Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Falion wachtte. Ispan was niet dom maar had veel te veel ontzag. Falion geloofde er niet in dat je mensen kon dwingen nog iets te leren wat ze allang hadden moeten weten. Luie geesten moesten geoefend worden.
Ispan liep met een ruisende rok heen en weer en keek met afkeer naar het stof en oude spinnenwebben. ‘Deze plek stinkt. En het is hier smerig!’ Ze huiverde toen een grote zwarte kakkerlak tegen de muur op rende. Heel even omgaf de gloed haar; een weefsel verpletterde het insect met een knappend geluid. Ispans gezicht vertrok en ze veegde haar handen aan haar rok af, alsof ze die gebruikt had in plaats van de Kracht. Ze had een gevoelige maag, tenzij ze afstand schiep tussen zichzelf en de feitelijke daad. ‘Ik zal geen mislukking doorgeven aan een Uitverkorene, Falion. Ze zou ons afgunstig kunnen maken op Liandrin, nietwaar?’
Falion huiverde nog net niet. Maar ze liep wel de kelder door en schonk zich een beker pruimenwijn in. De pruimen waren oud geweest en de wijn was te zoet, maar haar handen trilden niet. Moghedien vrezen was verstandig, maar toegeven aan vrees was dat niet. Misschien was ze dood. Anders zou ze hen toch wel hebben opgeroepen, of hen in hun slaap naar Tel’aran’rhiod hebben gesleurd om uit te leggen waarom ze haar bevelen nog niet hadden uitgevoerd? Tot ze Moghediens lijk zag, was de enige verstandige keus om door te gaan alsof ze elk ogenblik kon verschijnen. ‘Er is een manier.’
‘Hoe dan? Elke Wijzevrouw in Ebo Dar ondervragen? Hoeveel zijn het er? Honderd? Tweehonderd, misschien? Ik denk dat het de zusters in het Tarasin-paleis zou opvallen.’
‘Vergeet je dromen van een sa’angreaal, Ispan. Er is geen geheime bergplaats van lang geleden, geen verborgen kelder onder een paleis.’ Falion sprak koel en afgemeten, steeds koeler naarmate Ispan zich opwond. Ze had er altijd van genoten om een klas novices door de klank van haar stem aan zich te binden. ‘Bijna alle Wijzevrouwen zijn wilders. Het is zeer onwaarschijnlijk dat ze weten waarnaar wij zoeken. Er is nog nooit een wilder met een angreaal gevonden, laat staan een sa’angreaal, en ze zouden zeker gevonden zijn. Integendeel, volgens elk verslag probeert een wilder elk voorwerp met de Kracht zo snel mogelijk kwijt te raken, uit angst voor de wraak van de Toren. Aan de andere kant lijken vrouwen die de Toren worden uitgezet een dergelijke vrees niet te kennen. Je weet heel goed dat als ze bij hun vertrek worden nagezocht, minstens één op de drie iets op haar lichaam heeft verborgen. Een echt voorwerp van de Kracht of iets waarvan ze gelooft dat het er een is. Van de weinige Wijzevrouwen die in aanmerking komen, was Callie een volmaakte keus. Toen ze vier jaar geleden werd weggestuurd, probeerde ze een kleine ter’angreaal te stelen. Een nutteloos ding dat beelden van bloemen en het geluid van een waterval maakt, maar desondanks een aan saidar gebonden voorwerp. En ze probeerde achter alle geheimen van de andere novices te komen, wat haar veel te vaak lukte. Als er ooit één angreaal in Ebo Dar is geweest, om nog maar te zwijgen van een bergruimte vol, geloof jij dan echt dat ze die in vier jaar niet zou hebben gevonden?’
‘Ik draag de stola, Falion,’ zei Ispan buitengewoon scherp. ‘En ik weet dit alles evengoed als jij. Je zei dat er nóg een manier was. Welke manier?’ Ze wilde haar hersens maar niet gebruiken.
‘Wat zou Moghedien evenveel plezier doen als die bergplaats?’ Ispan staarde haar slechts aan en tikte met haar voet. ‘Nynaeve Almaeren, Ispan. Moghedien heeft ons in de steek gelaten om achter haar aan te jagen, maar op een of andere manier is ze ontsnapt. Als we Nynaeve – en wat dat betreft, het meisje Trakand – aan Moghedien geven, zou ze ons wel honderd sa’angrealen vergeven.’ Hetgeen duidelijk aantoonde dat de Uitverkorenen onverstandig konden zijn. Uiteraard kon men het beste uiterst voorzichtig omspringen met mensen die zowel onredelijk als machtiger waren. Ispan was niet machtiger.
