De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Jullie dromen allemaal,’ zei Ba’alzamon, ‘maar wat in deze droom gebeurt, is echt.’ De krijsende man was nu nog slechts een wolk mist in de vorm van een mens. Zijn gekrijs kwam van heel ver, en toen was ook de mistwolk verdwenen, ik vrees dat hij nimmermeer zal ontwaken.’ Hij lachte en uit zijn mond brulden vlammen. ‘De rest van jullie zal niet weer falen. Ga! Ontwaak en gehoorzaam!’ Even was Ba’alzamon alleen, toen stond er plotseling een vrouw naast hem, geheel gekleed in wit en zilver.
Perijn werd getroffen door een schokgolf. Hij zou zo’n mooie vrouw nooit kunnen vergeten. Zij was de vrouw uit zijn droom, degene die hem had aangemoedigd roem te verwerven.
Achter haar verscheen een bewerkte zilveren troon; ze ging zitten en schikte zorgvuldig haar zijden gewaad. ‘Jij gebruikt mijn domein vrijelijk,’ zei ze.
‘Jouw domein?’ zei Ba’alzamon. ‘Jij beweert dat het jouw domein is? Dien je de Grote Heer niet langer?’ De duisternis om hem heen verdikte zich een moment, scheen te koken.
‘Ik dien,’ zei ze snel. ‘Ik heb de Heer van de Schemer lang gediend. Lang lag ik gevangen voor mijn diensten, in een eindeloze, droomloze slaap. Slechts grijzels en Myrddraal worden dromen onthouden. Zelfs Trolloks kunnen dromen. Dromen waren altijd mijn rijk, om te gebruiken en om te betreden. Nu ben ik weer vrij en ik zal gebruiken wat het mijne is.’
‘Wat het jouwe is,’ zei Ba’alzamon. De zwartheid zwierde bijna vrolijk om hem heen. ‘Je achtte jezelf altijd al groter dan je was, Lanfir.’ De naam sneed in Perijn als een pas geslepen mes. Een van de Verzakers was in zijn dromen verschenen. Moiraine had gelijk gehad. Sommige waren vrij.
De vrouw in het wit ging staan; haar troon was weg. ‘Ik ben zo groot als ik ben. Waar hebben jouw plannen toe geleid? Meer dan drieduizend jaar van gefluister in oren en getrek aan de touwtjes van getroonde poppen, zoals een Aes Sedai!’ Haar stem doorweekte de naam met verachting. ‘Drieduizend jaar, en toch wandelt Lews Therin opnieuw over de wereld, en deze Aes Sedai hebben hem vrijwel aan de lijn. Kun jij hem beheersen? Kun jij hem keren? Hij was de mijne, voordat die koe van een Hyena met haar strohaar hem zag! Hij zal de mijne weer zijn!’
‘Dien je nu jezelf, Lanfir?’ Ba’alzamons stem was zacht, maar vlammen raasden nu voortdurend in zijn ogen en mond. ‘Ben je je geloften aan de Grote Heer van het Duister vergeten?’ Even liet de duisternis hem volledig verdwijnen; alleen de gloeiende vuren schenen erdoorheen. ‘Die worden niet zo gemakkelijk gebroken als de geloften aan het Licht, die jij verzaakte toen jij je midden in de Zaal der Dienaren openlijk tot je nieuwe meester bekeerde. Jouw meester eist je voor altijd op, Lanfir. Wil je dienen of kies je een eeuwigheid van pijn, van eindeloos sterven zonder verlossing?’
‘Ik dien.’ Ondanks haar woorden stond ze rechtop en uitdagend, ik dien de Grote Heer van het Duister en geen ander. Voor eeuwig!’ De enorme verzameling spiegels begon te verdwijnen alsof er zwarte golven overheen rolden, steeds dichter naar het midden. De vloed rolde over Ba’alzamon en Lanfir. Er was slechts duisternis. Perijn voelde Springer bewegen en hij was maar al te blij om te volgen, slechts geleid door het gevoel van een vacht onder zijn hand. Pas toen hij zich bewoog, besefte hij dat hij het kon. Hij probeerde uiteen te rafelen wat hij gezien had, maar hij slaagde er niet in. Ba’alzamon en Lanfir. Zijn tong bleef aan zijn huig plakken. Om de een of andere reden vreesde hij Lanfir meer dan Ba’alzamon. Misschien omdat ze in zijn dromen in de bergen was verschenen. Licht! Een van de Verzaken in mijn dromen. En tenzij hij iets had gemist, had ze de Duistere weerstaan. Hem was verteld en geleerd dat de Schaduw geen macht over je kon hebben als je hem afwees; maar hoe kon een Duistervriend – niet zomaar een Duistervriend; een van de Verzakers! – de Schaduw weerstaan? Ik moet gek zijn, net als die broer van Simion. Die dromen hebben me gek gemaakt!
