Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 100 101 102 103 104 105 106 107 108 ... 178
Перейти на страницу:

‘Witmantels,’ zei Perijn. ‘Ik vertel je straks meer.’ Hij glipte de kamer uit voor Loial meer kon vragen.

Hij had niets uitgepakt. Toen hij eenmaal zijn pijlkoker had omgegord, de mantel om zich heen had geslagen, dekenrol en zadeltassen over zijn schouders had gegooid en zijn boog had opgepakt, was er niets wat aangaf dat hij hier ooit geweest was. Nog geen kreukel in de opgevouwen dekens aan de voet van het bed, nog geen druppel water in de gebarsten waterkom op de wastafel. Zelfs de pit van de waskaars was nog wit, besefte hij. Ik moet hebben geweten dat ik niet zou blijven. De laatste tijd schijn ik geen spoor meer achter te laten. Er liep inderdaad een smalle achtertrap naar een gang bij de keuken. Hij loerde omzichtig de keuken in. Een spithond in zijn grote draaiwiel liet een groot spit draaien waaraan een lamsbout, een groot stuk ossenvlees, vijf kippen en een gans zaten. Uit de soepketel aan een stevige arm boven een tweede haardvuur steeg een rijke geur op. Maar er was geen kok te zien, geen levende ziel behalve de hond. Hij haastte zich de nacht in, dankbaar voor Orbans leugens. De stal was een groot gebouw van dezelfde steen als de herberg, hoewel alleen de steen om de grote deuren glad was afgewerkt. Een enkele lantaarn boven een staldeur gaf wat zwak licht. Stapper en de andere paarden stonden in de stallen bij de deuren. Het zware rijdier van Loial vulde zijn stal bijna geheel. De geur van hooi en paarden was aangenaam en vertrouwd. Perijn was er als eerste. Er was slechts een stalknecht op zijn post, een kerel met een smal gezicht in een smerig hemd en met grijs piekhaar, die wilde weten wie Perijn wel was om te bevelen dat er vier paarden gezadeld moesten worden, en wie was zijn meester, en wat deed hij hier, volledig bepakt om in het midden van de nacht te vertrekken, en wist baas Furlan dat hij op deze manier wegsloop, en wat had hij in die zadeltassen verborgen, en wat was er verkeerd met zijn ogen, was hij ziek? Er tuimelde een muntstuk langs Perijn door de lucht, een goudkleurige glinstering in het lantaarnlicht. De stalknecht ving het met één hand op en beet erin.

‘Zadel ze,’ zei Lan. Zijn stem was zacht, als koud ijzer tenminste zacht kon zijn, en de stalknecht maakte een buiging en scharrelde weg om de paarden te zadelen.

Net toen ze de teugels konden oppakken, kwamen Moiraine en Loial de stal in. Ze leidden de paarden achter Lan aan, een straat in die achter de stal naar de rivier liep. Het zachte geklop van de paardenhoeven op de straatkeien trok slechts de aandacht van een broodmagere hond, die één keer blafte en ervandoor ging toen ze voorbijkwamen. ‘Dit roept herinneringen op, nietwaar, Perijn?’ zei Loial, voor zijn doen zachtjes.

‘Demp je stem,’ fluisterde Perijn. ‘Welke herinneringen?’

‘Nou, net als vroeger.’ De Ogier was erin geslaagd om zijn stem te dempen; je hoorde nu slechts een hommel ter grootte van een hond in plaats van een paard. ‘Wegsluipen in de nacht, vijanden achter ons en misschien voor ons, gevaar in de lucht en de koude, scherpe smaak van avontuur.’

Perijn keek Loial over Stappers zadel nadenkend aan. Dat was gemakkelijk; zijn ogen kwamen boven het zadel uit en aan de andere kant stak Loial er met kop en schouders en borst boven uit. ‘Waar heb je het over? Ik geloof dat je gevaar aantrekkelijk begint te vinden! Loial, je bent gek!’

‘Ik probeer alleen mijn stemming vast te leggen,’ zei Loial vormelijk. Of misschien verdedigend. ‘Voor mijn boek. Ik moet het er allemaal in zetten. Ik geloof dat ik het aantrekkelijk begin te vinden. Avonturen. Natuurlijk doe ik dat.’ Zijn oren vertrokken twee keer heftig achter elkaar, ik moet het wel aantrekkelijk vinden als ik erover wil schrijven.’

Perijn schudde zijn hoofd.

Aan de stenen kade lagen de grote veerboten aangemeerd voor de nacht, stil en donker, net als de meeste andere schepen. Maar op de kade en op een tweemaster bewogen lantaarns en mensen. De lucht van teer en touw overheerste alles, met een sterke vleug vis, terwijl iets achter in het dichtstbijzijnde pakhuis scherpe, kruidige geuren verspreidde die de andere bijna verdrongen.

Lan vond de schipper, een kleine, tengere man die zijn hoofd op een vreemde manier scheef hield als hij luisterde. Het onderhandelen was al gauw klaar en er werden laadbomen en stroppen klaargemaakt om de paarden aan boord te hijsen. Perijn bleef dicht bij de paarden en sprak hen toe; paarden hadden weinig op met ongebruikelijke zaken, zoals het ophijsen, maar zelfs het krijgsros van de zwaardhand scheen te kalmeren door zijn gemompel.

