De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Heel even dreigde de leegte te verdwijnen. In het kamp van de Duistervrienden bewoog iemand en de Trollok draaide zich om en keek die kant op.
Rhand bevroor en liet zich opgaan in de rust van de leegte. Zijn hand lag op zijn zwaard, maar hij dacht er niet aan. De leegte was alles. Wat moest gebeuren, zou gebeuren. Hij staarde naar de Trollok zonder met zijn ogen te knipperen.
De schaduw met de snuit bleef nog heel even naar het kamp van de Duistervrienden kijken en liet zich toen gerustgesteld langs een boom omlaag zakken. Bijna meteen dreef er een laag geluid naar hen toe alsof iemand grove stof scheurde.
Loial hield zijn mond vlak bij Rhands oor. ‘Hij slaapt,’ fluisterde hij ongelovig.
Rhand knikte. Tham had hem verteld dat Trolloks lui en laks waren, behalve als ze konden moorden of werden voortgedreven door vrees. Hij wendde zich naar het kamp.
Daar was alles stil en rustig. Het maanlicht viel niet meer op de kist, maar hij wist nu welke donkere schaduw het was. In gedachten kon hij hem zien, zwevend buiten de leegte in het saidinschijnsel, goud glanzend en afgezet met zilver. De Hoorn van Valere en de dolk die Mart nodig had, beide binnen handbereik. Selenes gezicht doemde op. Ze konden Fajins groep morgenochtend volgen en Ingtars komst afwachten. Als Ingtar kwam, als hij zonder zijn snuiver het spoor nog had kunnen volgen. Nee, er zou geen betere gelegenheid komen. Alles lag binnen handbereik. Op de berghelling wachtte Selene. Rhand gebaarde Loial hem te volgen en liet zich op zijn buik zakken om naar de kist toe te kruipen. Hij hoorde hoe de Ogier gesmoord naar adem snakte, maar zijn ogen bleven gericht op die ene schaduw voor hem.
Links en rechts van hem lagen Duistervrienden en Trolloks, maar hij had Tham ooit zo dicht bij een hert zien komen dat hij een hand op de flank van het dier had kunnen leggen voor het wegsprong. Hij had geprobeerd iets van Tham te leren. Waanzin! De gedachte schoot vaag langs, bijna buiten bereik. Dit is waanzin! Je – wordt – echt – krankzinnig! Vage gedachten, de gedachten van iemand anders. Langzaam en geruisloos schoof hij kronkelend naar die ene bijzondere schaduw en stak een hand uit. Hij voelde sierlijk goudsmeedwerk. Het was de kist met de Hoorn van Valere. Zijn hand voelde iets anders, op de klep. De dolk, zonder schede. Zijn ogen werden groot in het donker. Toen hij dacht aan wat die dolk met Mart had gedaan, trok hij snel zijn hand terug en trilde de leegte van opwinding.
De man die daar vlakbij lag – op niet meer dan twee pas van de kist; de anderen lagen vele stappen verderop – kreunde in zijn slaap en vocht met zijn dekens. Rhand liet de leegte zijn gedachten en angst verjagen. Na wat slaperig gekreun lag de man weer stil. Rhand liet zijn hand weer naar de dolk glijden, maar raakte hem niet aan. In het begin had Mart er geen last van gehad. Tenminste niet zoveel, niet zo vlug. Met één snelle beweging tilde hij de dolk op, stak hem achter zijn riem en trok zijn hand weg, alsof het zou helpen als hij de dolk maar kort met zijn blote handen aanraakte. Misschien kreeg hij er last van en zou Mart zonder de dolk sterven. Hij kon de dolk voelen, een gewicht dat tegen hem aan drukte. Maar in de leegte waren gevoelens even ver weg als gedachten en de druk van de dolk verminderde snel tot iets gewoons.
Hij verspilde nog een moment en staarde naar de in schaduwen gehulde kist. De Hoorn moest erin liggen, maar hij wist niet hoe hij de kist open moest krijgen en hij kon hem niet alleen optillen. Hij keek om naar Loial en zag de ineengedoken Ogier vlak achter zich. Zijn geweldige hoofd draaide heen en weer, doordat hij beurtelings naar de slapende Duistervrienden en naar de slapende Trolloks keek. Zelfs in de nacht was het duidelijk dat Loials ogen bijna onmogelijk groot waren. In het maanlicht leken ze op schoteltjes. Rhand pakte Loials hand beet.
