De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Vreselijk,’ mompelde Elayne. ‘Het is zo vreselijk.’
‘Wat is vreselijk?’ zei Egwene afwezig. Ik hoop dat hij niet al te veel zwaait met dat papier dat we hem hebben gegeven. Elayne keek haar verbaasd aan en fronste toen. ‘Dat daar!’ Ze gebaarde naar de verre rook. ‘Hoe kun je dat negeren?’ ik negeer het omdat ik niet wil denken aan wat die mensen doormaken, omdat ik er niets aan kan doen en omdat we Tyr moeten bereiken. Omdat datgene wat we najagen, in Tyr is.’ Ze was verbaasd over haar eigen heftigheid. Ik kan er niets aan doen. En de Zwarte Ajah is in Tyr.
Hoe meer ze erover dacht, hoe zekerder ze werd dat ze een weg moesten vinden naar het Hart van de Steen. Misschien werden slechts de hoogheren van Tyr toegelaten, maar ze begon ervan overtuigd te raken dat de sleutel om de val van de Zwarte Ajah te laten dichtklappen en hen tegen te houden, in het Hart van de Steen lag. ‘Dat weet ik allemaal, Egwene, maar ik kan het niet helpen dat ik met die Cairhienin meeleef.’
‘Ik heb lessen gevolgd over de oorlogen tussen Andor en Cairhien,’ zei Egwene droogjes. ‘Bennae Sedai zegt dat jullie en Cairhien meer met elkaar gevochten hebben dan met elk ander land, met uitzondering van Tyr en Illian.’
Elayne keek haar zijdelings aan. Ze was nooit gewend geraakt aan Egwenes weigering om toe te geven dat de herbergiersdochter een Andoraanse was. De lijnen op de kaarten zeiden dat Tweewater een deel van Andor was, en Elayne geloofde de kaarten. ‘We hebben oorlog met ze gevoerd, Egwene, maar nadat de Aiel-oorlog zoveel schade had veroorzaakt, heeft Andor hen bijna evenveel graan verkocht als aan Tyr. De handel is gestaakt nu elk Cairhiens Huis het andere bevecht om de Zonnetroon. Wie zou het graan moeten kopen of erop toezien dat het onder het volk verdeeld wordt? Als de strijd zo erg is als we op de rivieroevers hebben gezien... Je kunt mensen geen twintig jaar lang voedsel verschaffen en niets voor ze voelen als ze honger lijden.’
‘Een grijzel,’ zei Egwene, en Elayne sprong op en probeerde in elke richting tegelijk te kijken. De gloed van saidar omringde haar. ‘Waar?’
Egwene keek wat beheerster rond over de dekken, maar alleen om er zeker van te zijn dat niemand hen af kon luisteren. Schipper Ellisor stond nog steeds op het achterschip, naast de man zonder hemd aan het lange roer. Een andere zeeman stond bij de boegspriet de rivier af te zoeken of hij modderbanken onder het water bespeurde. Twee andere bemanningsleden liepen over het dek en stelden hier en daar het want bij. De overige bemanning was benedendeks. Een van het tweetal hield stil om de sjorring na te kijken waarmee de omgekeerde roeiboot op het dek was bevestigd; ze wachtte tot hij doorliep, voor ze sprak.
‘Dwaas!’ mompelde ze zacht, ikzelf, Elayne, niet jij, dus kijk me niet zo boos aan.’ Ze ging fluisterend door. ‘Elayne, er zit een grijzel achter Mart aan. Dat moet die droom betekenen, maar ik zag het niet. Ik bén een dwaas!’
De gloed rond Elayne verdween. ‘Wees niet zo streng voor jezelf,’ fluisterde ze terug. ‘Misschien betekent het dat, maar ik zag het niet, en Nynaeve ook niet.’ Ze zweeg even; haar roodgouden krullen zwierden rond toen ze het hoofd schudde. ‘Maar het slaat nergens op. Waarom zou er een grijzel achter Mart aan zitten? Er staat niets belastends in die brief aan mijn moeder.’
‘Ik weet niet waarom.’ Egwene fronste. ‘Er moet een reden zijn. Ik weet zeker dat dat de betekenis van die droom is.’
‘Zelfs als je gelijk hebt, Egwene, kun je er niets aan doen.’
‘Dat weet ik,’ zei Egwene bitter. Ze wist niet eens of hij op hen voor lag of nog moest komen. Vóór ons, dacht ze; Mart zou zonder dralen vertrokken zijn. ‘Hoe dan ook,’ mompelde ze in zichzelf, ‘het helpt niet. Eindelijk weet ik wat een van mijn dromen betekent, maar we schieten er geen steek mee op!’
‘Maar als je één betekenis weet,’ zei Elayne, ‘weet je nu misschien ook de andere. Kunnen we er niet ergens ongestoord over gaan praten? Misschien...’
