Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een Kroon van Zwarden
Een Kroon van Zwarden - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een Kroon van Zwarden

Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:

Een Kroon van Zwarden
1 ... 109 110 111 112 113 114 115 116 117 ... 217
Перейти на страницу:

‘Ik ben blij dat je gekomen bent,’ zei hij, nog steeds naar het plafond starend, ‘Ik heb hier in m’n eentje gezeten. In m’n eentje.’ Hij lachte bitter en blaffend. ‘Herid Fel is dood.’

‘Nee,’ fluisterde ze. ‘Niet die lieve oude man.’ Haar ogen prikten.

‘Hij was in stukken gescheurd.’ Rhands stem klonk dodelijk moe. Volkomen leeg. ‘Idrien viel flauw toen ze hem vond. Ze heeft de halve nacht verdoofd gelegen en was volslagen over haar toeren toen ze eindelijk bijkwam. Een vrouw van de school heeft haar iets gegeven, zodat ze kon slapen. Ze schaamde zich er heel erg over. Toen ze hier was, begon ze opnieuw te huilen en... Het moet Schaduwgebroed zijn geweest. Wat anders kan een mens letterlijk in stukken scheuren?’ Hij hief het hoofd niet op, maar sloeg zo hard met zijn vuist op een leuning dat het hout kraakte. ‘Maar waarom? Waarom werd hij vermoord? Wat kon hij me vertellen?’

Min probeerde na te denken. Dat deed ze echt. Meester Fel was een wijsgeer. Hij en Rhand bespraken alles. Vanaf de betekenis van stukken uit De Voorspellingen van de Draak tot de aard van het gat in de kerker van de Duistere. Hij had haar boeken geleend, boeiende boeken, waarbij ze moest nadenken om te begrijpen wat er beweerd werd. Hij was een wijsgeer geweest en zou haar nooit meer een boek lenen. Zo’n lieve oude man, ondergedompeld in een wereld van gedachten en schrikachtig wanneer hij daarbuiten iets opmerkte. Ze koesterde een briefje dat hij aan Rhand had geschreven: dat ze knap was en hem afleidde. Nu was hij dood. Licht, ze had al veel te veel dood meegemaakt.

‘Ik had het je niet moeten vertellen. Niet op deze manier.’

Ze schrok. Ze had niet gehoord dat Rhand naar haar was toe gekomen. Zijn vingers streelden haar wang. Veegden tranen weg. Ze huilde. ‘Het spijt me, Min,’ zei hij zachtjes, ‘Ik ben niet meer zo aardig tegenwoordig. Door mij is een man gestorven en ik kan me slechts zorgen maken over de reden van zijn dood.’

Ze sloeg haar armen om hem heen en begroef haar gezicht in zijn borst. Ze kon haar tranen niet stuiten en haar beven niet stoppen, ‘Ik ben naar Colavaeres vertrekken gegaan.’ Er flitsten beelden door haar hoofd. De lege zitkamer, alle bedienden weg. Het slaapvertrek. Ze wilde er niet aan terugdenken, maar nu ze was begonnen, kon ze niet voorkomen dat het hele verhaal eruit kwam. ‘Nu je haar had verbannen dacht ik dat er misschien een mogelijkheid was om het beeld dat ik van haar had te voorkomen.’ Colavaere moest haar mooiste gewaad hebben aangetrokken. Donkere, glinsterende zijde, met vele lagen van ragfijn, oeroud Sovarra-kant. ‘Ik dacht dat er een kans was dat het niet hoefde uit te komen. Jij bent ta’veren. Jij kunt het Patroon veranderen.’ Colavaere had een ketting omgedaan, armbanden met smaragden en vuurdruppels en ringen met parels en robijnen; beslist haar mooiste sieraden. Door haar kapsel waren gele diamanten gevlochten in een fraaie nabootsing van de kroon van Cairhien. Haar gezicht...

‘Ze was in haar slaapkamer. Ze hing aan een bedpost.’ Uitpuilende ogen en een uitstekende tong in een zwart geworden, opgezet gezicht. Haar tenen vlak boven een omgevallen kruk. Verloren snikkend zakte Min tegen Rhand aan.

Hij sloeg zijn armen langzaam en teder om haar heen. ‘O, Min, jouw gave bezorgt je meer pijn dan plezier. Als ik je pijn kon overnemen, zou ik het doen, Min. Ik zou het doen.’

Langzaam drong tot haar door dat ook hij beefde. Licht, hij probeerde zo verbeten ijzersterk te blijven en te zijn zoals de Herrezen Draak volgens hem moest zijn, maar het trof hem zo ongelooflijk diep wanneer iemand door hem stierf. Colavaere waarschijnlijk evenzeer als Fel. Hij bloedde voor iedereen die iets overkwam en probeerde net te doen of dat niet zo was.

