De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Ik zal haar helpen als ik dat kan,’ zei Nynaeve langzaam, ik kan niets beloven, Aviendha. Ze kan sterven, ondanks alles wat ik kan doen.’
‘De dood komt voor ons allen,’ zei de Aielvrouw. ‘We kunnen slechts kiezen hoe we haar tegemoet treden als ze komt. Ik zal u naar haar toe brengen.’
Op nog geen tien pas afstand stonden twee vrouwen in Aielkleren op. Een ervan kwam overeind uit een kleine kuil in de grond waarvan Egwene nooit geloofd zou hebben dat die meer dan een hond kon verbergen, en de ander rees op uit het gras dat slechts tot halverwege haar knieën reikte. Toen ze stonden, lieten ze hun zwarte sluier zakken – dat betekende een nieuwe schok voor haar; ze wist zeker dat Elayne haar verteld had dat de Aiel hun gezichten alleen verborgen als ze wellicht moesten doden – en maakten de doek los die ze tot aan de schouders om het hoofd hadden gewikkeld. De ene had hetzelfde rossige haar als Aviendha en grijze ogen. De ander had donkerblauwe ogen en vuurrood haar. Geen van hen was ouder dan Egwene of Elayne, en beiden zagen eruit alsof ze gereed waren de korte speren in hun hand te gebruiken.
De vrouw met het rode haar gaf Aviendha haar wapens; een lang mes met een groot blad dat in de riem om haar middel hing en een volle pijlkoker aan de andere kant; een donkere, gebogen boog die de doffe glans van hoorn had en in een hoes op haar rug zat; en vier korte speren met lange punten, die ze samen met een klein rond schild van huid in haar linkerhand hield. Aviendha droeg ze met hetzelfde gemak als een vrouw in Emondsveld een sjaal zou dragen, net als de andere twee. ‘Kom,’ zei ze, en ging op weg naar het bosje waar ze eerder langsgekomen waren.
Egwene liet saidar ten slotte los. Ze vermoedde dat de drie Aiel – als ze dat hadden gewild – haar met die speren hadden kunnen raken voordat ze ook maar iets had kunnen doen. Maar hoewel ze behoedzaam waren, dacht ze niet dat de Aiel zoiets wilden. En als Nynaeve hun vriendin niet kan helen? Ik wou dat ze eens met ons overlegt voor ze beslissingen neemt die ons allen raken.
Terwijl ze in de richting van de bomen liepen, bespiedden de Aiel het landschap om hen heen, alsof zij verwachtten dat het lege land vijanden verborg die zich even kundig schuil konden houden als zijzelf. Aviendha liep voorop en Nynaeve hield gelijke tred met haar. ‘Ik ben Elayne van Huis Trakand,’ zei Egwenes vriendin alsof ze een gesprekje voerde, ‘erfdochter van Morgase, koningin van Andor.’ Egwene struikelde. Licht, is ze krankzinnig? Ik weet dat Andor in de Aiel-oorlog tegen hen streed. Dat mag dan twintig jaar geleden zijn, maar ze zeggen dat Aiel een goed geheugen hebben. Maar de Aielvrouw met.het rode haar die het dichtst bij haar liep, zei slechts: ‘Ik ben Bain van de Zwartrotssibbe van de Shaarad Aiel.’ ik ben Chiad,’ zei de kleinere, roodblonde vrouw aan haar andere kant, ‘van de Steenriviersibbe van de Goshien Aiel.’ Bain en Chiad keken Egwene aan. Hun gezichten veranderden niet, maar ze had de indruk dat zij dachten dat ze slechte manieren had. ‘Ik ben Egwene Alveren,’ zei ze. Ze leken meer te verwachten, dus voegde ze eraan toe: ‘Dochter van Marin Alveren, uit Emondsveld in Tweewater.’ Dat scheen hen op de een of andere manier tevreden te stellen, maar ze durfde te wedden dat zij het al evenmin begrepen als zij al die sibben en stammen. Het moet iets met families te maken hebben.
‘Zijn jullie eerstezusters?’ Bain scheen hen alledrie te bedoelen. Egwene dacht dat zij zusters bedoelden zoals het bij de Aes Sedai gebruikt werd en zei ‘ja’ op hetzelfde moment dat Elayne ‘nee’ zei. Chiad en Bain wisselen een snelle blik uit alsof ze vermoedden dat ze praatten met vrouwen die niet helemaal bij hun verstand waren. ‘Eerstezuster,’ zei Elayne belerend tegen Egwene, ‘betekent vrouwen die dezelfde moeder hebben. Tweedezuster betekent dat hun moeders zusters zijn.’ Ze wendde zich tot de Aiel. ‘Wij weten geen van beiden veel over uw volk. Ik vraag u ons te verontschuldigen voor onze onwetendheid. Ik denk soms aan Egwene als een eerstezuster, maar we zijn geen bloedverwanten.’
