De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Het geluid van haar stem schudde hem wakker. Hard kuchend draaide hij zich snel om en keek de andere kant op. ‘Eh... ik denk dat... eh... ik... eh...’
‘Denk aan de roem, Rhand.’ Hij voelde haar hand op zijn rug en had van de schrik bijna als een dwaas gepiept. ‘Denk aan de roem voor wie de Hoorn van Valere vindt. Ik zal zo trots zijn als ik naast de man met de Hoorn kan staan. Je hebt geen idee van ons aanzien, jij en ik samen. Met de Hoorn van Valere in je bezit kun je koning zijn. Je kunt een tweede Artur Haviksvleugel zijn. Je...’
‘Heer Rhand!’ Hurin kwam hijgend het kamp inlopen. ‘Mijn heer, ze...’ Hij stond glijdend stil en slaakte opeens een gorgelend geluid. Hij sloeg zijn ogen neer en wreef in zijn handen. ‘Vergeef me, mijn vrouwe. Ik wilde niet... ik... Vergeef me.’
Loial ging rechtop zitten en zijn deken en mantel vielen omlaag. ‘Wat is er aan de hand? Is het mijn beurt voor de wacht?’ Hij keek naar Rhand en Selene en zelfs in het zwakke licht was te zien dat hij grote ogen opzette.
Achter zich hoorde Rhand Selene een zucht slaken. Hij liep van haar vandaan en vermeed het om haar aan te kijken. Haar benen zijn zo wit, zo glad. ‘Wat is er, Hurin?’ Hij maakte zijn stem wat zachter. Ben ik nou kwaad op Hurin, op mezelf of op Selene? Er is geen reden boos op haar te zijn. ‘Heb je iets gezien, Hurin?’
De snuiver antwoordde met neergeslagen ogen. ‘Een kampvuur, heer! Daar beneden tussen de heuvels. Ik zag het eerst niet. Ze hebben het heel goed verborgen, maar meer voor achtervolgers, niet voor iemand die voor hen uit is en boven hen staat. Twee span, heer Rhand. Vast geen drie.’
‘Fajin,’ zei Rhand. ‘Ingtar zou zeker niet bang zijn voor achtervolgers. Het moet Fajin zijn.’ Opeens wist hij niet meer wat hij moest doen. Ze hadden op Fajin gewacht, maar nu de man maar een paar span weg was, wist hij het niet meer. ‘Morgenochtend... morgen gaan we ze volgen. Als Ingtar en de anderen ons inhalen, kunnen we meteen aanwijzen waar ze zijn.’
‘Zozo,’ zei Selene. ‘Je laat de Hoorn van Valere dus aan Ingtar over. En de eer.’
‘Ik wil geen...’ Onbedoeld draaide hij zich om en zag haar, zag haar bleekwitte benen in het maanlicht; even onbekommerd alsof ze alleen was. Alsof wij alleen zijn, dacht hij. Ze wil de man die de Hoorn vindt. ‘We kunnen Fajin met z’n drieën niet te pakken krijgen. Ingtar heeft twintig lansiers.’
‘Je weet niet of je dat niet kunt! Hoeveel man heeft die Fajin bij zich? Dat weet je ook niet.’ Haar stem klonk kalm en toch gespannen. ‘Je weet zelfs niet of die mannen daar in het kamp de Hoorn wel bij zich hebben. Dat ontdek je alleen als je zelf daarginds gaat kijken. Neem de alantin mee. Zijn ras heeft scherpe ogen, zelfs in het maanlicht. En hij is sterk genoeg om de Hoorn in de kist mee te nemen, als je de juiste keuze maakt.’
Ze heeft gelijk. Je weet niet zeker of het Fajin is. Het zou niet zo mooi zijn als ze Hurin een verkeerd spoor lieten volgen en dan ontdekt zouden worden door Fajins echte Duistervrienden. ‘Ik ga alleen,’ zei hij, ‘Hurin en Loial zorgen hier voor je veiligheid.’ Lachend kwam Selene op hem af, zo sierlijk dat ze bijna leek te dansen. Maanschaduwen tekenden geheimzinnige sluiers op haar gezicht toen ze naar hem opkeek en het mysterie maakte haar zelfs nog mooier. ‘Ik kan heel goed voor mezelf zorgen tot je weer terug bent om me te beschermen. Neem de alantin mee.’
‘Ze heeft gelijk, Rhand,’ zei Loial terwijl hij opstond. ‘Ik zie beter in het maanlicht dan jij. Met mijn ogen hoeven we misschien niet zo dicht bij hen te komen.’
‘Goed dan.’ Rhand beende naar zijn zwaard en gespte hem om. Hij liet de boog en de pijlen liggen. In het donker had een boog weinig nut en hij wilde alleen kijken, niet vechten. ‘Hurin, laat me zien waar dat kampvuur is.’
De snuiver klauterde voor hem uit, de rots op die als een enorme duim uit de berg stak. Het vuur was maar een puntje, hij zag het de eerste keer niet eens toen Hurin het aanwees. Wie dat had aangelegd, wilde niet dat het werd gezien. Hij onthield de plek. Tegen de tijd dat ze in het kamp terugkwamen, had Loial zijn eigen paard en Rood gezadeld. Toen Rhand op de rug van de vos zat, pakte Selene zijn hand. ‘Denk aan de roem,’ zei ze zachtjes. ‘Denk eraan.’ Het hemd leek haar beter te staan dan hij zich herinnerde; het voegde zich naar haar vormen.