De Ogier schrok en slaakte een zucht. Rhand hield een vinger tegen zijn lippen, legde Loials hand op de kist en gebaarde: optillen. Even – het leek een eeuwigheid in die nacht, met Duistervrienden en Trolloks overal om hem heen, maar het konden hooguit enkele hartslagen zijn – staarde Loial alleen maar. Toen sloeg hij langzaam zijn armen om de gouden kist en stond op. Het leek hem geen enkele moeite te kosten.
Uiterst behoedzaam, zelfs nog voorzichtiger dan hij naderbij was geslopen, liep Rhand uit het kamp weg, achter Loial en de kist aan. Hij had beide handen aan zijn zwaard en hield de slapende Duistervrienden en de stille Trollokgestalten in de gaten. Al die schaduwvormen werden geleidelijk door het nachtelijk duister opgeslokt. Bijna weg. Het is ons gelukt!
De man die vlak bij de kist had liggen slapen, kwam opeens met een gesmoorde kreet overeind en sprong vervolgens op. ‘Hij is weg! Wakker worden, vee! Hij is wééég!’ Het was de stem van Fajin, zelfs in de leegte herkende Rhand hem. De anderen kwamen moeizaam overeind. Duistervrienden en Trolloks vroegen grauwend en snauwend wat er aan de hand was. Fajins stem verhief zich tot een brullend gehuil. ‘Ik weet dat jij het bent, Altor. Je verbergt je voor mij, maar ik weet dat je er bent! Zoek hem! Zoek hem! Altóóór.’ Mannen en Trolloks verspreidden zich in alle richtingen.
Gehuld in de leegte bleef Rhand doorlopen. Saidin – bijna vergeten toen hij het kamp binnendrong – stuwde naar hem toe. ‘Hij kan ons niet zien,’ fluisterde Loial zachtjes. ‘Als we eenmaal bij de paarden zijn...’
Uit het duister sprong een Trollok op hen af. Hij had een wrede arendssnavel in zijn gezicht waar mond en neus behoorden te zitten en zijn kromme zwaard zwaaide al fluitend door de lucht. Rhand bewoog zonder na te denken. Hij was één met zijn wapen. Kat danst op de muur. De Trollok krijste toen hij viel, en nogmaals toen hij stierf.
‘Hollen, Loial,’ beval Rhand. Saidin wenkte hem. ‘Hollen!’ Hij besefte vaag dat Loial onhandig een logge draf inzette, maar in de nacht verscheen een tweede Trollok met een berensnuit en slagtanden, zijn strijdbijl reeds opgeheven. Moeiteloos gleed Rhand tussen de Trollok en de Ogier. Loial moest tot elke prijs de Hoorn zien te redden. De Trollok stak met kop en schouders boven Rhand uit en was tweemaal zo breed. Hij kwam stil grauwend op Rhand af. Hoveling klapt waaier dicht. Ditmaal klonk er geen schreeuw. Achteruitlopend volgde hij Loial en loerde rond in de nacht. Saidin lokte hem met die aanlokkelijke zang. De Ene Kracht kan ze allemaal verbranden, Fajin en alle anderen tot sintels verkolen. Nee! Nog twee Trolloks, een wolf en een ram, met blikkerende tanden en kromme hoorns. Hagedis tussen de doornen. Hij knielde op een knie en kwam soepel overeind toen de tweede neerging, terwijl zijn hoorns bijna zijn schouders schramden. Het verrukkelijke lied van saidin streelde hem, trok hem aan duizenden zijden koorden naderbij. Verzeng ze allemaal met de Kracht. Nee. Nee! Liever dood dan dat. Als ik dood ben, is het tenminste afgelopen.
Een groepje onzeker rondkijkende Trolloks verscheen. Drie. Vier. Opeens wees er een naar Rhand en begon te janken; tijdens hun aanval volgde de rest zijn voorbeeld.
‘Laten we er een eind aan maken!’ schreeuwde Rhand en stormde op ze af.
Heel even werden ze erdoor verrast en bleven staan. Toen kwamen ze schor brullend aangerend, uitbundig, bloeddorstig met opgeheven zwaarden en bijlen. Op het lied van saidin danste Rhand tussen hen rond. Honingvogel kust de honingroos. Zo sluw, die alles vervullende zang. Kat op brandend zand. Het zwaard in zijn handen leek te leven als nooit eerder en hij vocht alsof hij met zijn reigerzwaard saidin kon afweren. Reiger spreidt zijn vleugels. Rhands ogen gleden over de roerloze gestalten rond hem op de grond. ‘Dood is beter,’ mompelde hij. Hij sloeg zijn ogen op naar de heuvel met het kamp. Daar waren Fajin en zijn Duistervrienden, en nog meer Trolloks. Te veel om te bevechten en het te overleven. Hij deed een stap naar het kamp, en toen nog een.