Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 102 103 104 105 106 107 108 109 110 ... 178
Перейти на страницу:

36

Dochter van de Nacht

Toen hij besefte dat hij niet wist welke hut van hem was, keek hij behoedzaam in verschillende hutten om het hoekje van de deur. Het was donker en in elke hut sliepen er twee in smalle bedden, een aan elke kant. Op eentje na, waar Loial tussen de bedden op de vloer zat – hij paste er nauwelijks tussen – en bij het licht van een lantaarn aan een haak aantekeningen in zijn gebonden boek krabbelde. De Ogier wilde praten over wat er die dag was gebeurd, maar Perijn, wiens kaken kraakten bij zijn pogingen het geeuwen te bedwingen, geloofde dat het schip nu ver genoeg stroomafwaarts was om veilig te kunnen slapen. Veilig te kunnen dromen. Zelfs als de wolven het probeerden, konden ze niet zo lang gelijke tred houden met de roeiers en de stroming. Eindelijk vond hij een lege, vensterloze hut, wat hem uitstekend uitkwam. Hij wilde alleen zijn. Toevallig dezelfde naam, dat is alles, dacht hij, toen hij de lantaarn opstak die aan de wand hing. Hoe dan ook, haar echte naam is Zarine. Maar het meisje met de hoge jukbeenderen en de donkere, schuinstaande ogen kwam in zijn gedachten niet op de eerste plaats. Hij legde zijn boog en andere bezittingen op een van de smalle bedden, gooide zijn mantel erover en ging op het andere zitten om zijn laarzen uit te trekken.

Elyas Machera had een manier gevonden om te leven met wat hij was; een man die op de een of andere manier een band met de wolven had, en hij was niet krankzinnig geworden. Al terugdenkend was Perijn er zeker van dat Elyas al jarenlang op die manier had geleefd, voor hij de man ook maar ontmoet had. Hij wil zo zijn. Hij heeft het in ieder geval aanvaard. Dat was geen oplossing. Perijn wilde niet op die manier leven, wilde het niet aanvaarden. Maar als je de ijzeren staaf hebt om een mes te maken, aanvaard je het en maak je een mes, zelfs al zou je liever een hakbijl willen maken. Nee! Mijn leven is meer dan ijzer dat in een vorm wordt gehamerd.

Hij reikte behoedzaam met zijn geest naar buiten, tastte naar wolven en vond – niets. O zeker, er was een lichte indruk van wolven, ergens op grote afstand, maar het vervaagde, zelfs toen hij het aanraakte. Voor de eerste keer in lange tijd was hij alleen. Gezegend alleen. Hij blies de lantaarn uit en ging voor het eerst in dagen liggen. Hoe past Loial in Lichtsnaam in zo’n bed? Al die slapeloze nachten rolden over hem heen en de uitputting liet zijn spieren verslappen. Hij besefte dat hij erin geslaagd was de Aiel uit zijn hoofd te zetten. En de Witmantels. Lichtverzaakte bijl! Bloedvuur, ik wilde dat ik hem nooit gezien had, was zijn laatste gedachte voor de slaap kwam.

Een dikke, grijze mist omgaf hem. Op de grond was die zo dik dat hij zijn eigen laarzen niet kon zien, en aan alle kanten zo zwaar dat hij op tien pas afstand niets meer kon onderscheiden. Dichterbij was er trouwens niets. De mist kon van alles verbergen. Het voelde verkeerd aan; er zat geen vochtigheid in. Hij legde een hand op zijn riem, zocht de vertrouwde zekerheid dat hij zichzelf kon verdedigen, en schrok. Zijn bijl was er niet.

Er bewoog iets in de mist, iets wat het grijs liet wervelen. Iets wat naderde.

Hij verstijfde en vroeg zich af of het beter was om weg te rennen of om te blijven staan en met zijn blote handen te vechten. Hij vroeg zich af of er wel iets te bevechten was.

Het opspattende zog dat zich door de mist boorde, vormde een wolf. De harige vorm was bijna één met de mist. Springer!

De wolf aarzelde en kwam toen naar hem toe om naast hem te gaan staan. Het was Springer – hij was er zeker van – maar iets in de houding van de wolf, iets in de gele ogen die even werden opgeslagen om de zijne te ontmoeten, vroeg om stilte, zowel in gedachten als met het lichaam. Die ogen vroegen hem ook te volgen. Hij legde een hand op de rug van de wolf en zodra hij dit deed, begon Springer te lopen. Hij liet zich meevoeren. De vacht onder zijn hand was dik en harig. Het voelde echt aan.

