Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Waarom ga je dan met hen door?’ Haar stem droop van gesmolten lava, hoewel ze haar gevoelens gewoonlijk volkomen beheerste. ‘Altor in Mesaana’s handen is één ding; Altor in handen van deze wilde is iets heel anders. Niet dat ze veel kans op hem heeft als je hen echt erop uit wilt sturen om te plunderen. Réisschrijnen? Wat voor spelletje speel je? Maken ze gevangenen? Als jij denkt dat ik hun wilsdwang bijbreng, kun je dat meteen vergeten. Een van die vrouwen was niet mis. Ik wil niet het gevaar lopen dat zij zowel sterk als kundig wordt, en een van haar leerlingen evenmin. Of heb je bij je verborgen speeltjes ook nog ergens een binder? Trouwens, waar was je hiervoor? Ik hou er niet van te moeten wachten!’
Sammael stond stil en wierp een blik achter zich. De verspieder stond doodstil. Behalve bij zijn ogen was hij helemaal in fenstof gewikkeld, en hij was niet bang gezien te worden. In de loop der jaren had hij kundigheden opgedaan op vele gebieden waarover Sammael minachtend deed. En ook op sommige gebieden waar Sammael goed in was. Het plotseling openen van een poort, wat een boom doormidden sneed, liet Graendal schrikken. De gespleten stam helde dronken voorover. Nu wist ze dat Sammael verbonden was met de Bron.
‘Dacht je dat ik hun de waarheid vertelde?’ zei Sammael spottend. ‘Kleine stapjes in het vergroten van de chaos zijn even belangrijk als grote. Ze gaan waar ik ze stuur, doen wat ik wil en leren om genoegen te nemen met wat ik geef. Dat geldt ook voor jou, Maisia.’
Graendal liet haar schijnbeeld oplossen en werd, met hetzelfde gouden haar als hij, even blank als ze donker was geweest. ‘Als je me nog eens zo noemt, dood ik je.’ Haar stem had nog minder uitdrukking dan haar gezicht. Ze meende het. De verspieder verstrakte. Als ze het probeerde, zou een van hen omkomen. Zou hij tussenbeide komen? Zwarte vlekken schoten sneller en sneller voor zijn ogen langs.
Sammael beantwoordde haar blik al even hard. ‘Onthoud wie Nae’blis zal zijn, Graendal,’ zei hij, en hij stapte door zijn poort.
Even stond ze naar de poort te kijken. Aan haar kant verscheen een rechtopstaande zilveren snede, maar voordat haar poort zich richtte, liet ze de weving langzaam los. De lijn kromp tot een punt en flikkerde uit. De tinteling op de huid van de verspieder verdween toen ze saidar eveneens liet gaan. Met een bevroren gezicht volgde ze Sammael en zijn poort sloot zich achter haar.
De verspieder glimlachte vals achter zijn sluipmasker van fenstof. Nae’blis. Dat verklaarde wat Graendal onderdanig maakte, wat haar ervan weerhield om Sammael te doden. Zijzelf zou er ook door verblind zijn. Maar dat hield voor Sammael veel meer gevaar in dan zijn aanspraak op een wapenstilstand tussen hem en Lews Therin. Tenzij het natuurlijk waar was. Het vermaakte de Grote Heer om zijn dienaren tegen elkaar op te zetten, om te zien wie er sterker was. Alleen de sterk -sten konden in de buurt van zijn heerlijkheid staan. Maar de waarheid van vandaag hoefde niet die van morgen te zijn. De verspieder had de waarheid tussen een enkele zonsopgang en -ondergang wel honderd keer zien veranderen. Meer dan eens had hij die zelf veranderd. Hij overwoog om terug te gaan en de zeven vrouwen op de open plek te doden. Ze zouden makkelijk sterven; hij betwijfelde of ze wisten hoe een echte kring gevormd moest worden. De zwarte vlekken vulden zijn blikveld als een voorbij razende storm van zwarte sneeuw. Nee, hij zou dat op z’n beloop laten. Nu althans.
In zijn oren krijste de wereld toen hij de Ware Kracht gebruikte om een klein gat open te scheuren en uit het Patroon te stappen. Sammael wist niet hoe waar zijn woorden waren. Kleine stapjes in het vergroten van de chaos konden even belangrijk zijn als grote.
21
Swovansnacht
De nacht viel traag in Ebo Dar; de glans van de witte gebouwen weerstond de duisternis. Onder een heldere, wassende maan hosten groepen van Swovansnachtvierders met dennentakjes in hun haar door de straten. Slechts enkelen hadden lantaarns bij zich, terwijl ze rondhuppelden op de muziek van fluiten en trommen die opklonk vanuit herbergen en paleizen. Ze dansten van het ene feest naar het andere, maar verder waren de straten verlaten. Ergens in de verte blafte een hond en dichterbij gaf een ander heftig antwoord, tot hij plotseling piepte en ophield.
