Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Sarinde heeft me gezegd dat alle Wijzen met de algai’d’siswai zullen optrekken,’ gaf Indirian eindelijk aarzelend ten antwoord. Sarinde was de Wijze die hem uit de Roodbronveste, de stamveste van de Codarra, was gevolgd. ‘Volgen’ was niet het juiste woord, want dat deden Wijzen zelden. In elk geval zouden de meeste Wijzen van de Codarra, de Shiande en de Daryne met de speren naar het noorden trekken. ‘De Wijzen van de Shaido zullen worden... afgehandeld door de Wijzen.’ Zijn mond vertrok van afkeer.
‘Alles verandert.’ Janwins stem klonk nog zachter dan anders. Hij geloofde het, maar met tegenzin. Wijzen die deelnamen aan de strijd schonden een gewoonte die zo oud was als de Aiel.
Mandelain plaatste zijn kopje met overdreven zorg op de grond. ‘Corehuin wenst, net als ik, Jair weer te zien voor het einde van de droom.’ Net als Bael en Rhuarc had hij twee vrouwen. De andere stamhoofden hadden één vrouw, met uitzondering van Timolan, maar een stamhoofd bleef zelden lange tijd weduwnaar. De Wijzen zorgden ervoor dat hij niet alleen bleef. ‘Zal iemand van ons ooit nog de zon boven het Drievoudige Land zien opkomen?’
‘Ik hoop het,’ antwoordde Rhand langzaam. Zoals de ploeg de aarde breekt, zo zal hij de levens van mensen breken en alles wat was, zal in het vuur van zijn ogen worden verteerd. De trompetten van de oorlog zullen in de maat van zijn stappen schallen, raven zullen zich bij zijn stem voeden en hij zal een kroon van zwaarden dragen. De Voorspellingen van de Draak schonken hem weinig hoop op iets anders dan een overwinning op de Duistere en zelfs die was nog twijfelachtig. De Voorspelling van Rhuidean, de Aiel-voorspelling, luidde dat hij de Aiel zou vernietigen. Vanwege hem woedde er grauwheid onder de stammen en werden oeroude gebruiken aan flarden gescheurd. Zelfs zonder de Aes Sedai was het geen wonder dat sommige stamhoofden overwogen of ze er wel goed aan deden Rhand Altor te volgen, al had hij nog zoveel draken op zijn arm. ‘Ik hoop het.’
‘Moge je altijd water en schaduw vinden, Rhand Altor,’ zei Indirian ten afscheid.
Na hun vertrek zat Rhand fronsend in zijn thee te turen, maar het donkere vocht bracht geen echte antwoorden. Ten slotte zette hij het kopje naast het dienblad en rolde zijn mouwen omlaag. Merana’s ogen waren heel strak op hem gevestigd, alsof zij zijn gedachten eruit wilde trekken. Er zat ook iets van ongeduld in. Hij had haar gezegd in de hoek te blijven staan, tenzij ze stemmen kon horen. Ongetwijfeld zag ze nu dat de stamhoofden vertrokken waren en er dus geen enkele reden meer was om te blijven staan. Ze wilde eruit en hem ontfutselen wat er gezegd was.
‘Denken jullie dat ze aannemen dat ik een speelpop van de Aes Sedai ben?’ vroeg hij.
De jonge Narishma schrok op. Eigenlijk was hij wat ouder dan Rhand, maar hij zag eruit als een jongen van veertien of vijftien jaar. Hij keek naar Merana of die het antwoord wist en schokschouderde niet op zijn gemak. ‘Ik... ik weet het niet, mijn heer Draak.’
Dashiva knipperde met zijn ogen en mompelde niet langer in zichzelf. Met zijn hoofd schuin als een vogel keek hij Rhand aan. ‘Doet het er wat toe, zolang ze gehoorzamen?’
‘Dat doet het,’ zei Rhand. Dashiva trok zijn schouders op en Narishma fronste peinzend zijn voorhoofd. Geen van beiden leek het te begrijpen, maar wellicht zou Narishma het nog leren.
Achter de troon was de verhoging bedekt met opgerolde en opgevouwen kaarten die hij daar had laten liggen. Hij verschoof er enkele met de punt van zijn laars. Er moest zoveel tegelijk worden beheerst. Het noorden van Cairhien, de bergen die Therins Dolk werden genoemd en het gebied rond de stad. Illian en de Vlakten van Maredo tot Far Madding aan toe. Het eiland Tar Valon en alle omringende steden en dorpen. Geldan en een deel van Amadicia. Bewegingen en kleuren in zijn hoofd. Lews Therin kreunde en lachte in de verte, zacht gemompel over het doden van de Asha’man, van de Verzakers. Van zichzelf. Alanna huilde niet meer, haar smart verborgen onder een vliesje boosheid. Rhand streek met beide handen door zijn haar en drukte hard tegen zijn slapen. Hoe was het ook alweer geweest om met zijn eigen gedachten alleen te zijn? Hij kon het zich niet herinneren.
