De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Hij is gevaarlijk.’ Selene keek gefronst naar het wapen, alsof de slangen echt waren en giftig. ‘Gooi hem weg. Laat hem hier liggen of begraaf hem als je hem uit de handen van anderen wilt houden, maar zorg dat je hem kwijtraakt.’
‘Mart heeft hem nodig,’ zei Rhand ferm. ‘Hij is te gevaarlijk, dat heb je zelf gezegd.’
‘Hij heeft hem nodig. De Amy... de Aes Sedai zei dat Mart zou sterven als de dolk niet bij de Heling werd gebruikt.’ Ze hebben Mart nog steeds aan een lijntje vast, maar dit wapen zal dat doorsnijden. Tot ik van de dolk en de Hoorn verlost ben, hebben ze mij ook vast, maar ik ga niet naar hun pijpen dansen, al willen ze dat nog zo graag. Hij legde de dolk in de kist, in de kromming van de Hoorn, waar net genoeg ruimte was, en trok het deksel omlaag. Dat sloot met een scherpe klik. ‘Dit zal ons er wel tegen beschermen.’ Hij hoopte het maar. Lan zei altijd dat onzekerheid het beste moment was om vastbesloten te klinken.
‘De kist zal ons zeker beschermen,’ zei Selene strak. ‘En dan ga ik nu iets aan mijn slaaptekort doen.’
Rhand schudde het hoofd. ‘We zijn te dichtbij. Fajin lijkt mij soms te kunnen vinden.’
‘Zoek de Eenheid als je bang bent,’ merkte Selene op.
‘Ik wil morgenochtend zo ver mogelijk van die Duistervrienden af
zijn. Ik zal je merrie wel zadelen.’
‘Koppig!’ Het klonk of ze boos was en toen hij haar aankeek, vertrok haar mond tot een glimlach die haar zwarte ogen niet bereikte. ‘Een koppige man is uitstekend, zodra hij...’ Haar stem stierf weg en dat baarde hem zorgen. Vrouwen lieten vaak dingen ongezegd en volgens zijn beperkte ervaring leverde het niet uitgesprokene vaak de grootste problemen op. Ze keek zwijgend toe toen hij haar zadel op de rug van de witte merrie zwaaide en zich bukte om het tuig vast te gespen.
‘Haal ze allemaal hierheen!’ snauwde Fajin. De Trollok met de geitensnuit schuifelde achteruit. Het vuur kwam nu van een hoge stapel hout en wierp flakkerende schaduwen over de heuveltop. Zijn menselijke volgelingen zaten in de gloed in elkaar gedoken, bang in de buurt van de Trolloks te komen. ‘Haal ze hierheen, iedereen die nog in leven is, en wie ervandoor wil, krijgt wat die daar verdiende.’ Hij gebaarde naar de eerste Trollok die hem bericht had dat Altor niet gevonden kon worden. Het monster beet nog met malende kaken naar het zand dat doordrenkt was met zijn eigen bloed. Zijn hoeven schraapten groeven in zijn doodskramp. ‘Ga,’ fluisterde Fajin, en de Trollok rende de nacht in.
Fajin wierp een minachtende blik op de mensen. Ze kunnen nog steeds nuttig zijn. Toen draaide hij zich om en staarde de nacht in, naar Therins Dolk. Daarboven was Altor, daarginds, ergens in de bergen. Met de Hoorn. Bij die gedachte knarsten zijn tanden hoorbaar. Hij wist niet precies waar, maar iets trok hem naar de bergen. Naar Altor. Zoveel van dat... geschenk van de Duistere... was hem gebleven. Hij had er amper aan gedacht, had geprobeerd er niet aan te denken, tot opeens, toen hij de Hoorn kwijt was... kwijt’.... Altor er weer was, alsof Altor de kluif betekende voor een uitgehongerde hond.
‘Ik ben geen hond meer. Geen hond meer!’ Hij hoorde hoe de anderen zich ongerust rond het vuur bewogen, maar hij negeerde hen. ‘Je zult boeten voor wat mij werd aangedaan, Altor! De wereld zal boeten!’ Een waanzinnige, kakelende lach galmde door het nachtelijke duister. ‘De wereld zal boeten.’
20
Saidin
Rhand liet hen de hele nacht doorrijden en stond in de dageraad slechts een korte stop toe, om de paarden rust te geven. En om Loial te laten uitrusten. Doordat de zilvergouden kist met de Hoorn van Valere in zijn zadel stond, had de Ogier de hele nacht voor zijn paard uit gelopen of gehold zonder één keer te klagen en zonder hen op te houden. Ergens in die nacht waren ze de grens van Cairhien gepasseerd.
‘Ik wil hem nog een keer zien,’ zei Selene toen ze stilhielden. Ze steeg af en liep naar Loials paard. De zon, die net over de horizon blikte, wierp hun lange, dunne schaduwen ver naar het westen. ‘Zet hem voor me neer, alantin.’ Loial begon de riemen los te maken. ‘De Hoorn van Valere.’
