Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 102 103 104 105 106 107 108 109 110 ... 203
Перейти на страницу:

‘Is dat zo? Is hij echt geboren in Tweewater, Egwene?’ Egwene dwong zichzelf kalm instemmend te knikken. Wat weet hij? ‘Natuurlijk is hij dat. Ik ben samen met hem opgegroeid.’

‘Natuurlijk,’ zei Gawein langzaam. ‘Zo’n vreemd heerschap. Een schaapherder, zei hij, maar ik heb nog nooit een schaapherder met zijn uiterlijk en zijn gedrag gezien. Vreemd. Ik heb allerlei mensen gesproken die Rhand Altor hebben ontmoet. Een paar kennen niet eens zijn naam, maar ze kunnen hem nauwgezet beschrijven en hij

heeft al die levens veranderd. Een oude boer bijvoorbeeld, die alleen maar voor Logain naar Caemlin kwam, toen die door de stad werd gevoerd, maar die boer bleef en koos partij voor moeder toen de rellen uitbraken. Vanwege een jongeman die de wereld wilde zien, die hem liet zien dat er meer in het leven was dan alleen een boerderij. Vanwege Rhand Altor. Je zou bijna denken dat hij ta’veren is. Elaida heeft zeer zeker belangstelling voor hem. Ik vraag me af of door onze ontmoeting met Rhand Altor ons leven in het Patroon zal veranderen.’

Egwene keek naar Elayne en Min. Ze was er zeker van dat zij absoluut niet wisten of Rhand echt ta’veren was. Daar had ze nooit eerder bij stilgestaan: Rhand was Rhand en hij was opgescheept met het vermogen om te geleiden. Maar ta’veren had invloed op mensen, of ze dat nu wilden of niet. ‘Ik vind jullie echt aardig,’ zei ze opeens, en betrok beide meisjes in haar gebaar, ik wil vriendschap met jullie sluiten.’

‘En ik met jou,’ zei Elayne.

Egwene omarmde haar spontaan, en toen sprong Min naar beneden en stonden de drie meisjes op de brug elkaar met z’n drieën te omhelzen.

‘Wij drieën zijn met elkaar verbonden,’ zei Min, ‘en we laten geen man daartussen komen. Zelfs hem niet.’

‘Zou een van jullie het erg vinden om dit aan mij uit te leggen?’ vroeg Gawein gemoedelijk.

‘Je zou het niet begrijpen,’ zei zijn zuster en de drie meisjes proestten het uit.

Gawein krabde aan zijn hoofd en zei toen hoofdschuddend: ‘Nou, als het iets met Rhand Altor te maken heeft, zorg er dan voor dat Elaida er niets van hoort. Sinds onze aankomst heeft ze me al drie keer als een Ondervrager van de Witmantels op de huid gezeten. Ik geloof niet dat ze hem kwaad...’ Hij schrok. Verderop liep een vrouw de tuin door, een vrouw met een stola met rode franje. ‘Als je het over de Duistere hebt...’ zei hij. ‘Ik heb geen nieuw lesje nodig over wel of geen hemd buiten het oefenterrein. Een goedemorgen aan jullie drie.’

Elaida keek terloops de weglopende Gawein na toen ze de brug op liep. Egwene dacht dat ze mooi, maar niet echt knap was. Het leeftijdloze uiterlijk kenmerkte haar evenzeer als haar stola; iets wat bij de jongste zusters nog ontbrak. Toen haar ogen over Egwene gleden en even bleven hangen, zag Egwene plotseling hoe hard deze Aes Sedai was. Ze had altijd gedacht dat Moiraine zo sterk was als staal maar gehuld in zijde, maar Elaida kon zonder de zijde. ‘Elaida,’ zei Elayne, ‘dit is Egwene. Zij is ook geboren met de kiem in zich. En ze heeft al een paar lessen gehad, dus is ze even ver als ik. Elaida?’

Het gezicht van de Aes Sedai was nietszeggend en onleesbaar, in Caemlin, kind, ben ik de raadsvrouwe van de koningin, jouw moeder, maar dit is de Witte Toren en jij bent een Novice.’ Min maakte aanstalten om weg te lopen, maar Elaida hield haar tegen met een scherp: ‘Wacht, meisje, ik wil met je spreken.’ ik heb je mijn hele leven gekend, Elaida,’ zei Elayne ongelovig. ‘Je hebt me zien opgroeien en liet in de winter de tuin bloeien zodat ik buiten kon spelen.’

‘Kind, daar was je de erfdochter. Hier ben je een Novice. Leer die les. Op een dag zul je volwassen zijn, maar je moet nog leren!’

‘Ja, Aes Sedai.’

Egwene was verbijsterd. Als iemand haar voor de ogen van anderen zo had gekleineerd, zou ze woest worden.

‘Nu, weg met jullie.’ Een gong begon te slaan, laag en doordringend en Elaida hief het hoofd op. De zon stond halverwege de ochtend. ‘Hoog,’ zei Elaida. ‘Jullie moeten je haasten als jullie geen berisping willen krijgen. En jij, Elayne, gaat na je werkzaamheden naar de Meesteresse der Novices in haar kamer. Een Novice spreekt niet tot een Aes Sedai, tenzij het haar wordt gevraagd. Rennen, jullie twee. Jullie komen nog te laat. Rennen!’

Ze renden terwijl ze hun rokken ophielden. Egwene keek naar Elayne. Elayne had twee rode plekken op haar wangen en haar gezicht stond strak.