De Blauwe Kraanvogel slingerde en schokte en wierp Elayne op het dek. Egwene viel boven op haar. Toen ze overeind krabbelde, gleed de kustlijn niet langer voorbij. Het vaartuig lag stil, de boeg in de hoogte en het dek schuin. De zeilen flapperden luidruchtig in de wind. Chin Ellisor duwde zichzelf overeind en rende naar de boeg, zonder de roerganger overeind te helpen. ‘Blinde boerenknol!’ brulde hij naar de man in de boeg, die zich aan de reling vastklampte om te voorkomen dat hij overboord viel. ‘Stof slikkende geitensik! Nog steeds niet lang genoeg op de rivier om te weten hoe water over een modderbank golft?’ Hij greep de man aan de reling bij zijn schouders en trok hem aan dek, maar alleen om hem opzij te duwen, zodat hij zelf over de boeg kon kijken. ‘Als we door jou een gat in mijn romp hebben, gebruik ik je ingewanden om te breeuwen!’
Nu klauterden ook de andere schepelingen overeind, en er kwamen er nog meer op het dek. Ze renden allemaal naar de schipper en gingen om hem heen staan.
Nynaeve verscheen boven aan de ladder die naar de passagiershutten leidde. Ze streek haar rokken glad, trok heftig aan haar vlecht en keek fronsend naar het groepje mannen bij de boeg. Toen liep ze snel naar Egwene en Elayne. ‘Hij heeft ons ergens op laten lopen, hè? En maar praten dat hij de rivier net zo goed kent als zijn vrouw. Die krijgt waarschijnlijk nog geen glimlachje van hem.’ Ze rukte weer aan haar dikke vlecht en liep naar voren, waarbij ze de mannen uit de weg duwde om bij de schipper te komen. Ze stonden nu allemaal naar het water onder hen te kijken.
Het had geen zin erbij te gaan staan. Hij zal ons sneller op weg hebben als hij met rust gelaten wordt. Nynaeve vertelde hem waarschijnlijk momenteel hoe het werk gedaan moest worden. Elayne leek hetzelfde te denken, aan het spijtig hoofdschudden te zien, terwijl ze toekeek hoe schipper en bemanning hun aandacht eerbiedig verlegden van het obstakel onder de boeg naar Nynaeve.
Opschudding golfde door de bemanning en werd sterker. Even was boven de andere mannen het gezwaai zichtbaar van de protesterende handen van de schipper, maar toen liep Nynaeve met grote stappen weg – ze maakten buigend plaats voor haar – met Ellisor achter haar aan, die zijn gezicht afveegde met een grote, rode zakdoek. Zijn ongeruste stem werd hoorbaar toen ze naderbij kwamen.
‘... een goede vijftien span naar het volgende dorp aan de Andoraanse kant, Aes Sedai, en tenminste vijf of zes span stroomafwaarts aan de Cairhiense kant. Andoraanse krijgslieden houden het bezet, dat is waar, maar op de weg erheen zult u ze niet tegenkomen!’ Hij veegde over zijn gezicht alsof hij zweette.
‘Een gezonken schip,’ zei Nynaeve tegen de twee vrouwen. ‘Het werk van rivierrovers, denkt de schipper. Hij zal proberen om ons met de roeiriemen los te duwen, maar hij denkt niet dat het zal lukken.’
‘We voeren snel toen we het raakten, Aes Sedai. Ik wilde een goede snelheid voor u maken.’ Ellisor wreef nog harder over zijn gezicht. Egwene besefte dat hij bang was dat de Aes Sedai hem erop zouden aanspreken. ‘We zitten goed vast. Maar ik geloof niet dat we water maken, Aes Sedai. Er is geen reden tot bezorgdheid. Er komt wel een ander schip langs. Twee rij roeiriemen zal ons zeker vrij krijgen. U hoeft niet aan land te gaan, Aes Sedai. Ik zweer het, bij het Licht.’
‘Dacht je eraan om het schip te verlaten?’ vroeg Egwene. ‘Denk je dat dat verstandig is?’
‘Natuurlijk is het...!’ Nynaeve zweeg en keek haar dreigend aan. Egwene staarde kalm terug. Nynaeve ging beheerster door, al klonk het nog steeds heel strak. ‘De schipper zegt dat het een uur kan duren voor er een ander schip komt. Een met voldoende riemen om verschil te maken. Of een dag. Of misschien twee. Ik geloof niet dat we het ons kunnen veroorloven om een, twee dagen te verspillen met wachten. We kunnen in twee uur of minder in dat dorpje – hoe noemde u het, schipper? Jurene? – zijn. Als schipper Ellisor zijn vaartuig even snel kan los duwen als hij hoopt, kunnen we daar weer aan boord. Hij zegt dat hij zal aanleggen om te zien of we daar zijn. Maar als hij niet vlot raakt, kunnen we in Jurene een schip nemen. Misschien vinden we er zelfs een wachtend vaartuig. De schipper zegt dat handelaren daar aanleggen vanwege de Andoraanse krijgslieden.’ Ze haalde nog eens diep adem, maar haar stem klonk nog strakker. ‘Heb ik mijn redenen duidelijk gemaakt? Hebben jullie er meer nodig?’