‘Nee,’ zei Rhand, die zich van Roods rug liet glijden. ‘Loial, nee.’ De Ogier keek van Rhand naar Selene en zijn zenuwachtige oorbewegingen toonden zijn aarzeling, maar hij liet zijn handen zakken. ‘Ik wil de Hoorn zien,’ eiste Selene. Rhand wist zeker dat ze niet ouder was dan hij, maar op dat ogenblik leek ze opeens even oud en koud als de bergen en koninklijker dan koningin Morgase in haar hooghartigste bui.
‘Ik vind dat we de dolk uit het zicht moeten houden,’ zei Rhand. ‘Voor zover ik weet, kan zien even slecht zijn als aanraken. Laat hem daar maar liggen tot ik hem aan Mart kan geven. Hij... hij kan hem naar de Aes Sedai brengen.’ En welke prijs zullen zij voor die Heling vragen? Maar hij heeft geen andere keus. Hij voelde zich een beetje schuldig over het opgeluchte gevoel dat hij in ieder geval niets meer met de Aes Sedai te maken had. Ik héb niets meer met ze te maken. Op geen enkele manier.
‘De dolk! Je schijnt je alleen maar zorgen over die dolk te maken. Ik heb je gezegd hem weg te gooien. De Hoorn van Valere, Rhand!’
‘Nee.’
Ze kwam naar hem toe en haar wiegende heupen gaven hem het gevoel of er iets in zijn keel zat. ‘Ik wil hem alleen maar in het zonlicht zien. Ik zal hem niet eens aanraken. Hou jij hem maar vast. Ik wil me herinneren hoe jij de Hoorn van Valere in je handen had.’ Bij die woorden pakte ze zijn handen. Zijn huid kreeg kippenvel bij haar aanraking en zijn mond voelde droog aan.
Ik wil me herinneren... voor als ze vertrokken is... Hij kon de dolk weer wegstoppen zodra de Hoorn uit de kist was. De Hoorn met eigen handen vasthouden en hem in het licht bekijken, zou heel bijzonder zijn.
Hij wilde maar dat hij meer wist van de Voorspellingen van de Draak. Lang geleden in Emondsveld had hij van een koopmanswacht een stuk uit die Voorspellingen gehoord, maar toen had Nynaeve een bezem op de rug van de man stukgeslagen. En in dat korte fragment was de Hoorn van Valere niet voorgekomen.
De Aes Sedai proberen mij te laten doen wat zij willen. Selene stond hem nog steeds gespannen aan te kijken en haar gezicht was zo jong en mooi dat hij haar ondanks zijn gedachte wilde kussen. Hij had nooit een Aes Sedai zich zo zien gedragen en ze zag er jong uit, niet leeftijdloos. Een meisje van mijn leeftijd kan geen Aes Sedai zijn. Maar...
‘Selene,’ zei hij zachtjes. ‘Bén je een Aes Sedai?’
‘Aes Sedai!’ Ze spuwde het woord bijna uit en sloeg zijn handen opzij. ‘Aes Sedai! Dat gooi je me iedere keer voor de voeten!’ Ze haalde diep adem en streek haar kleren glad, alsof ze zichzelf wilde kalmeren. ‘Ik ben wat en wie ik ben. En ik ben geen Aes Sedai!’ En ze hulde zich in een zwijgende kilte waarin de ochtendzon koud leek. Loial en Hurin verdroegen dit alles zo goed mogelijk. Ze probeerden met elkaar te praten om hun verlegenheid te verbergen tot Selene hen met één blik tot zwijgen bracht. Ze reden verder. Tegen de avond, toen ze aan een visrijk bergbeekje het kamp opsloegen, leek Selene weer iets van haar goede humeur te hebben teruggevonden, want ze zat met de Ogier over boeken te babbelen en met Hurin vriendelijk te praten.
Tegen Rhand zei ze amper iets, tenzij hij iets vroeg. Dat ging de hele avond zo door en ook de volgende dag, toen ze de bergen inreden die als enorme, gekartelde grijze muren aan weerskanten hoog oprezen en steeds hoger werden. Telkens als hij echter naar haar keek, keek ze hem met een glimlach aan. Soms was het een glimlach die hij kon beantwoorden, soms was het er een waarbij hij rood aanliep en zijn keel schraapte vanwege zijn eigen gedachten, en soms was het zo’n geheimzinnige, alwetende glimlach die Egwene ook weleens toonde. Het soort glimlach waar hij altijd heel koppig van werd, maar het was tenminste een glimlach. Ze kan geen Aes Sedai zijn.
Hun weg leidde weer omlaag en toen de hemel al enige schemering beloofde, ging Therins Dolk eindelijk over in golvende, vlakkere heuvels met meer struiken dan bomen en meer boomgroepjes dan echte bossen. Er was geen weg, slechts een zandspoor, dat waarschijnlijk zo nu en dan door een boerenkar werd gebruikt. Sommige heuvels hadden terrassen met akkers die al een rijke oogst beloofden, maar op dit tijdstip verlaten waren. De boerderijen lagen ver uiteen; ze stonden zo ver weg dat Rhand alleen kon zien dat ze in steen waren opgetrokken.