Hij haalde diep adem en trok zijn hand weg. ‘Hurin, je staat met je leven borg voor haar veiligheid. Loial?’ Hij schopte Rood zachtjes in de flanken. Het grote ros van de Ogier stapte achter hem aan. Ze deden geen poging het snel te doen. De nacht lag over de berghellingen en de maan wierp schaduwen die het zoeken van een pad bemoeilijkten. Rhand kon het kampvuur niet meer zien. Het was ongetwijfeld beter verborgen voor ogen op dezelfde hoogte, maar hij had de juiste plek goed in zijn hoofd. Voor iemand die in het dichte groen van het Westwoud had leren jagen, zou het niet moeilijk zijn het vuur te vinden. En wat dan? Hij zag het gezicht van Selene voor zich. Ik zal zo trots zijn als ik naast de man met de Hoorn kan staan. ‘Loial,’ zei hij opeens en probeerde zijn gedachten te ordenen. ‘Wat betekent dat alantin zoals ze jou noemt?’
‘Het is de Oude Spraak, Rhand.’ Het paard zocht zich onzeker een pad, maar de Ogier leidde even zeker als bij daglicht. ‘Het betekent Broeder en het is een afkorting van tia avende alantin. Broeder van de Boom. Boombroeder. Het is een zeer vormelijke aanspreektitel, maar ja, ik heb gehoord dat de Cairhienin heel formeel zijn. De adellijke Huizen tenminste. De gewone mensen die ik heb gesproken, gaven niets om de juiste vormen.’
Rhand dacht diep na. Een schaapherder zou niet echt goed ontvangen worden bij zo’n aanzienlijk Huis met al zijn omgangsvormen. Licht, Mart heeft gelijk. Je bent gek en hebt het ook nog hoog in de bol. Maar als ik kón trouwen...
Hij wilde er niet verder aan denken en voor hij het besefte, had de leegte zich in hem gevormd, waardoor zijn gedachten ver weg waren en bij een ander leken te horen. Saidin glansde en lokte hem. Hij perste zijn tanden op elkaar en negeerde het. Het was net of hij een gloeiend kooltje in zijn hoofd negeerde, maar hij kon het tenminste op afstand houden. Nog net. Hij wilde de leegte loslaten, maar bedacht toen dat de Duistervrienden zich vlakbij bevonden in het nachtelijk duister. Plus de Trolloks. Hij had de leegte, de onbehaaglijke stilte van de leegte nodig. Ik hoef het licht niet aan te raken. Dat hoeft niet.
Een tijd later trok hij de teugels aan. Ze stonden aan de voet van een heuvel en de ver van elkaar staande bomen op de helling staken zwart af tegen de nacht. ‘Ik denk dat we er nu dichtbij zijn,’ zei hij zachtjes. ‘Het is beter als we te voet verder gaan.’ Hij gleed uit het zadel en bond de teugels van de vos aan een tak.
‘Is alles in orde?’ fluisterde Loial, die afsteeg. ‘Je stem klinkt gek.’
‘Niets aan de hand.’ Zijn stem klonk gespannen, besefte hij. Strak. Saidin wenkte hem, nee! ‘Voorzichtig! Ik weet niet zeker hoe ver het nog is, maar dat kampvuur moet ergens voor ons liggen. Boven op de heuvel, denk ik.’ De Ogier knikte.
Rhand sloop langzaam van boom naar boom, zette iedere voet voorzichtig neer en hield zijn zwaard stevig vast, zodat het niet tegen een stam sloeg. Hij was dankbaar dat er geen struiken stonden. Rhand zag alleen de grote schaduw van Loial, die hem volgde. Alles was gehuld in de schaduwen van maan en duisternis. Opeens speelde het maanlicht over de zwarte vormen voor hen en hij verstijfde, terwijl hij de ruwe bast van een iederbladboom aanraakte. Vage hoopjes op de grond werden in dekens gehulde mensen. Op enige afstand zag hij een tweede groepje van grotere vormen. Slapende Trolloks. Ze hadden het vuur gedoofd. In de maneschijn glansde iets van goud en zilver; het stond op de grond, midden tussen de twee groepen. Het maanlicht leek sterker te worden. Een moment zag hij alles heel duidelijk. Dicht bij die glimmende kist zag hij de gestalte van een slapende man, maar zijn ogen werden naar iets anders getrokken. De kist. De Hoorn. Met iets erop. In het maanlicht flitste een puntje rood. De dolk! Waarom zou Fajin de dolk...? Loials enorme hand sloot zich om Rhands mond en over een groot deel van zijn gezicht. Rhand draaide zich om en keek de Ogier aan. Loial wees naar rechts, langzaam, alsof de beweging kon opvallen. Aanvankelijk zag Rhand niets, maar toen bewoog er een schaduw op nog geen tien pas afstand. Een grote, lompe gestalte, met een snuit. De adem bleef Rhand in de keel steken. Een Trollok. En hij hield zijn snuit snuivend omhoog. Sommige Trolloks gingen op de geur af.