Een van de grote deuren ging open en de Speervrouw die in de gang de wacht hield kwam binnen. Riallin, met haar felle, geelrode haar en haar grijns voor van alles en nog wat, slaagde er wonderwel in een gezette indruk te geven. Voor een Speervrouw althans. ‘Berelain sur Paendraeg en Annoura Larisen wensen de Car’a’carn te spreken,’ kondigde ze aan. Tussen de eerste en de tweede naam veranderde haar stem van warm en vriendelijk in koud en effen zonder dat haar grijns een tel verdween.
Rhand zuchtte en wilde zeggen hen binnen te laten maar Berelain wachtte niet. Ze stormde het vertrek al in en werd op de hielen, zij het kalmer, gevolgd door Annoura. De Aes Sedai betrok iets bij het zien van Dashiva en Narishma en staarde nieuwsgierig naar Merana in de hoek van de kamer. Berelain echter niet.
‘Wat betekent dit, mijn heer Draak?’ wilde ze weten, zwaaiend met de brief die hij haar die ochtend had laten bezorgen. Ze beende op hem af en liet het papier vlak onder zijn neus wapperen. ‘Waarom moet ik terug naar Mayene? Ik heb hier in uw naam goed geregeerd en dat weet u. Ik kon Colavaere niet tegenhouden toen ze zich liet kronen, maar ik heb wel kunnen voorkomen dat ze uw wetten introk of veranderde. Waarom word ik weggestuurd? En waarom moet ik dat middels een brief horen? Waarom niet recht in m’n gezicht? Een brief! Bedankt voor mijn diensten en weggestuurd als een belastinggaarder!’ Zelfs in haar woede was de Eerste van Mayene een van de knapste vrouwen die Rhand ooit had gezien. Haar zwarte haar hing in glanzende golven tot op haar schouders en omlijstte een gezicht waar zelfs een blinde man nog naar zou staren. Een man kon met gemak in die donkere ogen verdrinken. Vandaag droeg ze een glinsterend, zilverzijden gewaad, dun, strak en meer geschikt voor een ontmoeting met een minnaar. Als de halslijn een haartje lager was, zou ze het gewaad niet in het openbaar kunnen dragen. Zelfs nu wist hij niet zeker of ze dat wel zou moeten. Hij had zichzelf bij het schrijven van die brief wijsgemaakt dat het was doordat hij geen tijd had voor twistgesprekken. De waarheid was dat hij het veel te fijn vond om naar haar te kijken; om de een of andere reden had hij het gevoel gekregen dat zoiets niet... echt verkeerd was, maar wel bijna.
Zodra ze was verschenen, veranderde Lews Therins getier in een zacht geneurie, wat hij altijd deed wanneer hij een vrouw mooi vond. Opeens besefte Rhand geschokt dat hij aan zijn oorlelletje voelde. Ergens wist hij dat dit net als het geneurie een onbewuste gewoonte van Lews Therin was. Met een ruk liet hij zijn hand zakken, maar een ogenblik wilde die weer naar zijn oor gaan.
Bloedvuur, dit is mijn lichaam! De gedachte kwam als een snauw. Van mij! Het neuriën van Lews Therin stópte verbaasd en verward. Zonder een kik te geven vluchtte de dode man terug naar de diepste schaduwen in Rhands hoofd.
Rhands zwijgen werkte. Berelain liet de brief zakken en haar boosheid verminderde. Iets. Ze hield haar ogen strak op hem gericht en haalde zo diep adem dat hij vuurrood werd. ‘Mijn heer Draak...’
‘Je weet waarom,’ onderbrak hij haar. Alleen naar haar ogen kijken was niet gemakkelijk. Vreemd genoeg wenste hij dat Min bij hem was. Heel vreemd. Haar beelden zouden hem nu niet helpen. ‘Na je terugkeer van dat Zeevolkschip vanmorgen werd je opgewacht door een kerel met een mes.’
Berelain gooide verachtelijk haar hoofd in de nek. ‘Hij kwam niet verder dan drie stappen. Ik werd vergezeld door tien man van de Vleugelgarde onder kapiteinheer Gallenne.’ Nurelle had een deel van de Vleugelgarde naar Dumais Bron geleid, maar Gallenne leidde de hele garde. Ze had achthonderd man in de stad, naast de mannen die met Nurelle waren teruggekeerd. ‘Verwacht je dat ik met de staart tussen m’n benen afdruip voor een beurzensnijder?’