De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Het is mij duidelijk,’ zei Elayne vlug voordat Egwene iets kon zeggen. ‘En het lijkt mij een goed idee. Jij denkt ook dat het een goed idee is, nietwaar, Egwene?’
Egwene knikte met tegenzin. ‘Ik neem aan van wel.’
‘Maar Aes Sedai,’ wierp Ellisor tegen, ‘neem dan tenminste de Andoraanse kant. De oorlog, Aes Sedai. Rovers en allerlei schurken, en krijgslieden die niet veel beter zijn. Dat wrak onder onze boeg geeft aan wat voor soort lieden het zijn.’
‘Aan de Cairhiense zijde hebben we geen levende ziel gezien,’ zei Nynaeve, ‘en hoe dan ook, we zijn beslist niet weerloos, schipper. En ik ga geen vijftien span lopen als ik er maar zes hoef.’
‘Maar natuurlijk, Aes Sedai.’ Ellisor zweette nu werkelijk, ik wilde niet suggereren... Natuurlijk bent u niet weerloos, Aes Sedai. Ik wilde dat echt niet suggereren.’ Hij veegde zijn gezicht heftig af, maar het bleef glinsteren.
Nynaeve deed haar mond open, keek naar Egwene en leek van gedachten te veranderen over wat ze wilde zeggen. ‘Ik ga beneden mijn spullen halen,’ zei ze tegen de lucht tussen Egwene en Elayne in, en wendde zich toen tot Ellisor. ‘Schipper, maak uw roeiboot gereed.’ Hij boog en haastte zich al weg voor ze zich naar het luik begaf. Hij brulde zijn bemanning toe de boot uit te zetten voor ze beneden was. ‘Als een van jullie “op” zegt,’ mompelde Elayne, ‘zegt de ander “neer”. Als je er geen einde aan maakt, komen we misschien nooit in Tyr.’
‘We bereiken Tyr wel,’ zei Egwene. ‘En des te sneller als Nynaeve eenmaal beseft dat ze geen Wijsheid meer is. We zijn nu allemaal – ze zei niet Aanvaarden; er renden te veel mannen rond – van dezelfde rang.’ Elayne zuchtte.
Kort daarna zette de roeiboot hen aan land en stonden ze aan de oever, met wandelstokken in de hand en hun bezittingen op de rug, in bundels, buidels en tassen. Ze waren omringd door laag heuvelland met gras en verspreid struikgewas, hoewel de heuvels een paar span landinwaarts bebost waren. De roeiriemen van de Blauwe Kraanvogel kolkten schuim op, maar slaagden er niet in het schip in beweging te brengen. Egwene draaide zich om en begon naar het zuiden te lopen zonder om te kijken. Voordat Nynaeve de leiding kon nemen. Toen de anderen haar ingehaald hadden, keek Elayne haar verwijtend aan. Nynaeve liep door en staarde recht voor zich uit. Elayne vertelde Nynaeve wat Egwene over Mart en de grijzel gezegd had, maar de oudere vrouw luisterde in stilte en zei slechts: ‘Hij zal voor zichzelf moeten zorgen,’ zonder in te houden. Na een tijdje gaf de erfdochter het op om de andere twee aan het praten te krijgen en liepen ze in stilte door.
De Blauwe Kraanvogel was al spoedig verborgen achter groepjes watereiken en wilgen. Ze liepen niet door de bosjes heen, hoe klein die ook waren, want in de schaduwen onder de takken kon zich van alles verbergen. Vlak bij de rivier groeiden verspreid tussen de bomen wat struiken, maar het was te weinig om een kind te verbergen, laat staan een rover, en ze lagen op grote afstand van elkaar. ‘Als we rovers zien,’ verkondigde Egwene, ‘zal ik mijzelf verdedigen. Hier is geen Amyrlin die over onze schouders kijkt.’ Nynaeves mond verstrakte. ‘Als het nodig is,’ zei ze tegen de lucht vóór haar, ‘kunnen we iedere rover afschrikken zoals we bij die Witmantels deden. Als er geen andere manier is.’
‘Ik wou dat je niet over rovers praatte,’ zei Elayne. ‘Ik zou dat dorp willen bereiken zonder...’
Achter een eenzaam bosje vóór hen stond een gestalte in grijs en bruin op.
38
Speervrouwen
Egwene omhelsde saidar voordat de schreeuw haar mond uit was, en ze zag de gloed ook om Elayne. Heel even vroeg ze zich af of Ellisor hun geschreeuw had gehoord en hulp zou sturen; de Blauwe Kraanvogel kon niet meer dan een span stroomopwaarts zijn. Toen zag ze af van elke hulp en vlocht ze al stromen Lucht en Vuur tot bliksems. Ze kon hun kreten bijna nog horen.
