De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Rhand kwam hijgend bij uit zijn vermoeiende slaap. Toen hij met een ruk overeind ging zitten, zakte de mantel die hij als deken gebruikte. Zijn zij deed pijn; de oude wond van Falme klopte. Zijn vuur was opgebrand tot kooltjes, met niet meer dan een paar flakkerende vlammetjes, maar het was nog steeds genoeg om de schaduwen te laten bewegen. Dat was Perijn. Hij was bet, het was geen droom. Op de een of andere manier. Ik doodde hem bijna! Licht, ik moet voorzichtig zijn! Hij huiverde, pakte een stuk van een eiken tak op en schoof het in de kooltjes. In deze Morlandse heuvels, nog steeds dicht bij de Manetherendrelle, stonden de bomen ver uiteen, maar hij had genoeg afgevallen takken voor zijn vuur gevonden. Het hout was net oud genoeg om goed droog te zijn, maar niet om te rotten. Voor het hout de kooltjes raakte, hield hij op. Er kwamen langzaam stappende paarden aan, tien of twaalf. Ik moet voorzichtig zijn. Ik mag geen tweede vergissing maken.
De paarden koersten in de richting van zijn dovend vuurtje, kwamen de vage lichtkring binnen en hielden halt. De ruiters werden verborgen door de schaduwen, maar de meeste leken mannen met verweerde gezichten onder ronde helmen en met lange leren wambuizen aan waarop metalen schijven waren genaaid als vissenschubben. Een ervan was een vrouw met grijzend haar en een ernstige trek op haar gezicht. Haar donkere gewaad was van gewone wol, maar van het fijnste weefsel, en versierd met een zilveren speld in de vorm van een leeuw. Ze leek een koopvrouw; hij had anderen gezien bij de handelaren die in Tweewater tobak en wol kwamen kopen. Een koopvrouw en haar lijfwacht.
Ik moet voorzichtig zijn, dacht hij toen hij opstond. Geen vergissingen.
‘Je hebt een goede kampplek gekozen, jongeman,’ zei ze. ‘Op weg naar Remen heb ik deze ook vaak gebruikt. Er is een kleine bron vlakbij. Mag ik hopen dat je er geen bezwaar tegen hebt hem met mij te delen?’ Haar wachten stegen al af, trokken aan hun zwaardgordels en gespten zadelriemen los.
‘Helemaal niet,’ zei Rhand. Voorzichtig. Twee stappen brachten hem vlak bij de vrouw, waarna hij tollend opsprong. Distelpluis zweeft op de wervelwind. Een uit vuur gewrochte reigerkling verscheen in zijn handen om haar hoofd af te slaan voor ze zelfs maar verbaasd kon kijken. Zij was de gevaarlijkste.
Hij kwam neer toen haar hoofd van de achterhand van haar paard viel. De wachters schreeuwden, klauwden naar hun zwaarden en krijsten toen ze zijn brandende kling zagen. Hij danste tussen hen door met de zwaardvormen van Lan en hij wist dat hij ze alle tien met gewoon staal had kunnen doden, maar zijn rondzwaaiende kling vormde een deel van hem. De laatste man viel, en het had zoveel geleken op het oefenen van de vormen dat hij al begonnen was het zwaard weg te steken met Vouwen van de waaier voor hij bedacht dat hij geen schede droeg en deze kling de schede zou verkolen als hij er een had gedragen.
Hij liet het zwaard verdwijnen en draaide zich om voor een blik op de paarden. De meeste waren weggerend, maar een paar niet zo ver, en de grote ruin van de vrouw stond met rollende ogen angstig te hinniken. Haar op de grond gevallen hoofdloze lichaam had de greep op de teugels niet verloren en trok het hoofd van het dier omlaag. Rhand trok het vrij, nam alleen de tijd om zijn weinige bezittingen te verzamelen en zwaaide zich in het zadel. Ik moet voorzichtig zijn, dacht hij toen zijn blik over de lijken gleed. Geen vergissingen. De Kracht vulde hem nog steeds, de stroom van saidin, die zoeter was dan honing, smeriger dan bedorven vlees. Plotseling geleidde hij – hij begreep niet precies wat het was dat hij deed, of hoe hij het deed, maar alleen dat het juist scheen te zijn – en het werkte, hij tilde de lichamen op. Hij zette ze neer in een naar hem gerichte rij, op hun knieën en hun gezichten in het stof. Voor wie nog een gezicht had. Knielend voor hem.