‘Waarom spreken jullie de woorden dan niet uit voor jullie Wijzen?’ vroeg Chiad. ‘Bain en ik werden eerstezusters.’ Egwene stond met haar ogen te knipperen. ‘Hoe kunnen jullie eerstezusters wórden? Of jullie hebben dezelfde moeder, of niet. Ik wil jullie niet beledigen. Het meeste wat ik over de Speervrouwen weet, komt van de paar dingen die Elayne me heeft verteld. Ik weet niet meer dan dat jullie strijden en niet om mannen geven, meer niet.’ Elayne knikte; zoals zij de Speervrouwen had beschreven, was het net geweest of Speervrouwen een kruising waren van vrouwelijke zwaardhanden en zusters van de Rode Ajah.
De Aiel wisselden opnieuw die blik uit, alsof het onduidelijk was of Egwene en Elayne wel goed wijs waren.
‘Wij geven niet om mannen?’ mompelde Chiad ietwat bevreemd. Bain trok nadenkend haar wenkbrauwen hoog op. ‘Wat u zegt, benadert de waarheid, maar mist haar geheel. Als wij de speer huwen, beloven wij dat wij niet gebonden zullen zijn aan man of kind. Sommigen geven de speer op voor een man of een kind – haar gezichtsuitdrukking zei dat ze dit zelf niet begreep – maar als de speer eenmaal is opgegeven, kan hij niet worden teruggenomen.’
‘Of als ze gekozen wordt om naar Rhuidean te gaan,’ bracht Chiad in. ‘Een Wijze kan niet met de speer gehuwd zijn.’
Bain keek haar aan alsof ze had meegedeeld dat de lucht blauw was of dat regen uit wolken viel. De blik die ze Egwene en Elayne gaf, zei dat ze die dingen misschien niet wisten. ‘Ja, dat is waar. Hoewel sommigen ertegen trachten te vechten.’
‘Ja, dat doen ze.’ Chiad klonk alsof zij en Bain iets deelden. ‘Maar ik ben ver gedwaald van het spoor van mijn uitleg,’ ging Bain door. ‘De Speervrouwen dansen de speren niet met elkaar, zelfs als onze stammen dat wel doen, maar de Shaarad en de Goshien hebben al meer dan vierhonderd jaar een bloedvete, en daarom vonden Chiad en ik dat onze huwbelofte niet genoeg was. We kwamen voor de Wijzen van onze stammen om de woorden uit te spreken – zij zette haar leven op het spel in mijn veste, en ik in de hare – en ons te binden als eerstezusters. Zoals het eerstezusters betaamt die Speervrouwen zijn, waken wij over elkanders rug, en geen van ons zal een man tot zich laten komen zonder de ander. Ik zou niet zeggen dat wij niet om mannen geven.’ Chiad knikte en haar mondhoeken leken iets van een glimlach aan te duiden. ‘Heb ik u de waarheid verduidelijkt, Egwene?’
‘Ja,’ zei Egwene zwakjes. Ze keek naar Elayne en zag eenzelfde verwarring in die blauwe ogen als in de hare te zien moest zijn. Geen Rode Ajah. Groene misschien. Een kruising tussen zwaardhanden en Groene Ajah, en meer begrijp ik er niet van. ‘De waarheid is me nu duidelijk, Bain. Dank u.’
‘Als u getweeën voelt dat u eerstezusters bent,’ zei Chiad, ‘zou u naar de Wijzen moeten gaan en de woorden spreken. Maar u bent beiden een Wijze, zij het jong. In dat geval weet ik niet hoe het zou moeten gebeuren.’
Egwene wist niet of ze moest lachen of blozen. Er bleef haar een beeld bij van haarzelf en Elayne die dezelfde man deelden. Nee, dat is alleen voor eerstezusters die Speervrouwen zijn, niet! Elayne had rode plekjes op haar wangen en Egwene wist zeker dat ze aan Rhand dacht. Maar we delen hem niet, Elayne. We kunnen hem geen van beiden hebben.
Elayne schraapte haar keel. ‘Ik geloof niet dat het nodig is, Chiad. Egwene en ik bewaken reeds elkaars rug.’
‘Hoe kan dat?’ vroeg Chiad langzaam. ‘U bent niet gehuwd met de speer. En u bent een Wijze. Wie zou een hand durven opheffen tegen een Wijze? Dit verwart mij. Waarom wilt u elkanders rug bewaken?’ Egwene werd een antwoord bespaard toen ze bij het bosje aankwamen. Daar bevonden zich nog twee Aiel onder de bomen, diep in het bosje vlak naast de rivier. Joline van de Zoutpansibbe van de Nakai Aiel was een vrouw met blauwe ogen en roodgouden haar dat bijna dezelfde kleur had als dat van Elayne. Zij waakte over Dailin van Aviendha’s sibbe en stam. Zweet maakte Dailins haar plakkerig en nog donkerder rood, en ze opende haar grijze ogen slechts eenmaal, toen ze naderbij kwamen, en sloot ze toen weer. Haar jas en hemd lagen naast haar en het verband om haar middel zat vol rode vlekken. ‘Ze kreeg een zwaardsteek,’ zei Aviendha. ‘Sommigen van die dwazen die de eedbrekende boomdoders krijgslieden noemen, dachten dat we zo’n stel schurken waren die dit land verzieken. Wij moesten hen doden om hen op andere gedachten te brengen, maar Dailin... Kunt u haar helen, Aes Sedai?’