Mart hield zich op zijn tenen in evenwicht en luisterde, terwijl zijn ogen de maanschaduwen afzochten. Er bewoog alleen een kat, die steels door de straat schoof. Het geluid van wegrennende blote voeten vervaagde. De eigenaar van één paar voeten zou nu ergens rondwankelen, en die van een ander paar zou bloeden. Toen hij zich bukte, schopte zijn voet tegen een knuppel op het plaveisel, die zo lang was als zijn arm; in het maanlicht glinsterde dik koperbeslag. Die zou beslist zijn schedel gebroken hebben. Hij schudde zijn hoofd en veegde zijn mes af aan de vodden van de man aan zijn voeten. Uit een gerimpeld, smerig gezicht staarden lege ogen naar de nachthemel. Een bedelaar zo te zien, en te ruiken. Mart had nog niet gehoord dat bedelaars mensen aanvielen, maar misschien waren de tijden slechter dan hij gedacht had. Naast een uitgestrekte hand lag een grote juten zak. Die kerels hadden kennelijk verwacht heel wat in Marts jaszakken te vinden. De zak had hem van hoofd tot knieën kunnen bedekken.
Plotseling lichtte de lucht in het noorden boven de stad met een holle dreun op: een glinsterende groene streep barstte uiteen tot een bol, gevolgd door een andere knal die rode sterren door het groen deed regenen, toen een blauwe en een gele. Het waren de nachtbloemen van de vuurwerkers. Misschien zou dit alles in een maanloze, bewolkte nacht nog grootser zijn geweest, maar toch benam het hem de adem. Hij kon naar vuurwerk kijken tot hij zowat omviel van de honger. Nalesean had het over een vuurwerker gehad – Licht, was dat niet vanochtend geweest? – maar er kwamen geen nachtbloemen meer. Als vuurwerkers de hemel lieten bloeien, was het verhaal, plantten ze meer dan vier bloemen. Kennelijk had iemand met geld wat voor Swovansnacht gekocht. Hij wou dat hij wist wie. Een vuurwerker die nachtbloemen verkocht, zou ook meer dan dat verkopen.
Hij stak zijn mes terug in zijn mouw, raapte zijn hoed op van het plaveisel en liep haastig weg. Het geluid van zijn laarzen weerkaatste hol en leeg, even leeg als de straat. De meeste luiken voor de vensters hier lieten geen enkel spleetje licht zien. In de hele stad was waarschijnlijk geen betere plaats te vinden om iemand om zeep te helpen. Het treffen met de drie bedelaars had maar eventjes geduurd, en niemand was er getuige van geweest. In deze stad kon je op één enkele dag in drie of vier gevechten belanden als je niet uitkeek, maar het toeval van twee stel rovers op één dag leek minstens even groot als een stadswacht die niet omgekocht kon worden. Wat was er aan de hand met zijn geluk? Hielden die rottige dobbelstenen in zijn hoofd maar eens op met rollen. Hij zette het niet op een lopen, maar treuzelde evenmin. Hij hield een hand op een heft onder zijn jas en beide ogen goed open voor alles wat in de schaduwen bewoog. Maar hij zag niets anders dan wat slierten mensen die door de straat dansten.
De gelagkamer van De Zwerfster was leeggeruimd, op enkele tafels bij de muur na. De fluitspelers en de trommelaar maakten schrille muziek voor vier rijen lachende mensen die iets deden wat halfeen groepsdans en half een hop leek. Hij keek toe en deed een pas na. Buitenlandse kooplieden in fijne wol huppelden tussen inwoners die met gouddraad geborduurde zijden vesten droegen, of van die nutteloze jassen die ze over hun schouders sloegen. Twee koopvrouwen vielen hem op door hun manier van bewegen. De een was slank en de ander niet, maar beiden dansten licht en sierlijk. Hij keek ook waarderend naar de vrouwen uit de stad. Ze hadden hun beste kleren aan, de diepe halslijn afgezet met kant of borduurwerk, maar geen van hen droeg zijde. Uiteraard zou hij nooit weigeren om te dansen met een vrouw in zijde – hij had nog nooit een dans met een vrouw afgeslagen, wat haar leeftijd of stand ook was – maar vannacht waren de rijken in hun paleizen, of in de huizen van de welgestelde kooplui en geldleners. Vele klanten die tegen de muur geleund op adem kwamen voor de volgende dans, hadden hun gezicht in een kroes begraven, of gristen nieuwe drank van de bladen die de heen en weer schietende diensters hun voorhielden. Vrouw Anan zou vannacht waarschijnlijk evenveel wijn verkopen als anders in een hele week. En dat smerige bier; dit volk wist niet wat lekker was.