De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Waar horen ze dan wel?’ vroeg Rhand. De Cairhiense officier keek hem boos aan, spoorde toen zijn paard verder naar voren en sloeg met zijn rijzweepje op de menigte in.
Hurin raakte Rhands arm aan. ‘Dat komt door de Aiel-oorlog, heer Rhand.’ Hij keek rond om zeker te weten dat er geen enkele soldaat in de buurt was die hem kon horen. ‘Veel boeren waren bang om terug te gaan naar hun akkers langs de Rug van de Wereld. Ze kwamen zowat allemaal hierheen. Daarom zorgt Galdrian dat de rivier vol boten ligt met graan uit Andor en Tyr. Er komen geen oogsten meer van de boerderijen in het oosten omdat die er niet meer zijn. Maar dat kunt u maar beter niet tegen een Cairhienin zeggen, heer. Ze doen graag of de oorlog nooit heeft plaatsgevonden, of op zijn minst dat zij die hebben gewonnen.’
Ondanks de zweep van Tavolin werden ze tot stoppen gedwongen toen een vreemde optocht hun pad kruiste. Een vijftal dansende trommelaars maakte de weg vrij voor een reeks enorme poppen, ieder ongeveer anderhalf maal zo groot als de mannen die ze met behulp van lange staken lieten bewegen. Enorme, gekroonde figuren van mannen en vrouwen in lange weelderige gewaden bogen naar de menigte, tussen de poppen van sprookjesdieren. Een leeuw met vleugels. Een geit op z’n achterpoten met twee koppen die blijkbaar allebei vuur spuwden aan de rode linten uit de twee bekken te zien. Iets wat half een kat en half een arend leek te zijn en nog een pop met een berenkop op een mannenlijf, waarvan Rhand aannam dat het een Trollok voorstelde. De menigte juichte en lachte toen ze voorbijdansten. ‘Wie dat heeft gemaakt, heeft nog nooit een Trollok gezien,’ mopperde Hurin. ‘Kop is te groot en hij is te mager. Geloven waarschijnlijk ook dat het sprookjes zijn, heer, net als die andere wezens. De enige monsters voor dit Voorpoortvolk zijn de Aiel.’
‘Is er een feest?’ vroeg Rhand. Hij had er niets van bespeurd, behalve de optocht, maar hij dacht dat daar een reden voor moest zijn. Tavolin beval zijn soldaten verder te rijden.
‘Niet meer dan op de andere dagen, Rhand,’ zei Loial. Hij liep naast zijn paard, met de kist in een deken op zijn zadel vastgesnoerd, en trok evenveel bekijks als de poppen. Sommigen lachten zelfs en klapten in hun handen zoals ze voor de poppen hadden gedaan. ‘Ik ben bang dat Galdrian zijn volk tevreden houdt door ze vermaak te bieden. Hij geeft speelmannen en muzikanten de Koningsgave, een som in zilver om hier in Voorpoort op te treden, en hij betaalt voor de dagelijkse paardenrennen, ’s Nachts worden vaak vuurfeesten gegeven.’ Zijn afkeer klonk in zijn woorden door. ‘Ouder Haman zegt dat Galdrian een schande is.’ Hij knipperde met zijn ogen, besefte wat hij had gezegd en keek haastig rond of iemand van de soldaten het had gehoord. Niemand leek het echter te hebben opgevangen. ‘Vuurfeesten,’ knikte Hurin instemmend. ‘De Vuurwerkers hebben hier een gildehuis gebouwd, heb ik horen vertellen, net zo een als in Tanchico. De vorige keer dat ik hier was, vond ik de vuurfeesten eigenlijk wel leuk.’
Rhand schudde het hoofd. Hij had nog nooit die grote en ingewikkelde vuurfeesten gezien waar een Vuurwerker voor nodig was. Hij had gehoord dat ze Tanchico alleen verlieten om die feesten voor vorsten uit te voeren. Dit was een vreemde plaats die hij binnenreed. In de grote rechthoekige stadspoort liet Tavolin halt houden bij een vierkant stenen gebouw net binnen de stadswallen. In plaats van vensters had het lage gebouw schietgaten voor boogschutters en een zware met ijzer beslagen deur.