Langzaam veranderde het donker weer in mist, en de mist werd steeds dunner, tot hij er met Springer uit kwam op een grazige heuvelflank, helder in het daglicht. Er begonnen vogels te zingen in een bosje aan de voet van de heuvel. Hij keek om. Een heuvelachtige vlakte, met overal groepjes bomen, strekte zich uit tot aan de horizon. Er was nergens iets van mist te zien. De grote grijze wolf stond naar hem te kijken.
‘Wat was dat?’ vroeg hij. Hij worstelde in zijn geest om de vraag om te zetten in gedachten die de wolf kon begrijpen. ‘Waarom liet je het mij zien? Wat was het?’
Beelden en gevoelens stroomden in zijn gedachten en zijn geest gaf er woorden aan. Wat je moest zien. Wees voorzichtig, Jonge Stier. Deze plaats is gevaarlijk. Wees behoedzaam als een welp die op stekelvarkens jaagt. Dat kwam door als iets wat meer leek op Kleine Doornige Ruggen, maar zijn geest gaf het dier de naam die hij als mens kende. Je bent te jong, te nieuw. ‘Was het echt?’
Alles is echt, wat gezien wordt en wat niet gezien wordt. Dat scheen het enige antwoord te zijn dat Springer hem wilde geven. ‘Springer, hoe kun jij hier zijn? Ik zag je sterven. Ik voelde je sterven!’ Wij zijn allemaal hier. Alle broeders en zusters die zijn, die waren, die zullen zijn. Perijn wist dat wolven niet glimlachten, niet zoals mensen deden, maar eventjes had hij de indruk dat Springer grinnikte. Hier vlieg ik als een adelaar. De wolf zette zich schrap en sprong de lucht in. Hij steeg hoger en hoger, tot hij kleiner en kleiner werd, een stipje in de lucht, en er kwam nog een laatste gedachte door. Vliegen. Perijn staarde hem met open mond na. Het is hem gelukt. Plotseling brandden zijn ogen, en hij schraapte zijn keel en veegde over zijn neus. Straks huil ik nog als een meisje. Zonder na te denken keek hij om zich heen om te zien of iemand hem gezien had, en daarmee veranderde alles in een oogwenk.
Hij stond op een rotspunt, midden tussen beschaduwde, onduidelijke kloven en hoogten om hem heen. Ze leken te snel in de verte te verdwijnen. Rhand stond onder hem. Rhand en een onregelmatige cirkel van Myrddraal en mannen en vrouwen, waar zijn ogen gewoon overheen schenen te glijden. Ergens in de verte huilden honden en Perijn wist dat ze iets opjoegen. De geur van Myrddraal en de stank van brandende zwavel vulden de lucht. Perijns nekharen gingen overeind staan. De cirkel van Myrddraal en mensen trok zich rond Rhand samen; ze liepen allemaal alsof ze sliepen. En Rhand begon hen te doden. Vuurbollen vlogen uit zijn handen en verteerden er twee. Bliksem sloeg van boven in om anderen te verzengen. Staven van licht als witheet staal vlogen uit zijn vuisten naar nog meer. En de overlevenden bleven langzaam dichterbij komen, alsof geen van hen kon zien wat er gebeurde. Een voor een stierven ze, tot er geen meer over was, waarna Rhand zwaar ademend op zijn knieën neerzakte. Perijn wist niet zeker of hij lachte of huilde; het scheen een beetje van allebei te zijn. Er verschenen schaduwen op de rotshoogten; er kwamen meer mensen, meer Myrddraal, en allen waren op Rhand gericht. Perijn hief de handen als een kom voor zijn mond. ‘Rhand! Rhand, er komen er nog meer!’
Rhand keek op van waar hij zat, snauwend, het zweet glinsterend op zijn gezicht. ‘Rhand, ze...!’