Lan gaf goud aan de schipper en zilver aan twee zeelieden, die op blote voeten naar een pakhuis renden voor wat zakken met haver. Andere bemanningsleden bonden de paarden tussen de masten vast in een soort open hok van touw, terwijl ze de hele tijd mopperden over de rommel die ze zouden moeten opruimen. Perijn dacht niet dat iemand hen had mogen horen, maar zijn oren vingen hun woorden op. De mannen waren gewoon niet aan paarden gewend. In korte tijd was de Sneeuwgans klaar om uit te zeilen, iets eerder dan de schipper – wiens naam Jaim Adarra was – van plan was geweest. Lan bracht Moiraine benedendeks toen de meertouwen werden losgegooid, en Loial ging ze gapend achterna. Perijn bleef bij de reling aan de boeg staan, hoewel hij na elke geeuw van de Ogier ook had moeten gapen. Hij vroeg zich af of de Sneeuwgans sneller was dan wolven, sneller dan zijn dromen. De bemanning hield de riemen klaar om het schip van de kade te duwen.

Toen het laatste touw was losgegooid en door een dokwerker was opgevangen, sprong er een meisje in een nauwe, gedeelde rok uit de schaduw tussen twee pakhuizen te voorschijn. In haar armen had ze een bundel en haar donkere mantel fladderde achter haar aan. Ze sprong het dek op, terwijl de zeelieden begonnen af te duwen. Adarra kwam aanlopen van zijn plekje naast het roer, maar ze zette kalm haar bundel neer en zei onvervaard: ‘Ik wil een reis stroomafwaarts, naar... o... zeg, zo ver als het gaat.’ Ze gaf Perijn een knikje zonder hem aan te kijken. ‘Ik heb geen bezwaar om op het dek te slapen. Kou en natheid deren me niet.’

Ze onderhandelden een korte tijd. Ze gaf drie zilvermarken, keek boos naar de koperstukken die ze terugkreeg en stopte ze in haar beurs. Toen liep ze naar voren en kwam naast Perijn staan. Om haar heen hing een kruidengeur, licht en vers. Die grote, schuine ogen keken hem aan boven hoge jukbeenderen en keken toen weer naar de kust. Hij bedacht dat ze ongeveer van zijn leeftijd was, maar hij kon maar niet beslissen of haar neus bij haar gezicht paste of het overheerste. Je bent een dwaas, Perijn Aybara. Wat geeft het hoe ze eruitziet?

De afstand tot de kade bedroeg nu een goede twintig pas. De riemen gleden naar beneden en sneden wit schuim uit het zwarte water. Heel even overwoog hij haar overboord te gooien.

‘Wel,’ zei ze na een ogenblik, ik verwachtte niet dat mijn reis mij zo snel terug naar Illian zou voeren.’ Ze had een hoge stem en sprak vrij eentonig, maar hij vond het niet onplezierig. ‘Jullie gaan toch naar Illian, niet?’ Hij perste zijn lippen op elkaar.

‘Doe niet zo sikkeneurig,’ zei ze. ‘Jullie hebben nogal wat rommel achtergelaten, jij en die Aielman. Toen ik wegging, brak net het tumult uit.’

‘Je hebt het hun niet verteld?’ vroeg hij verrast. ‘De stedelingen denken dat de Aielman de ketting heeft doorgeknaagd of met zijn blote handen heeft gebroken. Ze waren het daarover nog niet eens toen ik wegging.’ Ze maakte een geluid dat verdacht veel op gegiechel leek. ‘Orban uitte zeer luid zijn woede over zijn verwondingen, die hem beletten persoonlijk op jacht te gaan naar de Aielman.’ Perijn snoof. ‘Als hij ooit nog eens tegen een Aiel aanloopt, doet hij het in zijn broek.’ Hij schraapte zijn keel. ‘Spijt me.’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van,’ zei ze, alsof zijn opmerking beslist niet ongepast was. ‘Ik heb hem in Jehanna gezien, in de winter. Hij vocht tegen vier man tegelijk, doodde er twee en dwong de anderen tot overgave. Natuurlijk begon hij het gevecht, en dat maakt het wat minder groots, maar ze wisten wat ze deden. Hij begint geen gevecht met lieden die zich niet kunnen verdedigen. Maar hij is een dwaas. Hij heeft van die vreemde ideeën over het Grote Zwarte Woud, dat sommigen het Duisterwoud noemen. Heb je daar ooit van gehoord?’ Hij keek haar van opzij aan. Ze sprak net zo kalm over vechten en doden als een andere vrouw over bakken en braden. Hij had nog nooit van een zwart woud gehoord, maar Tweewater grensde in het zuiden aan Duisterwoud. ‘Luister je? In de herberg bleef je naar me kijken. Waarom? En waarom heb je hun niet verteld wat je gezien hebt?’

1 ... 100 101 102 103 104 105 106 107 108 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)