De mist werd dikker, tot slechts zijn hand hem zei dat Springer er nog steeds was, tot een blik naar beneden zelfs zijn eigen borst niet toonde. Slechts een grijze mist. Hij had net zo goed in pasgeschoren wol gewikkeld kunnen zijn. Hij besefte opeens dat hij ook niets hoorde. Zelfs niet het geluid van zijn eigen voetstappen. Hij bewoog zijn tenen en voelde opgelucht de laarzen rond zijn voeten. Het grijs werd donkerder, en hij en de wolf liepen door een inktzwarte duisternis. Hij kon zijn eigen hand niet zien toen hij zijn neus aanraakte. Hij kon zelfs zijn neus niet meer zien. Hij probeerde even zijn ogen te sluiten en zag geen verschil. Er was nog steeds geen enkel geluid. Zijn hand voelde het ruwe haar van Springers rug, maar hij was er niet zeker van of hij iets onder zijn voeten kon voelen. Plotseling stopte Springer en dwong hem ook halt te houden. Hij keek om zich heen... en kneep zijn ogen dicht. Hij kon nu een verschil zien. En ook iets voelen, het onpasselijk draaien van zijn maag. Hij dwong zich zijn ogen te openen en naar beneden te kijken. Wat hij zag, kon daar niet zijn, tenzij hij en Springer op lucht stonden. Hij kon niets van zichzelf of de wolf ontwaren, alsof ze geen van beiden een lichaam hadden – die gedachte deed zijn maag bijna omdraaien – maar onder hem strekte zich een enorme verzameling spiegels uit, duidelijk zichtbaar alsof ze verlicht werden door duizend lantaarns. Ze leken in duisternis te hangen, maar op gelijke hoogte, alsof ze op een geweldige vloer stonden. Ze strekten zich, zo ver als hij kon zien, in elke richting uit, maar onmiddellijk onder zijn voeten was een open ruimte. Met mensen erin. Plotseling kon hij hun stemmen horen, alsof hij tussen hen in stond.

‘Grote Heer,’ mompelde een van de lieden, ‘waar is deze plek?’ Hij keek een keer om zich heen en kromp in elkaar, toen zijn beeld duizenden keren werd weerkaatst. Daarna hield hij zijn ogen naar voren gericht. De anderen die om hem heen waren gekropen, leken zelfs nog banger, ik sliep in Tar Valon, Grote Heer. Ik slaap nóg in Tar Valon. Waar is deze plek? Ben ik gek geworden?’

Sommige lieden om hen heen droegen bewerkte jassen vol borduursel, anderen droegen eenvoudiger gewaden, terwijl er een paar naakt schenen te zijn, of in hun onderkleren.

‘Ik slaap ook,’ riep een naakte man, schreeuwend bijna, in Tyr. Ik herinner me dat ik bij mijn vrouw ging liggen!’

‘En ik slaap in Illian,’ zei een man in rood en goud. Hij klonk geschokt, ik weet dat ik slaap, maar dat kan niet waar zijn. Ik weet dat ik droom, maar dat lijkt niet mogelijk. Wat is dit alles, Grote Heer? Komt u werkelijk naar mij?’

De donkerharige man die hen aankeek, was gekleed in zwart, met zilverkleurig kant rond zijn hals en polsen. Van tijd tot tijd legde hij een hand op zijn borst, alsof hij pijn leed. Overal was licht dat van nergens scheen te komen, maar deze man onder Perijn leek in schaduwen te zijn gehuld. Duisternis rolde om hem heen, streelde hem. ‘Stilte!’ De man in het zwart sprak niet hard, maar dat hoefde ook niet. Want voor dat ene woord had hij zijn hoofd opgeheven; zijn ogen en mond waren gaten die toegang gaven tot een razend smidsvuur, vol vlammen, een woeste gloed.

Toen herkende Perijn hem. Ba’alzamon. Hij staarde neer op Ba’alzamon zelf. Vrees sloeg door hem heen alsof er nagels in hem werden gedreven. Hij zou gevlucht zijn, maar hij kon zijn voeten niet voelen. Springer bewoog. Hij voelde de dikke vacht onder zijn hand. Iets dat echt was. Echter, hoopte hij, dan wat hij beneden zich zag. Maar hij wist dat alles echt was.

De mannen die bij elkaar stonden, krompen ineen. ‘Jullie zijn taken opgedragen,’ zei Ba’alzamon. ‘Sommige taken hebben jullie uitgevoerd. In andere hebben jullie gefaald.’ Van tijd tot tijd verdwenen zijn mond en ogen opnieuw in vlammen, waarna de spiegels opflitsten van het weerkaatste vuur. ‘Degenen die getekend zijn om te sterven, moeten sterven. Zij die getekend zijn om gevangen te worden, moeten zich voor mij buigen. Zij die hebben gefaald, kunnen niet vergeven worden.’ Vuur vlamde op in zijn ogen en de duisternis rondom hem kronkelde en tolde. ‘Jij.’ Zijn vinger wees naar de man die over Tar Valon had gesproken. Hij was gekleed als een koopman, in eenvoudig gesneden kleren van de fijnste stof. De anderen weken weg alsof hij de zwarte galkoorts had en er ontstond een lege ruimte rond de ineenkrimpende man. ‘Jij hebt de jongen uit Tar Valon laten ontsnappen.’ De man krijste en begon te trillen als een vijl die tegen een aambeeld wordt geslagen. Hij scheen ijler te worden en zijn krijsen verminderde met zijn gestalte.

1 ... 102 103 104 105 106 107 108 109 110 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)