Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Of de Car’a’carn heeft ons niet kunnen vinden,’ zei ze opeens, ‘of hij zit niet achter ons aan. In beide gevallen heb ik er vrede mee.’
Een paar van hen sprongen zowaar op. Tions ronde gezicht verbleekte en Modarra klopte haar op de schouder. Modarra zou er aardig hebben uitgezien, als ze niet zo lang was geweest en niet steeds probeerde om iedereen binnen bereik te bemoederen. Alarys hield zich te veel bezig met het gladstrijken van haar rok die al keurig om haar heen gespreid lag, in een poging om te negeren wat ze niet wilde zien. Meira’s smalle mond stond somber, maar het viel niet te zeggen of het was vanwege de zichtbare angst van de anderen voor de Car’a’carn, of om haar eigen angst. Ze hadden reden genoeg om bevreesd te zijn.
Er waren twee volle dagen voorbijgegaan sinds de slag, en er hadden zich minder dan twintigduizend speren rond Sevanna verzameld. Therava en de meeste andere Wijzen die in het westen waren geweest, waren nog steeds afwezig, met inbegrip van alle anderen die zij aan zich gebonden had. Enkele vermisten zouden zeker naar Therins Dolk terugkeren, maar hoeveel zouden er nooit meer de zon zien opkomen? Niemand kon zich zo’n slachting herinneren, zoveel dood in zo’n korte tijd. Zelfs de algai’d’siswai waren niet echt in staat om zo spoedig weer de speren te laten dansen. Er was reden om bevreesd te zijn, maar geen reden om het te laten zien, om als een natlander voor iedereen zichtbaar je hart en ziel op je gezicht te tonen.
Rhiale leek dat tenminste te beseffen. ‘Als we dit moeten doen,’ mompelde ze, stijf van schaamte, ‘laten we het dan doen.’ Zij was een van degenen geweest die opgesprongen waren.
Sevanna nam de kleine, grijze kubus uit haar buidel en plaatste hem midden in de kring, boven op de bruine bladeren. Om hem te bestuderen boog Someryn zich, met haar handen op de knieën, zo ver naar voren dat ze het gevaar liep uit haar hemd te vallen. Haar neus raakte de kubus bijna aan. Elke zijde was bedekt met ingewikkelde patronen, en van dichtbij kon je kleinere patronen binnen de grotere ontwaren, en daarbinnen nog kleinere, en zelfs iets wat nog kleiner scheen te zijn. Sevanna had er geen idee van hoe ze gemaakt konden zijn, dat die kleinste zo fijn en duidelijk waren. Ze had ooit gedacht dat de kubus van steen was, maar daar was ze niet langer zeker van. Gisteren had ze hem per ongeluk op de rotsen laten vallen en geen enkel groefje was beschadigd. Het enige dat ze wisten, was dat het een ter’angreaal moest zijn.
‘Het kleinst mogelijke stroompje Vuur moet hem hier, bij wat lijkt op een verwrongen halvemaan, lichtjes raken,’ zei ze, ‘en een ander dat teken dat eruitziet als een bliksemflits.’ Someryn kwam haastig overeind.
‘Wat gebeurt er dan?’ vroeg Alarys, haar vingers door haar haren halend. Het leek een verstrooid gebaar, maar was een manier om iedereen er altijd aan te herinneren dat haar haren zwart waren in plaats van het gebruikelijke geel of rood.
Sevanna glimlachte. Ze genoot ervan om iets te weten wat de anderen niet wisten. ‘Dan gebruik ik hem om de natlander op te roepen die de kubus aan me gegeven heeft.’
‘Dat heb je ons al verteld,’ zei Rhiale zuur, en Tion vroeg zonder omwegen: ‘Hoe kan die hem oproepen?’ Ze was wellicht bang voor Rhand Altor, maar niet voor veel meer. Zeker niet voor Sevanna. Belinde streek met een magere vinger over de kubus. Haar door de zon gebleekte wenkbrauwen stonden laag.
Sevanna hield haar gezicht in de plooi, maar geprikkeld dwong ze zich niet met haar handen een ketting aan te raken of haar omslagdoek te verschikken, ‘Ik heb jullie alles verteld wat je moet weten.’ Dat was volgens haar al te veel, maar het was nodig geweest. Anders zouden ze allemaal weer bij de speren en de andere Wijzen hebben gezeten, om hard brood en gedroogd vlees te eten. Of, nog waarschijnlijker, ze zouden allemaal naar het oosten zijn getrokken, op zoek naar overlevenden en uitkijkend naar enig teken van achtervolging. Ondanks een laat vertrek konden ze nog steeds vijftig span afleggen voor ze stilhielden. ‘Woorden villen het zwijn niet, laat staan dat ze het doden. Als je besloten hebt om terug te kruipen naar de bergen en de rest van je leven te vluchten en je te verstoppen, ga dan. Zo niet, doe dan wat je moet doen, en ook ik zal mijn deel uitvoeren.’
