De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Nog eens? Denk je echt dat ik er nog meer zal ontvangen?’
‘Daar ben ik zeker van. Licht, u herinnert me aan die keer dat Tema zo razend werd op de horzel die rond zijn oren zoemde, dat hij tegen het nest schopte. Waarschijnlijk hebt u zojuist iedereen hier ervan overtuigd dat u in het diepste geheim deelneemt aan het Spel. Het moet wel diep geheim zijn, zoals zij dat zien, als u ontkent dat u het helemaal niet speelt. Iedere heer en vrouwe in Cairhien spelen het.’ De snuiver wierp een blik op de uitnodigingen, die zwart en gekruld in het vuur lagen en huiverde. ‘En het is even zeker dat u drie Huizen tot uw vijanden hebt gemaakt. Geen grote Huizen, anders zouden ze dit niet zo snel hebben bezorgd, maar toch van adel. U dient alle volgende uitnodigingen die u ontvangt te beantwoorden, heer. Sla ze zonodig af, al vertelt dat weer van alles aan de mensen die u uitnodigen. En natuurlijk zullen ze ook aanwijzingen vinden in de uitnodigingen die u aanneemt. Natuurlijk, als u ze allemaal afslaat of aanvaardt...’
‘Ik doe er niet aan mee,’ zei Rhand kalm. ‘We vertrekken zo snel mogelijk uit Cairhien.’ Hij duwde zijn vuisten in zijn jaszakken en voelde hoe Selenes briefje kreukte. Hij haalde het te voorschijn en streek het glad. ‘Zo gauw we kunnen,’ mompelde hij terwijl het briefje weer in zijn jaszak stopte. ‘Drink ze, Hurin.’
Hij beende kwaad naar buiten, niet zeker wetend of hij nou boos was op zichzelf, op Cairhien met haar Grote Spel, op Selene, die zomaar verdwenen was, of op Moiraine. Zij was ermee begonnen, door zijn jassen te stelen en die te vervangen door de kleding van een heer. Zelfs nu hij meende van hen bevrijd te zijn, lukte het een Aes Sedai nog steeds zijn leven te sturen, zelfs zonder erbij te zijn. Hij liep door dezelfde poort naar buiten als waardoor ze de stad waren binnengereden, omdat hij die weg nu eenmaal kende. Een man die voor het wachthuis stond, zag hem gaan – zijn felgekleurde jas en zijn lengte deden hem tussen de Cairhienin opvallen – en haastte zich naar binnen, maar Rhand merkte het niet. Het gelach en de muziek van Voorpoort trokken hem aan.
Zijn rode jas met het goudwerk maakte hem binnen de stadsmuren inderdaad bijzonder, maar in Voorpoort paste hij helemaal. Veel mannen in de volle straten waren even somber gekleed als die in de stad, maar er liepen er minstens evenveel in rode, blauwe, groene of gouden jassen. Sommigen waren zelfs even bont gekleed als een ketellapper. Onder de vrouwen waren er trouwens nog meer met geborduurde kleding, gekleurde doeken of sjaals. Veel dure kleding was
versleten en paste slecht, alsof ze oorspronkelijk voor iemand anders was gemaakt, maar niemand van deze haveloze voorbijgangers leek zijn mooie jas – ongepast te vinden.
Een keer moest hij nogmaals wachten op een optocht met reuzen-poppen. Terwijl de trommelaars roffelden en rondsprongen, bevocht een Trollok met een everkop een man met een kroon. Na enkele wilde slagen stortte de Trollok onder gelach en gejuich van de toeschouwers neer.
Rhand gromde. Zo gemakkelijk sterven ze niet. Hij wierp een blik op een hoog vensterloos gebouw en bleef in de deur staan kijken. Tot zijn verrassing bleek er binnen een geweldige ruimte te zijn, met een plafond dat in het midden open was. Langs de wanden liep een balkon en aan de andere kant van de zaal stond een groot podium. Hij had zoiets nog nooit eerder gezien of gehoord. De balkons en de zaal waren afgeladen vol met mensen die naar de kunstenaars op het podium keken. Hij wierp tijdens het rondlopen een snelle blik in andere gebouwen en zag jongleurs en muzikanten, een ontelbaar aantal tuimelaars, en zelfs een speelman in zijn lapjesmantel, die met galmende stem in Hoge Zang een verhaal uit De Grote Jacht op de Hoorn voordroeg.
Daardoor moest hij terugdenken aan Thom Merrilin en haastte hij zich verder. Als hij aan Thom terugdacht, werd hij altijd droevig. Thom was een vriend geweest. Een vriend die zich voor hem had opgeofferd. Terwijl ik vluchtte en hem in de handen van een Myrddraal liet sterven.