‘Kus me,’ mompelde ze. Hij bewoog niet en ze keek op. Hij stond haar beduusd aan te kijken, de ogen nu eens blauw, dan weer grijs als een ochtendhemel. ‘Ik plaag je niet.’ Hoe vaak had ze hem niet geplaagd, op zijn schoot gezeten, hem gekust en schaapherder genoemd, omdat ze zijn naam niet durfde te gebruiken uit vrees dat hij de liefkozende warmte zou horen? Hij had het altijd geslikt, omdat hij dacht dat ze echt aan het plagen was en zou stoppen als ze geloofde dat het hem niets deed. Ach! Tante Jan en tante Rana zeiden dat je een man niet zomaar hoorde te kussen, omdat mannen zo gemakkelijk verliefd werden. ‘Ik ben koud van binnen, schaapherder. Colavaere, meester Fel. Ik wil warm vlees voelen. Ik wil... Alsjeblieft.’

Zijn hoofd kwam heel langzaam omlaag. Het was aanvankelijk de zoen van een broer, zo flauw als watermelk, maar troostend en kalmerend. Toen werd het iets anders. Niet meer troostend. Hij schoot recht en probeerde zich los te rukken. ‘Min, ik kan het niet. Ik heb niet het recht...’

Ze greep met beide handen zijn haren en trok zijn mond weer omlaag en na een korte poos stribbelde hij niet meer tegen. Ze was er niet zeker van of haar handen het eerst aan zijn hemdkoordjes begonnen te trekken of zijn handen aan die van haar, maar van één ding was ze volkomen zeker: als hij het waagde er nu mee op te houden, zou ze een van Riallins speren halen, ze allemaal halen, en hem ter plekke neersteken.

Op weg naar buiten nam Cadsuane in het Zonnepaleis onopvallend de Aiel-wilders op die ze kon zien. Corele en Daigian volgden zwijgend. Ze kenden haar nu goed genoeg om haar niet met hun gebabbel te storen. Wat niet gezegd kon worden van allen die enige dagen in Arilyns paleisje verbleven, voor ze hen verder stuurde. Er waren heel wat wilders en ieder staarde naar de Aes Sedai alsof ze een hond zagen, onder de vlooien en open zweren, die met zijn modderpoten over een nieuw tapijt stapte. Sommige mensen bezagen een Aes Sedai met ontzag of bewondering, andere met vrees of haat, maar nooit eerder had Cadsuane zoveel verachting gezien, zelfs niet bij Witmantels. Desondanks had elk volk dat zoveel wilders voortbracht, een hele stroom meisjes naar de Toren moeten sturen.

Daar zou uiteindelijk voor gezorgd moeten worden en naar de Doemkrocht met het gebruik. Nu echter niet. Die Altor-jongen diende zo geïntrigeerd te blijven dat hij toestond dat ze in zijn buurt bleef, en zo uit zijn evenwicht dat ze hem duwtjes kon geven zonder dat hij dat besefte. Hoe dan ook, alles wat zoiets kon verijdelen, moest beheerst of onderdrukt worden. Ze mocht niet toestaan dat iets hem beïnvloedde of op de verkeerde manier van zijn stuk bracht. Niets.

De glanzend zwarte koets wachtte op het plein met zijn zesspan van bij elkaar passende grijze en geduldige paarden. Een bediende snelde toe om de deur open te houden, die beschilderd was met twee zilveren sterren op rode en groene strepen. Hij boog diep voor de drie vrouwen, zodat zijn kale hoofd bijna gelijk kwam met zijn knieën. Hij liep in hemdsmouwen en een kniebroek. Na haar komst naar het Zonnepaleis had ze niemand in livrei opgemerkt, afgezien van enkelen die Dobraines kleuren droegen. Ongetwijfeld waren de bedienden niet zeker van wat ze aan moesten en bang voor een fout.

‘Ik zou Elaida nog weleens kunnen villen als ik haar in mijn vingers krijg,’ zei ze toen het rijtuig schokkend in beweging kwam. ‘Dat dwaze kind heeft mijn taak bijna onmogelijk gemaakt.’

En toen lachte ze zo abrupt dat Daigian haar aanstaarde voor ze er erg in had. Coreles glimlach vergrootte zich vol verwachting. Geen van beiden begreep het en ze probeerde het niet uit te leggen. Vanaf haar geboorte was de uitspraak dat iets onmogelijk was, de snelste manier geweest om haar belangstelling te wekken. Maar ja, er waren tweehonderdzeventig jaar voorbijgegaan sinds ze voor het laatst een taak was tegengekomen die ze niet aankon. Nu kon elke dag haar laatste zijn, maar de jonge Altor zou een passend slot betekenen.

20

Patronen binnen Patronen

Minachtend gleed Sevanna’s blik over haar bestofte metgezellen, die samen met haar in een kring op de kleine open plek zaten. De bijna bladerloze takken boven hun hoofd gaven iets van een koele schaduw. De plek waar Rhand Altor de dood had rondgeslingerd, lag meer dan honderd span naar het westen, maar de ogen van de anderen leken steeds die kant op te gluren. Er waren geen zweettenten, dus was niemand erin geslaagd zichzelf goed schoon te maken, buiten een haastig wassen van gezicht en handen aan het einde van de dag. Naast haar stonden op de dode bladeren acht zilveren kommen van allerlei groottes en een kan met water. Tijdens de terugtocht had de kan deuken opgelopen.

1 ... 109 110 111 112 113 114 115 116 117 ... 217
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)