Rhiales blauwe ogen staarden haar zonder meer uitdagend aan, evenals de grijze van Tion. Zelfs Modarra leek te twijfelen, en Sevanna had haar en Someryn het meest in haar greep.
Sevanna wachtte, uiterlijk kalm, niet bereid om het nog eens te zeggen of te vragen. Vanbinnen schroeide haar maag van woede. Ze zou niet worden verslagen omdat deze vrouwen angstige harten hadden.
‘Als we moeten,’ verzuchtte Rhiale ten slotte. Naast de afwezige Therava bood zij het vaakst tegenstand, maar Sevanna had goede hoop. De ruggengraat die voor niets wenste te buigen, bleek vaak zeer plooibaar als eenmaal was toegegeven. Dat gold zowel voor vrouwen als voor mannen. Rhiale en de anderen wendden hun ogen naar de kubus. Sommigen hadden hun wenkbrauwen gefronst.
Sevanna kon uiteraard niets zien. Feitelijk besefte ze dat, als ze niets deden, de Wijzen zouden kunnen doen alsof de kubus niet werkte, en zij zou het nooit weten.
Maar plotseling hijgde Someryn, en Meira zei bijna fluisterend: ‘Hij trekt meer aan. Kijk.’ Ze wees. ‘Vuur, daar en daar, en Aarde, en Lucht en Geest die de uithollingen vullen.’
‘Niet allemaal,’ zei Belinde. ‘Ik denk dat ze op een heleboel verschillende manieren gevuld kunnen worden. En er zijn plekken waar de stromen... verdraaien... om iets heendraaien wat er niet is.’ Ze fronste. ‘Het moet het mannelijke gedeelte ook aantrekken.’
Een paar weken iets terug, verschikten hun omslagdoek of sloegen hun rok af alsof ze stof wegwreven. Sevanna zou er alles voor over hebben gehad om het te kunnen zien. Bijna alles. Hoe konden ze zo laf zijn? Hoe konden ze het zo openlijk laten zien?
Ten slotte zei Modarra: ‘Ik vraag me af wat er zou gebeuren als we hem ergens anders met Vuur zouden aanraken.’
‘Geef de oproepschrijn te veel of op de verkeerde manier, en hij kan smelten,’ zei een mannenstem vanuit de lucht. ‘Hij kan zelfs ontpl...’ De stem brak af, toen de andere vrouwen overeind sprongen en tussen de bomen tuurden. Alarys en Modarra trokken zelfs hun mes, hoewel ze met de Ene Kracht geen staal nodig hadden. Er bewoog niets in de door de zon doorsneden schaduwen, nog geen vogel.
Sevanna verroerde zich niet. Ze had misschien een derde geloofd van wat de natlander haar verteld had, maar dit eerlijk gezegd niet. Ze herkende echter Caddars stem. Natlanders hadden altijd meer namen, maar deze was de enige die hij gegeven had. Een man met veel geheimen, vermoedde ze. ‘Ga weer zitten,’ beval ze. ‘En stuur de stromen terug naar waar ze waren. Hoe kan ik hem oproepen als jullie al bang zijn voor woorden?’
Rhiale draaide zich ongelovig om. Zij vroeg zich zonder twijfel af hoe Sevanna wist dat ze niet meer geleidden; het was duidelijk dat die vrouw niet nadacht. Langzaam en ongemakkelijk zetten ze zich weer in een kring. Rhiales gezicht stond nog strakker dan dat van de anderen.
‘Zo, dus jullie zijn terug?’ klonk Caddars stem vanuit de lucht. ‘Hebben jullie Altor?’
Iets in zijn toon waarschuwde haar. Hij kon het niet weten. Maar hij wist het. Ze vergat alles wat ze had willen zeggen.
‘Nee, Caddar. Maar we moeten nog steeds praten. Ik zal u over tien dagen ontmoeten, waar we elkaar voor het eerst gezien hebben.’ Ze kon die vallei in Therins Dolk eerder bereiken, maar ze had tijd nodig om zich voor te bereiden. Hoe kon hij het weten?