‘Een ogenblik, mijn heer Rhand,’ zei de officier. Hij gooide een van zijn soldaten de teugels toe en verdween naar binnen. Met een behoedzame blik op de soldaten – ze zaten in twee lange rijen stijf te paard – vroeg Rhand zich af wat ze zouden doen als hij, Loial en Hurin probeerden weg te rijden. Hij nam de gelegenheid te baat de stad te bestuderen die zich voor hem uitstrekte. Het eigenlijke Cairhien vormde een scherpe tegenstelling met de wanordelijke drukte van Voorpoort. Brede geplaveide straten, zo breed dat er minder mensen leken te zijn dan er feitelijk rondliepen, kruisten elkaar in rechte hoeken. Net als in Tremonsien waren de heuvels afgevlakt tot rechte terrassen. Gesloten draagstoelen, sommige met kleine vaantjes die het wapen van een Huis droegen, bewogen doelbewust ergens heen en koetsen rolden langzaam door de straten. De mensen wandelden kalm rond in sombere kleren; slechts af en toe droeg iemand een kleurige baan over de borst van zijn jas of gewaad. Hoe meer banen, hoe trotser de drager zich bewoog, maar niemand lachte. De gebouwen op hun terrassen waren alle van steen en de ornamenten waren recht en strak, met scherpe hoeken. Er waren geen venters en kramers in de straten en zelfs de winkels leken stil, hadden kleine uithangborden en geen waren buiten. Hij kon de hoge torens nu beter zien. Ze waren omgeven door steigers van aaneengebonden palen, waarop talloze metselaars nieuwe stenen aanbrachten om de torens nog hoger te maken. ‘De eindeloze torens van Cairhien,’ mompelde Loial droef. ‘Nou, vroeger waren ze hoog genoeg om die naam recht te doen. Toen de Aiel Cairhien innamen, ongeveer toen jij werd geboren, staken ze de torens in brand, zodat ze instortten en omvielen. Ik zie geen enkele Ogier tussen de metselaars. Een Ogier zou het niet fijn vinden om hier te werken. De Cairhienin zoeken het zelf uit en willen geen ornamenten, maar toen ik hier eerder langskwam, waren er Ogier.’ Tavolin kwam naar buiten met een andere officier en twee schrijvers in zijn voetspoor. De een droeg een grote, in hout gebonden legger en de ander een blad met schrijfbenodigdheden. Het voorhoofd van de officier was net zo hoog kaalgeschoren als dat van Tavolin, hoewel toenemende kaalheid meer haren leek te hebben verwijderd dan het scheermes. Beide officieren keken van Rhand naar de kist die onder de gestreepte deken van Loial zat en weer terug. Geen van beiden vroeg wat er onder die deken zat. Tijdens hun rit na Tremonsien had Tavolin er vaak naar gekeken, maar hij had er nooit naar gevraagd. De kalende man keek tevens naar Rhands zwaard en perste even zijn lippen op elkaar.
Tavolin gaf de naam van de andere officier, Asan Sandair, en verkondigde toen luid: ‘Heer Rhand van Huis Altor in Andor en zijn dienaar, genaamd Hurin, met Loial, een Ogier uit stedding Shangtai.’ De schrijver met de legger sloeg die op zijn armen open en Sandair schreef met ronde letters de namen in.
‘U dient morgen rond dit uur opnieuw naar dit wachthuis te komen, mijn heer,’ zei Sandair die het zandstrooien aan de tweede schrijver overliet, ‘om de naam op te geven van de herberg waar u verblijft.’ Rhand keek naar de sobere straten van Cairhien en toen achter zich naar het levendige Voorpoort. ‘Kunt u me daar een goede herberg noemen?’ Hij knikte in de richting van Voorpoort. Hurin siste opgewonden en boog zich naar hem toe. ‘Dat zou niet gepast zijn, heer Rhand,’ fluisterde hij. ‘Als u in Voorpoort verblijft terwijl u een heer bent en zo, zullen ze zeker aannemen dat u iets van plan bent.’
Rhand besefte dat de snuiver gelijk had. Sandairs mond stond open en Tavolins wenkbrauwen waren na zijn vraag hoog opgetrokken. Beiden keken hem nog steeds gespannen aan. Hij wilde hun vertellen dat hij hun Grote Spel niet meespeelde, maar in plaats daarvan zei hij: ‘We zullen kamers in de stad nemen. Kunnen we nu gaan?’