‘Als ik de Herrezen Draak bén,’ zei hij tegen hen, ‘is dit de manier waarop het zou horen te gaan, nietwaar?’ Het kostte hem moeite saidin los te laten, maar hij deed het. Hoe kan ik de krankzinnigheid weghouden als ik het te lang vasthoud? Hij lachte bitter. Of is het daarvoor al te laat?
Hij tuurde fronsend naar de rij. Hij was er zeker van geweest dat er maar tien mannen waren geweest, maar er knielden elf mannen; een ervan droeg geen wapenrusting, maar hield nog steeds een dolk in zijn hand omklemd.
‘Je hebt het verkeerde gezelschap gekozen,’ zei Rhand tegen hem.
Hij keerde de ruin, begroef zijn hielen in zijn flanken en dreef het dier aan tot een galop, de nacht in. Het was nog steeds een lange weg naar Tyr, maar hij was van plan om er rechtstreeks heen te rijden, al moest hij er paarden voor stelen of doden. Ik zal er een eind aan maken. Aan de spot. De verleiding. Ik zal er een eind aan maken! Callandor. Het riep hem.
37
Vuren in Cairhien
Met een sierlijk knikje beantwoordde Egwene de eerbiedige buiging van de scheepsmaat die op blote voeten langs haar liep, van plan om een touw aan te trekken dat al strak leek te staan, zodat misschien de manier waarop een van de grote vierkante zeilen gezet was, een beetje werd aangepast. Toen hij weer terugliep naar de schipper, die naast de roerganger stond, boog hij weer en ze knikte wederom voor ze haar aandacht opnieuw richtte op de beboste oever van Cairhien, die door minder dan veertig pas water van de Blauwe Kraanvogel gescheiden was.
Er gleed een dorp voorbij, of wat eens een dorp geweest was. De helft van de huizen was niet meer dan een rokende puinhoop met kale schoorstenen die uit de bouwvallen staken. Bij de andere huizen klapperden deuren in de wind. De stoffige straat was bezaaid met meubels, kledingstukken en keukenwaar, alles door elkaar, alsof ze zo naar buiten geworpen waren. In het dorp bewoog zich geen levende ziel, behalve een half verhongerde hond, die het langsvarende schip negeerde en uit het gezicht verdween achter de omgevallen muren van wat misschien eens een herberg geweest was. Ze kon zoiets nooit zien zonder een draaierig gevoel in haar maag te krijgen, maar ze probeerde de onbewogen kalmte van een Aes Sedai te bewaren. Veel hielp het niet. Achter het dorp steeg een dikke rookpluim op. Drie of vier span verderop, schatte ze.
Het was niet de eerste rook die ze gezien had sinds de Erinin langs de grens van Cairhien begon te stromen, noch het eerste verwoeste dorp. Ditmaal waren er tenminste geen lijken te zien. Soms moest schipper Ellisor vanwege de modderbanken dicht onder de Cairhiense oever zeilen – hij zei dat ze in dit deel van de rivier van plaats veranderden – maar hoe dichtbij ook, ze had nog geen enkele levende persoon gezien. Het dorp en de rookpluim gleden achter het schip weg, maar voor haar uit kwam een nieuwe rookpluim in zicht, verder van de rivier af. Het bos werd dunner. Es, lederblad en vlierboom maakten plaats voor wilg, linde en watereik, en enkele onbekende soorten. De wind kreeg vat op haar mantel, maar ze liet hem wapperen. Ze voelde de heldere kilte van de lucht, voelde de vrijheid van het dragen van bruin in plaats van welk wit dan ook, hoewel het niet haar eerste keus geweest was. Maar haar jurk en mantel waren van de beste wol, goed gesneden en genaaid.
Een andere zeeman liep langs en boog in het voorbijgaan. Ze beloofde zichzelf dat ze tenminste iets zou leren van wat zij deden; ze vond het niet prettig om zich onwetend te voelen. De ring met het Grote Serpent aan haar rechterhand had ervoor gezorgd dat er nogal wat gebogen werd met een bemanning die voornamelijk in Tar Valon was geboren.
Deze ruzie met Nynaeve had ze gewonnen, hoewel Nynaeve zeker had geweten dat zij als enige van de drie oud genoeg was om mensen te doen geloven dat ze een Aes Sedai was. Maar Nynaeve had het bij het verkeerde eind gehad. Egwene was bereid toe te geven dat zij en Elayne hoogst verbaasde gezichten hadden getrokken toen ze zich die middag in Zuidhaven op de Blauwe Kraanvogel hadden ingescheept. De wenkbrauwen van schipper Ellisor waren bijna omhoog gekropen tot zijn niet bestaande haardos, maar hij was een en al glimlach en buiging geweest.