komen.’

Sevanna staarde geschokt naar de kubus. Méisje? ‘Wat zei u?’ wilde ze weten. Méisje? Ze kon haar oren niet geloven. Rhiale keek haar opzettelijk niet aan, en Meira’s mond boog zich tot een glimlach, wat moeizaam ging omdat ze zo zelden lachte.

Caddars zucht vulde heel de open ruimte. ‘Draag je Wijze op hiermee door te gaan, precies zo en niet anders, dan kom ik naar je toe.’ Het gespeelde geduld in zijn stem schraapte als een vijzel. Als ze van de natlander gekregen had wat ze hebben wilde, zou ze hem in het wit van een gai’shain kleden. Nee, in het zwart!

‘Wat bedoelt u met naar ons toe komen?’ Een stilte antwoordde. ‘Caddar. Waar bent u?’ Stilte. ‘Caddar?’

De anderen wisselden besmuikte blikken uit.

‘Is hij gek?’ zei Tion. Alarys mompelde dat hij dat wel moest zijn, en Belinde wilde boos weten hoe lang ze met deze onzin moesten doorgaan.

‘Tot ik zeg dat je kunt ophouden,’ zei Sevanna zacht, naar de kubus starend. Iets van hoop prikte in haar borst. Als hij dat kon, kon hij ook geven wat hij had beloofd. En misschien... Ze zou niet op te veel hopen. Ze keek op door de takken die elkaar bijna boven de open plek raakten. De zon moest nog steeds een eind klimmen tot zijn grootste hoogte.

‘Als hij er vanmiddag nog niet is, vertrekken we.’ Het was te veel om aan te nemen dat ze niet zouden gaan mopperen. ‘Dus we blijven hier als dooie stenen zitten?’ Alarys draaide zo handig en ervaren haar hoofd om dat alle haren over een schouder zwiepten. ‘Voor een natlander?’

‘Wat hij je ook beloofd heeft, Sevanna,’ zei Rhiale boos, ‘dit is het niet waard.’

‘Hij is gek,’ gromde Tion.

Modarra knikte naar de kubus. ‘En als hij ons nog steeds kan horen?’ Tion snoof geringschattend en Someryn zei: ‘Wat kan het ons schelen of een man ons kan horen? Maar ik vind het niet prettig op hem te moeten wachten.’

‘Stel dat hij op die natlanders in het zwart lijkt?’ Belinde kneep haar lippen opeen, tot ze bijna zo dun waren als die van Meira. ‘Doe niet zo belachelijk,’ sneerde Alarys. ‘Natlanders doden zulke lieden ter plekke. Wat de algai’d’siswai ook beweren, het moet Aes Sedai-werk geweest zijn. En van Rhand Altor’ Die naam veroorzaakte een pijnlijke stilte, al duurde die niet lang.

‘Caddar moet een kubus als deze hebben,’ zei Belinde. ‘En een geleidster om hem te laten werken.’

‘Een Aes Sedai?’ Rhiale maakte een afkerig geluid in haar keel. ‘Al zijn er tien Aes Sedai bij hem, laat ze maar komen. Ze krijgen wat ze verdienen.’

Meira lachte, een droog geluid dat al even mager was als haar gezicht. ‘Volgens mij ga je nog geloven dat zij Desaine hebben gedood.’

‘Let op je tong!’ snauwde Rhiale.

‘Ja,’ mompelde Someryn bevreesd. ‘Zorgeloze woorden kunnen door de verkeerde oren worden opgevangen.’

Tions lach was kort en onplezierig. ‘Jullie hebben allemaal nog minder moed dan een natlander.’ Waarop Someryn natuurlijk terugschold, net als Modarra, en Meira woorden uitte die een uitdaging hadden ontlokt als ze geen Wijzen waren geweest, en Alarys sprak nog hardere woorden, en Belinde...

Hun geruzie verveelde Sevanna, hoewel het ervoor zorgde dat ze niet tegen haar zouden samenspannen. Maar dat was niet de reden dat ze haar hand hief voor stilte. Rhiale keek haar dreigend aan en wilde wat zeggen, en op dat moment hoorden zij wat Sevanna hoorde. In de dode bladeren tussen de bomen ritselde iets. Geen enkele Aiel maakte zoveel lawaai, zelfs niet als hij de Wijzen ongevraagd benaderde, en geen dier zou zo dicht bij mensen komen. Deze keer stond ze samen met de anderen op.

Er verschenen twee gestalten, een man en een vrouw, die genoeg takken onder hun voeten braken om een steen te wekken. Vlak bij de open ruimte bleven ze staan en de man boog iets naar de vrouw toe om tegen haar te spreken. Het was Caddar, in een bijna zwarte jas met kant bij hals en polsen. Hij droeg gelukkig geen zwaard. Ze leken ruzie te hebben. Sevanna had iets van hun woorden moeten opvangen, maar het bleef doodstil. Caddar was bijna een hand groter dan Modarra, groot voor een natlander, en zelfs voor een Aiel. Het hoofd van de vrouw reikte slechts tot zijn borst. Haar haren en huid waren even donker als de zijne, en ze was zo knap dat zelfs Sevanna verstijfde. Ze droeg felrode zijde en toonde nog meer van haar boezem dan Someryn.

