Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Caddar keek haar vragend aan. ‘Waarom, als je hem niet hebt?’
‘Ik zal hem krijgen,’ zei ze effen, en hij glimlachte. Evenals Maisia.
‘Als je hem hebt, geef ik het.’ Zijn glimlach sprak, nee schreeuwde zijn twijfel en ongeloof uit. Die van de vrouw toonde spot. Voor haar konden ook zwarte kleren worden gevonden. ‘Wat ik heb, zal hem in gevangenschap overheersen, maar het kan hem niet overmeesteren. ‘Ik wil niet het gevaar lopen dat hij iets over mij verneemt voordat je hem in handen hebt.’ Hij leek zich in het geheel niet voor deze erkenning te schamen.
Sevanna bedwong een steek van teleurstelling. Eén hoop vervlogen, maar andere leefden. Rhiale en Tion vouwden hun handen samen en staarden voor zich uit, tot buiten de kring; hij was het niet langer waard om naar te luisteren. Natuurlijk wisten zij niet alles.
‘En Aes Sedai? Kan dat ding hen overheersen?’ Rhiale en Tion staarden niet meer tussen de bomen. Belindes wenkbrauwen vertrokken iets, en Meira keek haar zelfs aan. Sevanna vervloekte hun gebrek aan zelfbeheersing.
Maar Caddar was al even blind als alle natlanders. Hij wierp zijn hoofd in de nek en lachte. ‘Zeg je nu dat je Rhand Altor hebt gemist, maar Aes Sedai hebt gevangen? Je grabbelde naar de adelaar en ving een paar leeuweriken?’
‘Kunt u hetzelfde leveren voor Aes Sedai?’ Ze wilde met haar tanden knarsen. Eerder was hij toch heel beleefd geweest.
Hij trok zijn schouders op. ‘Misschien. Als de prijs goed is.’ Het was als stof voor hem, van geen betekenis. Wat Maisia betrof, haar kon het ook niets schelen. Vreemd, als ze een Aes Sedai was. Dat moest ze zijn.
‘Uw tong werpt heldere kleuren in de wind, natlander,’ zei Tion vlak. ‘Welk bewijs geeft u?’ Deze keer vond Sevanna het niet erg dat ze voor haar beurt gesproken had.
Caddars gezicht verstrakte, alsof hij een stamhoofd was en de belediging had gehoord, maar een moment later was hij weer een en al glimlach. ‘Zoals je wenst. Maisia, speel met de oproepschrijn voor ze.’ Someryn verschikte haar rok terwijl ze haar knokkels tegen Sevanna’s dij drukte. De grijze kubus rees een voet of twee de lucht in. Hij kaatste heen en weer alsof hij van hand tot hand werd geworpen, kantelde en wentelde op één punt als een tol, sneller en sneller, tot hij vervaagde.
‘Wil je zien hoe ze hem op haar neus in evenwicht kan houden?’ vroeg Caddar met een ondeugende grijns.
De donkere vrouw staarde recht voor zich uit. Ze had haar ogen half dichtgeknepen en dwong zich zichtbaar te blijven glimlachen. ‘Ik geloof dat ik meer dan genoeg heb laten zien, Caddar,’ zei ze koud. Maar de kubus – de oproepschrijn? – bleef rondtollen.
Sevanna wachtte, telde langzaam tot twintig, tot ze zei: ‘Dat is genoeg.’
‘Je mag nu ophouden, Maisia,’ zei Caddar. ‘Zet hem maar terug waar hij stond.’ Toen pas zakte de kubus langzaam omlaag en vleide zich zacht neer. Ondanks haar donkere huid leek de vrouw bleek geworden. En woedend.
Als ze alleen geweest was, zou Sevanna hebben gelachen en rondgedanst, maar nu had ze moeite haar gezicht strak te houden. Rhiale en de anderen merkten het niet, ze hadden het te druk met minachtend naar Maisia te staren. Wat bij een vrouw met de gave werkte, zou bij een ander ook werken. Voor Someryn en Modarra was dat wellicht niet nodig, maar voor Rhiale en Therava... Ze kon niet al te begerig lijken, niet terwijl de anderen wisten dat er geen gevangen Aes Sedai waren.
‘Natuurlijk,’ ging Caddar door, ‘zal het wat tijd kosten om je te voorzien van wat je wilt.’ Zijn blik kreeg iets sluws dat hij trachtte te verbergen; misschien zou een andere natlander het niet hebben opgemerkt, ‘Ik waarschuw je dat de prijs niet gering zal zijn.’
Onwillekeurig boog Sevanna zich naar voren. ‘En de manier waarop u zo snel hierheen reisde? Hoeveel kost het om ons dat te leren?’ Ze slaagde erin haar gretigheid niet te laten horen, maar ze was bang dat de minachting die ze voelde zichtbaar werd. Natlanders deden alles voor goud.
