Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 106 107 108 109 110 111 112 113 114 ... 178
Перейти на страницу:

‘Een eer, Aes Sedai. Drie Aes Sedai op mijn schip. Werkelijk een eer. Ik beloof u een snelle reis, zo ver u maar wilt. En geen moeilijkheden met Cairhiense rovers. Ik vaar niet langer meer aan die kant van de rivier. Tenzij u dat natuurlijk wenst, Aes Sedai. Andoraanse krijgslieden hebben een paar steden op de Cairhiense oever in handen. Een eer, Aes Sedai.’

Zijn wenkbrauwen waren weer omhoog gegaan toen ze slechts één hut voor hun drieën hadden gevraagd – ook Nynaeve wilde ’s nachts niet alleen zijn als het niet hoefde. Ieder kon een hut voor zichzelf krijgen, zonder extra kosten, zei hij; hij had geen andere passagiers, de lading was aan boord, en als de Aes Sedai dringende zaken stroomafwaarts hadden, zou hij zelfs geen uur meer wachten voor wie misschien nog mee wilde varen. Ze zeiden opnieuw dat één hut voldoende was. Hij was verbaasd geweest en het was duidelijk aan zijn gezicht af te lezen dat hij het niet begreep, maar Chin Ellisor, die in Tar Valon was geboren en getogen, twijfelde niet aan Aes Sedai nadat die hun wensen duidelijk hadden gemaakt. Als twee van hen erg jong leken, nou ja, sommige Aes Sedai waren jong.

De verlaten bouwvallen verdwenen achter Egwene. De rookkolom kwam dichterbij en men kon een andere vermoeden, nog veel verder van de oever. Het woud veranderde in lage grasheuvels met verspreide bosjes. De bomen met hun lentebloesem droegen vrucht: kleine witte sneeuwbessen en helderrode suikerkersen. Eén boom, die ze niet kende, zat vol ronde, witte bloemen die groter waren dan haar beide handen. Hier en daar had een wilde klimroos banen geel of wit door takken gevlochten, die zwaar waren van het groen van nieuwe bladeren en het róód van nieuwe groei. Het vormde zo’n grote tegenstelling met de as en puinhopen dat ze er niet echt vreugde uit kon putten. Egwene wilde dat er hier een Aes Sedai was aan wie ze vragen kon stellen. Een die ze vertrouwen kon. Ze streek met haar vingers over haar beurs en kon nauwelijks de gedraaide stenen ring van de ter’angreaal binnenin voelen. Op twee nachten na had ze het na hun vertrek uit Tar Valon elke avond geprobeerd, en het had geen twee keer op dezelfde manier gewerkt. Zeker, ze belandde in Tel’aran’rhiod, maar het enige wat ze gezien had en waar ze iets aan had kunnen hebben, was opnieuw het Hart van de Steen geweest, maar geen enkele keer was Silvie er geweest om haar iets te vertellen. Er was beslist niets te merken van de Zwarte Ajah.