‘We hadden haar meteen toen ze hier kwam opdagen moeten doden, zoals ik wilde,’ zei ze venijnig. Ze gebaarde met haar handen terwijl ze opgewonden heen en weer liep, waarbij de rommel onder haar muilen hevig kraakte. ‘Ja, ja, ik weet het. Onze zusters in het paleis zouden achterdochtig geworden zijn. We willen hun aandacht niet trekken. Maar ben je Tanchico vergeten? En Tyr? Waar die twee meiden verschijnen, volgt rampspoed. Zelf vind ik dat we zo ver mogelijk van Nynaeve Almaeren en Elayne Trakand vandaan moeten blijven, als het ons niet lukt hen te doden. Zo ver mogelijk!’
‘Kalm, Ispan. Kalm.’ Falions sussende toon leek de ander alleen maar meer op te winden, maar ze had vertrouwen. Logica moest zegevieren over gevoel.
Hij zat op een rechtopstaande ton in het beetje koelte van een smal, beschaduwd steegje en hield zorgvuldig het huis aan de overkant van de drukke straat in het oog. Opeens besefte hij dat hij zijn hoofd weer aanraakte. Hij had geen hoofdpijn, maar zijn hoofd voelde... vreemd-soms. Meestal als hij dacht aan wat hij zich niet kon herinneren. Het witgepleisterde huis had drie verdiepingen en behoorde toe aan een goudsmid, die verondersteld werd bezoek te hebben gekregen van twee bekenden die ze enkele jaren geleden bij een reis naar het noorden ontmoet had. Men had bij hun aankomst slechts een glimp van hen kunnen opvangen. Sindsdien waren ze niet meer gezien. Dat uitvinden was gemakkelijk gegaan, uitvinden dat ze Aes Sedai waren was niet veel moeilijker.
Fluitend kwam er een magere jonge kerel in een gescheurd vest de straat aflopen. Die voerde beslist iets in zijn schild. Hij bleef stilstaan toen hij hem zittend op de ton ontwaarde. Zijn jas en zijn plek bevonden zich in de schaduw – en de rest van hem, moest hij spijtig erkennen – en dat zag er waarschijnlijk aanlokkelijk uit. Hij reikte onder zijn jas. Zijn handen hadden niet langer de kracht en soepelheid voor het zwaard, maar de twee lange messen die hij al meer dan dertig jaar droeg hadden meerdere zwaardvechters verrast. Misschien viel iets daarvan in zijn ogen te lezen, want de jongeman bedacht zich en vervolgde fluitend zijn weg.
Naast het huis zwaaide de poort naar de stallen van de goudsmid open. Er verschenen twee mannen die een kar duwden met een hoop vuil stro en mest. Wat voerden die in hun schild? Arnin en Nad waren niet het soort kerels dat stallen uitmestte.
Hij besloot hier tot het donker te blijven, en dan eens te kijken of hij Carridins mooie, kleine moordenares kon vinden. Nog eens trok hij zijn hand van zijn hoofd weg. Vroeger of later zou hij het zich herinneren. Hij had niet veel tijd meer, maar het was alles wat hij nog had. Zoveel herinnerde hij zich nog wel.
18
Zoals de ploeg de aarde breekt
Rhand gebruikte even saidin om de ban te ontwarren die hij over een van de hoeken van de kamer had geweven, waarna hij zijn kop op het zilveren voetje ophief en om meer thee vroeg. Ergens achter in zijn hoofd mopperde Lews Therin boos.
Met de hand gesneden, zwaar vergulde stoelen stonden in rijen tegenover elkaar, aan weerszijden van een twee pas grote, gouden rijzende zon, die in de gladde stenen vloer was gelegd. Op een lage verhoging, even druk bewerkt, stond een hoge stoel die zo verguld was dat hij geheel uit goud leek te bestaan. Zelf zat Rhand in kleermakerszit op een tapijt dat er voor die gelegenheid was neergelegd. Groen, goud en blauw in een Tyreens maaswerk. De drie stamhoofden tegenover hem zouden het hebben verafschuwd als hij ze gezeten op de stoel had ontvangen, zelfs als hun er ook een was aangeboden. Zij vormden een tweede maaswerk dat behoedzaam ontward diende te worden. Hij was in zijn hemdsmouwen en die waren zo ver opgerold dat de rood met gouden draken om zijn onderarmen zichtbaar waren, metalig glinsterend. De cadin’sor van de Aiel verhulde eenzelfde draak op hun linkerarm. Misschien een herinnering aan wie hij was – een man die Rhuidean had betreden toen dat voor de meeste mannen de dood inhield -en misschien was het overbodig. Misschien.
De drie gezichten verrieden weinig, terwijl ze Merana uit de kamerhoek zagen komen waar ze afgeschermd was geweest. Het gerimpelde gezicht van Janwin had uit oud hout gesneden kunnen zijn, maar die indruk wekte het altijd. Wellicht stonden zijn blauwgrijze ogen op storm, maar ook die gaven immer zo’n indruk. Zelfs zijn haren leken op stormwolken. Hij was echter een gelijkmoedig man. Indirian en de eenogige Mandelain hadden hun gedachten wellicht op iets anders gericht, maar hun ogen volgden de zuster strak. Lews Therin zweeg opeens alsof hij door Rhands ogen meekeek.