‘Ik word een Aes Sedai,’ zei Elayne zacht, en haar woorden klonken als een belofte.

Achter hen hoorde Egwene de Aes Sedai vragen: ‘Mij werd te verstaan gegeven, meisje, dat je hier door Moiraine Sedai bent gebracht.’ Ze wilde blijven luisteren en horen of Elaida naar Rhand zou vragen, maar de hooggong klonk door de Witte Toren en ze werd voor haar werkzaamheden geroepen. Ze rende zoals haar bevolen was. ‘Ik word een Aes Sedai,’ gromde ze. Een snelle, begrijpende glimlach flitste over Elaynes gezicht en ze holden nog harder. Mins hemd plakte aan haar huid vast toen ze ten slotte de brug verliet. Het was geen zweet van de zon maar van Elaida’s vasthoudende gevraag. Ze keek over haar schouder om er zeker van te zijn dat de Aes Sedai haar niet volgde, maar Elaida was nergens meer te zien. Hoe wist Elaida dat Moiraine haar had laten halen? Min wist heel zeker dat dit geheim alleen maar haar, Moiraine en Sheriam bekend was geweest. En dan al die vragen over Rhand. Het was niet gemakkelijk geweest haar gezicht onbewogen te houden en de Aes Sedai rustig aan te kijken terwijl ze haar recht in het gezicht zei dat ze nog nooit van hem had gehoord en niets van hem wist. Wat wil ze van hem? Licht, wat wil Moiraine van hem? Wat is hij? Licht, ik wil niet verliefd worden op een man die ik maar één keer ontmoet heb, en nog wel een boerenjongen.

‘Moiraine, het Licht verblinde je,’ mopperde ze. ‘Ik weet niet waarvoor je me hier liet komen, maar kom uit je schuilplaats te voorschijn en zeg het me, zodat ik weg kan!’

Het enige antwoord was het zoete gefluit van de grijsmerels. Met een betrokken gezicht ging ze een plekje zoeken om af te koelen.

25

Cairhien

De stad Cairhien lag op de heuvels langs de Alquin en Rhand zag hem voor het eerst vanuit de heuvels in het noorden in het licht van de middagzon. Elriceen Tavolin en de vijftig Cairhiense soldaten wekten nog steeds de indruk hem te bewaken. Die indruk werd sterker na de Gaelinbrug, want naarmate ze verder naar het zuiden trokken werden ze steeds ontoeschietelijker. Loial en Hurin leken het echter niet erg te vinden, dus probeerde hij zich aan te passen. Hij bekeek de stad die minstens zo groot was als de andere steden die hij had gezien. Grote schepen en brede barken vulden de rivier en op de andere oever stonden her en der hoge graanopslagplaatsen. Cairhien zelf scheen achter de hoge grijze muren volgens een streng plan te zijn ontworpen. Die stadsmuren leken een zuiver vierkant te vormen, met één zijde pal aan de rivier. Hetzelfde patroon was binnen de muren bijna net zo terug te vinden in de torens, die wel twintigmaal zo hoog waren als de muren; zelfs vanaf de heuvel kon Rhand zien dat elke toren uitliep in een kartelige top.

Rond de gehele stad werden de stadswallen omgeven door een doolhof van straten die elkaar in alle richtingen doorkruisten en krioelden van de mensen. Van Hurin wist Rhand dat dit Voorpoort werd genoemd. Vroeger had er bij iedere stadspoort een markt gelegen, maar in de loop der jaren waren die markten aaneengegroeid tot een wirwar van straten en stegen die naar alle kanten leek uit te dijen. Toen Rhand en de anderen die onverharde straten inreden, liet Tavolin enkele soldaten een pad door de menigte vrijmaken. Ze schreeuwden en spoorden hun paarden aan, alsof ze de mensen die zich niet snel uit de voeten maakten, wilden vertrappen. De mensen schoven zonder op te kijken opzij, alsof het iets was dat iedere dag gebeurde. Rhand merkte dat hij zat te glimlachen.

De kleren van de mensen in Voorpoort zagen er vaak armoedig uit, maar toch waren ze meestal kleurig, en er heerste een opgewekte sfeer. Venters prezen hun waren aan en winkeliers riepen de mensen toe naar hun goederen te kijken die op de tafels voor hun winkels lagen uitgestald. Kappers, fruitkooplui, scharenslijpers, mannen en vrouwen die tientallen diensten en honderden zaken aanboden, zwierven door de menigte rond. Boven het geroezemoes uit klonk muziek uit verschillende gebouwen, waarvan Rhand eerst aannam dat het herbergen waren. De uithangborden toonden echter mannen die fluit of harp speelden, kunstenmakers of jongleurs. Hoe groot ze ook waren, de gebouwen hadden geen vensters. De meeste gebouwen in Voorpoort leken ondanks hun afmetingen van hout te zijn gemaakt en vele zagen er nieuw uit, al waren ze van armzalige kwaliteit. Rhand keek met open mond naar enkele gebouwen die meer dan zes verdiepingen telden. Ze zwaaiden een beetje heen en weer, maar de mensen die zich naar binnen of buiten haastten, leken dat niet te merken. ‘Boeren,’ mompelde Tavolin, vol afkeer voor zich uit kijkend. ‘Moet je zien, bedorven door buitenlandse manieren. Ze horen hier niet.’

1 ... 102 103 104 105 106 107 108 109 110 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)