Blijkbaar dacht Someryn dat ze haar geroepen had, en ze kwam naast Sevanna staan. ‘Die vrouw heeft de gave,’ fluisterde ze, zonder haar ogen van het stel af te nemen. ‘Ze weeft een afgrenzing.’ Ze kneep haar lippen opeen en voegde er met tegenzin aan toe: ‘Ze is sterk. Heel sterk.’ Deze woorden, uit haar mond, betekenden nogal wat. Sevanna had nooit kunnen begrijpen waarom sterkte in de Kracht onder de Wijzen niet telde – waar ze omwille van zichzelf dankbaar voor was -maar Someryn beroemde zich erop dat ze nog nooit een vrouw had ontmoet die zelfs maar bij benadering zo sterk was als zij. Aan haar stem te horen, vermoedde Sevanna dat deze vrouw sterker was.

Maar nu maalde ze er niet om of de vrouw bergen kon verplaatsen of een kaarsje kon aansteken. Het moest een Aes Sedai zijn. Ze had dat gezicht nog niet, maar enkele andere vrouwen die Sevanna had gezien, hadden dat ook niet. Daardoor kon Caddar zijn hand op een ter’angreaal leggen. Daardoor kon hij hen vinden en naar hen toe komen. Zo spoedig, zo snel. Er ontvouwden zich mogelijkheden en haar hoop groeide. Maar, tussen hem en haar, wie overheerste wie?

‘Hou op daarin te geleiden,’ beval ze. Hij zou nog steeds in staat kunnen zijn hen af te luisteren.

Rhiale wierp haar een blik toe die verder ging dan medelijden. ‘Someryn is al gestopt, Sevanna.’

Niets kon haar stemming bederven. Ze glimlachte en zei: ‘Goed. Onthoud wat ik gezegd heb. Laat mij het woord doen.’ De meeste anderen knikten; Rhiale snoof. Sevanna bleef glimlachen. Een Wijze kon geen gai’shain worden, maar er waren al zoveel tot de draad versleten gewoonten opzij gezet dat er nog wel meer konden volgen.

Caddar en de vrouw kwamen naar voren, en Someryn fluisterde weer: ‘Ze houdt de Kracht nog steeds vast.’

‘Ga naast me zitten,’ zei Sevanna haastig. ‘Raak mijn been aan als ze geleidt.’ O, dat stak. Maar ze moest het weten.

Ze ging zitten en kruiste haar benen onder zich. De anderen voegden zich bij haar en lieten een ruimte open voor Caddar en de vrouw. Someryn zat zo dicht naast haar dat hun knieën elkaar raakten. Sevanna had graag een stoel gehad.

‘Ik zie u, Caddar,’ zei ze vormelijk, ondanks zijn belediging. ‘Zet u neder, u en uw vrouw.’

Ze wilde zien hoe de Aes Sedai zou reageren, maar ze trok slechts een wenkbrauw op en glimlachte loom. Haar ogen waren zo zwart als de zijne, zo zwart als die van een raaf. De andere Wijzen toonden iets van kilte. Als de Aes Sedai Rhand Altor bij de bronnen niet hadden laten ontsnappen, zouden zij beslist elk van hen gedood of gevangen hebben. Dat moest deze Aes Sedai weten, aangezien Caddar overduidelijk wist wat er gebeurd was, maar ze zag er allesbehalve bevreesd uit.

‘Dit is Maisia,’ zei Caddar, die zich op de grond liet zakken, iets verder weg dan de ruimte die voor hem was vrijgehouden. Om de een of andere reden hield hij er niet van om binnen iemands bereik te komen. Misschien was hij bang voor messen, ‘Ik heb je gezegd om één Wijze te gebruiken, Sevanna, niet zes. Sommige mannen zouden er achterdochtig van worden.’ Hij leek ergens vermaakt om te zijn.

De vrouw, Maisia, hield op met haar rok onder zich te stoppen toen hij haar voorstelde. Ze keek hem woest aan, alsof ze hem wilde villen. Misschien had ze gehoopt haar naam geheim te kunnen houden. Maar ze zei niets. Toen zat ze naast hem en haar glimlach kwam zo plotseling terug dat het leek alsof die nooit was weggeweest. Sevanna was er, niet voor het eerst, dankbaar voor dat de gezichten van natlander s hun gevoelens zo openlijk weerspiegelden.

‘U heeft het ding meegebracht waarmee Rhand Altor beheerst kan worden?’ Ze keek niet eenmaal naar de waterkan. Als hij zo grof was, waarom zou zij dan de beleefdheden handhaven? Ze herinnerde zich dit niet van hun eerste ontmoeting. Misschien gaf de Aes Sedai hem meer durf.

1 ... 111 112 113 114 115 116 117 118 119 ... 217
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)