In weer een ander groot gebouw liet een vrouw in een ruimvallend wit gewaad dingen uit een mand verdwijnen, waarna ze in een tweede mand weer zichtbaar werden. Vervolgens hield ze het vast en liet het in grote rookwolken verdwijnen. De toekijkende menigte liet een luid ‘oooh’ en ‘aaah’ horen.
‘Twee koperstukken, goede heer,’ zei een ratachtig mannetje in de deuropening. ‘Twee koperstukken om de Aes Sedai te zien.’
‘Ik denk het niet.’ Rhand keek om naar de vrouw. Een witte duif was opeens in haar handen verschenen. Aes Sedai? ‘Nee.’ Hij maakte een buiginkje voor de ratachtige man en ging weg. Hij baande zich net een weg door de menigte en vroeg zich af wat hij nog meer wilde zien, toen een diepe stem begeleid door harpgetokkel uit een gebouw klonk. Boven de toegangsdeur hing een uithangbord van een kunstenmaker.
‘... koud blaast de wind door de Shara-pas. Koud ligt het naamloze graf. Maar elk jaar verschijnt met Zonnedag op die steenhoop een enkele roos, een kristallen traan als dauw op een bloemblaadje, daar neergevleid door Dunsinins slanke hand, want zij komt de overeenkomst met Rogosh Adelaarsoog na.
De stem trok Rhand als aan een strop naar binnen. Hij perste zich de deur door toen binnen het applaus opklaterde. ‘Twee koperstukken, goede heer,’ zei een man met een rattensnoet, die de tweelingbroer van de ander had kunnen zijn. ‘Twee koperstukken om...’
Rhand groef enkele muntstukken te voorschijn en gooide ze de man toe. Hij liep als verdoofd verder, starend naar de man op de verhoging die stond te buigen voor het geklap van zijn toehoorders. In zijn ene arm hield hij zijn harp en met de andere arm zwaaide hij zwierig met zijn mantel, alsof hij daarmee elk lawaai wilde smoren. Hij was groot, slank en niet jong, met een lange snor die even wit was als de haren op zijn hoofd. Toen hij zich oprichtte en Rhand zag, verwijdden zijn scherpe, blauwe ogen zich.
‘Thom.’ Het gefluister van Rhand ging verloren in het lawaai van de menigte.
Terwijl hij Rhands ogen vasthield, knikte Thom Merrilin naar een kleine deur naast de verhoging. Toen boog hij weer naar links en rechts, glimlachend en genietend van het applaus. Rhand baande zich een weg naar de deur en verdween naar binnen. Het was maar een klein halletje, waar drie treden naar het podium liepen. Verderop in het halletje zag Rhand een jongleur met gekleurde ballen oefenen en zes tuimelaars die hun spieren losmaakten. Thom verscheen op het trapje, hinkend, alsof zijn rechterbeen niet meer zo goed boog als vroeger. Hij liet zijn ogen over de jongleur en de tuimelaars gaan, blies zijn snorpunten minachtend opzij en wendde zich tot Rhand. ‘Het enige dat ze willen horen is De Grote Jacht op de Hoorn. Je zou zo denken met het nieuws uit Haddon Mir en Saldea dat iemand zou vragen om de Karaethon reeks. Nou ja, dat misschien ook niet, maar ik zou mezelf willen betalen als ik eens iets anders kon vertellen.’ Hij nam Rhand van top tot teen op. ‘Je ziet eruit of je het niet zo slecht hebt, jongeman.’ Met een vinger voelde hij aan Rhands kraag en perste zijn lippen op elkaar. ‘Heel goed!’ Rhand kon niet anders, hij moest wel lachen. ‘Toen ik uit Wittebrug wegvluchtte, wist ik zeker dat je dood was. Moiraine zei dat je nog leefde, maar ik... Licht, Thom, wat fijn je weer te zien! Ik had terug moeten gaan om je te helpen.’
‘Dan zou je een grote zot zijn geweest, knaap. Die Schim...’ – hij keek om zich heen. Er was niemand die hem kon horen, maar hij ging toch zachter praten – ‘stelde geen belang in mij. Hij schonk me dit stijve been en rende toen achter jou en Mart aan. Je had daar alleen maar kunnen sterven.’ Hij zweeg en dacht na. ‘Moiraine heeft gezegd dat ik nog in leven was? Is ze dan bij je?’ Rhand schudde zijn hoofd. Tot zijn verbazing leek Thom teleurgesteld. ‘In zekere zin jammer. Het is een buitengewone vrouw, zelfs voor een...’ Hij liet het ongezegd. ‘Ze moest dus Mart of Perijn hebben. Ik zal maar niet vragen wie. Het waren fijne jongens en ik wil het niet weten.’ Rhand bewoog onrustig en schrok op toen Thom met een knokige vinger tegen zijn borst prikte. ‘Wat ik wil weten: heb je mijn harp en fluit nog? Ik wil ze terug, knaap. Wat ik nu heb, is nog te slecht voor een varken.’