Misschien hoorde de man het; zijn ogen werden in ieder geval groot van verbazing voor hij zich beheersen kon. Hoe weinig dat ook was. Hij bestudeerde zijn handen en zijn lippen krulden vaag. Waarom glimlachte hij zo tevreden? ‘Dat is niet iets wat zij doet,’ zei hij met een stem die zo glad was als zijn handpalm. ‘Niet uit zichzelf. Het lijkt op de oproepschrijn. Ik kan je er verschillende leveren, maar de prijs daarvan is nog hoger. Ik betwijfel of wat je in Cairhien vergaard hebt, daarvoor voldoende zal zijn. Gelukkig kun je zo’n... reisschrijn gebruiken om jouw mensen naar rijkere landen te brengen.’
Zelfs Meira had moeite om niet begerig te kijken. Rijkere landen, waarvoor ze zich geen weg hoefden te banen door die dwazen rond Rhand Altor.
‘Ga door,’ zei Sevanna koel. ‘Rijkere landen kunnen wellicht van belang zijn.’ Maar niet genoeg om haar de Car’a’carn te doen vergeten. Caddar zou haar alles geven wat hij haar beloofd had, voor ze hem da’tsang verklaarde. Het kwam goed uit dat hij van zwarte kleding scheen te houden. Zo hoefde ze hem geen goud te geven.
De bespieder gleed geluidloos tussen de bomen door. Het was prachtig wat je met een oproepschrijn te weten kon komen, vooral in een wereld waar er maar twee andere schenen te zijn. Dat rode gewaad was makkelijk te volgen en ze keken geen enkele keer om, zelfs niet om te zien of die zogenaamde Aiel achter hen aan kwamen. Graendal hield vast aan het spiegelmasker dat haar ware gestalte verborg, maar Sammael had het zijne laten vallen. Hij had zijn gouden baard weer, en was maar een hoofd en schouder groter dan haar. Hij had hun koppeling ook laten oplossen. De bespieder vroeg zich af of dat, gezien de omstandigheden, verstandig was. Hij had zich altijd afgevraagd hoeveel van Sammaels beroemde dapperheid in werkelijkheid stomheid en blindheid was. Maar de man hield vast aan saidin; misschien was hij zich niet helemaal onbewust van het gevaar.
De bespieder volgde luisterend. Ze merkten niets. De Ware Kracht, die uit de Grote Heer zelf werd geput, kon niet gezien of ontdekt worden, behalve door degenen die haar gebruikten. Er dreven zwarte vlekken door zijn gezichtsveld. Zeker, er zat een prijs aan vast, een die elke keer hoger werd, maar hij was altijd bereid geweest die prijs te betalen. Vervuld worden van de Ware Kracht was bijna alsof men onder Shayol Ghul knielde en zich warmde in de heerlijkheid van de Grote Heer. Die heerlijkheid was de pijn waard.
‘Natuurlijk moest ik je bij me hebben,’ gromde Sammael, toen hij over een dode tak struikelde. Hij had zich buiten de steden nooit erg thuis gevoeld. ‘Je hebt door je aanwezigheid meer dan honderd vragen beantwoord. Ik kan nauwelijks geloven dat die dwaze meid zowaar voorstelde wat ik wilde.’ Hij lachte blaffend. ‘Misschien ben ik zelf wel ta’veren.’
Een tak die Graendals pad gedeeltelijk afsloot, boog opzij en brak ineens scherp krakend af. Even hing de tak in de lucht, alsof ze haar gezel ermee wilde slaan. ‘Dat stomme kind snijdt je hart eruit en vreet het op, als ze ook maar even de kans krijgt.’ De tak vloog opzij, ‘Ik heb zelf een paar vragen. Ik heb nooit geloofd dat je je langer aan je wapenstilstand met Altor zou houden dan nodig was, maar dit...?’ De wenkbrauwen van de verspieder gingen omhoog. Een wapenstilstand. Een aanspraak die even gevaarlijk als vals was, gezien alle bewijzen.
‘Ik had niet de hand in zijn ontvoering.’ Sammael keek haar volgens hemzelf droogjes aan, maar zijn litteken maakte er meer een bedreiging van. ‘Mesaana had ermee te maken. Misschien ook Demandred en Semirhage, al zou je dat gezien de afloop niet zeggen, maar Mesaana zeker. Misschien zou je eens opnieuw moeten overdenken wat de Grote Heer bedoelt met dat Rhand Altor niets mag overkomen.’ Graendal dacht daar zo diep over na dat ze struikelde. Sammael greep haar bij de arm en hield haar overeind, maar zodra ze haar evenwicht hervonden had, rukte ze zich los. Belangwekkend, zelfs na wat er op die open plek gebeurd was. Eigenlijk stelde Graendel slechts belang in de schoonheden die ze uit de machtigen had verkozen, maar ze zag er geen been in om als tussendoortje wat te flirten met een man die ze wilde doden of die haar wilde ombrengen. De enige mannen met wie ze het nooit aanlegde waren de Uitverkorenen die tijdelijk boven haar stonden. Ze aanvaardde nimmer dat ze de minste van een paar was.