Haar eigen dromen, zonder de ter’angreaal, waren vol beelden die schijnbaar van de Ongeziene Wereld stamden. Rhand met een zwaard dat straalde als de zon, tot ze nauwelijks nog kon zien of het een zwaard was, nauwelijks kon uitmaken of het Rhand wel was. Rhand, die op tientallen manieren bedreigd werd, en geen leek in de verste verte echt. In één droom had hij op een enorm Steenbord gestaan, met zwarte en witte stukken zo groot als rotsblokken, terwijl hij de monsterachtige handen trachtte te ontwijken die ze verplaatsten en hem blijkbaar wilden verpletteren. Het kon iets betekenen. Dat deed het waarschijnlijk ook, maar afgezien van het feit dat Rhand gevaar liep, door iemand of meer personen – ze dacht dat dat tenminste duidelijk was – afgezien daarvan wist ze het gewoon niet. Ik kan hem nu niet helpen. Ik heb mijn eigen verplichtingen. Ik weet niet eens waar hij is, behalve dat het waarschijnlijk vijfhonderd roede ver weg is. Ze had gedroomd van Perijn met een wolf, en met een valk en een havik – en de valk en havik vochten met elkaar – van Perijn vluchtend voor een dodelijke vijand, van Perijn opzettelijk van de rand stappend van een torenhoge rots terwijl hij zei: ‘Het moet gebeuren. Ik moet Ieren vliegen voor ik de bodem bereik.’ Er was een droom geweest over een Aiel en ze dacht dat die ook met Perijn te maken had, maar ze was er niet zeker van. En een droom waarin Min een stalen val liet dichtklappen, maar erdoorheen liep zonder hem zelfs maar te zien. Er waren ook dromen met Mart geweest. Van Mart met dobbelstenen die om hem heen vlogen – ze voelde dat ze wist waar die droom vandaan kwam – en van Mart die gevolgd werd door een man die er niet was – dat begreep ze nog steeds niet; er zat een man achter hem aan, of misschien verscheidene, maar op de een of andere manier was er ook niemand – of van Mart die wanhopig naar iets onzichtbaars in de verte reed, iets wat hij moest zien te bereiken, en van Mart en een vrouw die met vuurwerk gooide. Een Vuurwerker, nam ze aan, maar ze kon er niet meer uit wijs worden dan uit al het andere. Ze kreeg zoveel dromen dat ze geen enkele meer geloofde. Misschien had het te maken met het veelvuldige gebruik van de ter’angreaal, of het dragen ervan. Misschien leerde ze eindelijk wat een Droomster deed. Uitzinnige dromen, jachtige dromen. Mannen en vrouwen die uit kooien braken en kronen opzetten. Een vrouw die met poppen speelde, en een andere droom waarin de touwtjes van de poppen naar de handen van grotere poppen leidden, en hun touwtjes naar nog grotere poppen leidden, en dit bleef zich herhalen tot de laatste touwtjes in onvoorstelbare hoogten verdwenen. Koningen die stierven, koninginnen die weenden, veldslagen die woedden. Witmantels die Tweewater brandschatten. Ze had zelfs weer van de Seanchanen gedroomd. Meermalen. Die dromen sloot ze weg in een donker hoekje; ze stond zichzelf niet toe eraan te denken. Haar moeder en vader, elke nacht. Hierover was ze tenminste zeker, dat dacht ze althans. Het betekent dat ik de Zwarte Ajah najaag, en dat ik niet weet wat mijn dromen betekenen of hoe ik die dwaze ter’angreaal kan laten doen wat hij zou moeten doen, en dat ik bang ben en... En heimwee heb. Even bedacht ze hoe fijn het zou zijn als haar moeder haar naar bed zou sturen, wetend dat alles in de ochtend beter zou zijn. Maar moeder kan mijn problemen niet meer oplossen, en vader kan niet beloven de monsters te verjagen en me daarvan overtuigen. Ik moet het nu zelf doen. Hoe ver in het verleden was dit nu allemaal. Ze wilde het niet terug, niet echt, maar het was een tijd van warmte geweest, en het leek zo lang geleden. Het zou geweldig zijn om ze nog eens te zien, hun stemmen te horen. Als ik deze ring aan een door mij gekozen vinger kan steken.

Uiteindelijk had ze Nynaeve en Elayne toegestaan ieder een keer met de stenen ring te gaan slapen – ze merkte verbaasd met hoeveel tegenzin ze de ring uit handen had gegeven. Toen ze wakker werden, vertelden ze over wat zeker Tel’aran’rhiod was, maar geen van beiden had meer dan een glimp van het Hart van de Steen gezien, niets wat ze konden gebruiken.

De Blauwe Kraanvogel was nu ter hoogte van de dikke rookwolk. Misschien vijf of zes span van de rivier, dacht ze. De andere was nog slechts een veeg aan de horizon. Het kon bijna een wolk zijn, maar ze wist zeker dat het niet zo was. Op sommige plaatsen groeiden kleine bosjes dicht op de rivieroever, en het gras ertussen kwam helemaal tot aan het water, behalve op een plek waar een afgekalfde oever was ingestort.

Elayne kwam aan dek en voegde zich bij haar aan de reling. De wind liet ook haar kleren wapperen. Zij droeg eveneens dikke wol. Dié ruzie had Nynaeve gewonnen. Over hun kleren. Egwene had volgehouden dat Aes Sedai altijd het mooiste droegen, zelfs op reis, en ze had aan de zijde gedacht die ze in Tel’aran’rhiod gedragen had. Nynaeve had haar er echter op gewezen dat zelfs met het vele goud dat de Amyrlin in de kast had laten leggen – en dat was een dikke buidel geweest – ze nog steeds niet wisten hoe duur alles stroomafwaarts was. De dienaren hadden gezegd dat Mart gelijk had over de burgeroorlog in Cairhien en wat die voor de prijzen had betekend. Tot Egwenes verrassing had Elayne erop gewezen dat Bruine zusters vaker wol dan zijde droegen. Egwene dacht dat Elayne zo ontzettend graag aan de keuken wilde ontsnappen dat ze zelfs vodden zou hebben gedragen. Ik vraag me af hoe het Mart vergaat. Ongetwijfeld probeert hij met elke schipper te dobbelen.

1 ... 106 107 108 109 110 111 112 113 114 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)