Nynaeve had haar armen over elkaar geslagen en bleef gewoon met een vastberaden uitdrukking op haar gezicht staan, maar Egwene was er niet zeker van of dat kwam doordat ze nog niet boos genoeg was om de Ware Bron aan te raken of omdat ze al gezien had wat Egwene nu pas opviel. De gestalte tegenover hen was een vrouw, niet ouder dan Egwene zelf, zij het wat langer.
Ze liet saidar niet los. Mannen waren soms dom genoeg om te denken dat een vrouw ongevaarlijk was, omdat ze slechts een vrouw was. Egwene had die illusie niet. Ergens achter in haar hoofd merkte ze dat Elayne niet meer door de gloed werd omgeven. De erfdochter koesterde kennelijk nog steeds wat dwaze ideeën. Zij is nooit een Seanchaanse gevangene geweest.
Egwene geloofde niet dat veel mannen stom genoeg zouden zijn om te denken dat de vrouw voor hen ongevaarlijk was, hoewel ze zo te zien geen wapens droeg en ook haar handen leeg waren. Blauwgroene ogen en rossig, kortgeknipt haar, afgezien van een dun paardenstaartje tot de schouders; zachte knielaarzen met veters, een strakke jas en broek, alles in de tinten van grond en rots. Zulke kleuren en kleren waren haar eens beschreven: dit was een Aielvrouw.
Ze keek naar de vrouw en plotseling voelde Egwene een vreemde verwantschap met haar. Ze begreep het niet. Ze ziet eruit als een nicht van Rhand, dat is het. Toch kon zelfs dit gevoel – alsof ze familie waren – haar nieuwsgierigheid niet onderdrukken. Wat in het Licht doen Aiel hier! Ze verlaten de Woestenij nooit; niet sinds de Aiel-oorlog. Haar hele leven had ze gehoord hoe dodelijk Aiel waren – deze Speervrouwen niet minder dan de leden van de mannelijke krijgsgenootschappen – maar ze was niet echt bang. Feitelijk was ze meer geërgerd dan bang. Met saidar die de Ene Kracht in haar leidde, hoefde ze niemand te vrezen. Behalve misschien een volleerde zuster, erkende ze. Maar zeker niet één enkele vrouw, ook al is ze een Aiel. ‘Mijn naam is Aviendha,’ zei de Aielvrouw, ‘van de Bitterwatersibbe van de Taardad Aiel.’ Haar gezicht was even vlak en uitdrukkingsloos als haar stem. ‘Ik ben Far Dareis Mai, een Speervrouw.’ Ze wachtte even en keek hen onderzoekend aan. ‘U hebt niet de gezichten, maar wij zagen de ringen. In uw gebied leven vrouwen die gelijken op onze Wijzen, vrouwen die Aes Sedai genoemd worden. Bent u vrouwen van de Witte Toren, of niet?’
Even voelde Egwene zich verontrust. Wij? Ze keek goed om zich heen, maar zag niemand achter een struik binnen twintig pas. Als er anderen waren, moesten ze in het volgende bosje zitten, ruim tweehonderd pas verder, of in het bosje achter hen, dat tweemaal zo ver lag. Te ver weg om een bedreiging te vormen. Tenzij ze bogen hebben. Maar dan zouden ze er wel goed mee moeten zijn. Thuis, bij de wedstrijden op Beltije en Zonnedag, konden alleen de beste boogschutters verder dan tweehonderd pas schieten.
Maar ze voelde zich nog steeds de sterkste, met de gedachte dat ze een bliksemschicht kon werpen naar iedereen die zo’n schot probeerde. ‘Wij zijn vrouwen van de Witte Toren,’ zei Nynaeve kalm. Ze zocht nadrukkelijk niet naar eventuele andere Aiel. Zelfs Elayne tuurde om zich heen. ‘Of u een van ons als wijs wilt beschouwen, is een andere zaak,’ vervolgde Nynaeve. ‘Wat wilt u van ons?’ Aviendha glimlachte. Ze was werkelijk heel knap. Egwene besefte dat die grimmige gezichtsuitdrukking dat verborgen had. ‘U spreekt zoals de Wijzen doen. Rechtuit en zonder geduld met dwazen.’ Haar glimlach verstierf. ‘Een van ons is ernstig gewond, wellicht stervende. Een Wijze heelt vaak degene die zonder haar zeker zou sterven, en ik heb gehoord dat Aes Sedai meer kunnen. Wilt u haar helpen?’ Egwene schudde bijna het hoofd in verwarring. Een vriendin van haar is stervende? Ze klinkt alsof ze vraagt of we haar een kopje gerstemeel willen lenen.