Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 77 78 79 80 81 82 83 84 85 ... 178
Перейти на страницу:

Rechts van haar zag ze verderop een flakkerende gloed. Een kampvuur. Ze dacht even na voordat ze zich bewoog. Ze had wakker willen worden, maar dat was niet genoeg om uit Tel’aran’rhiod te vertrekken, en ze had nog steeds niets bruikbaars gevonden. Bovendien was ze nergens gewond geraakt. Tot dusver, bedacht ze huiverend. Maar ze had er geen idee van wie of wat er bij dat kampvuur zat. Het zouden Myrddraal kunnen zijn. Bovendien ben ik niet op bossen en rondhollen gekleed. Juist deze laatste gedachte gaf de doorslag: ze ging er prat op dat ze wist wanneer ze zich aanstelde. Ze haalde diep adem, nam haar zijden rokken op en sloop dichterbij. Ze mocht dan wel niet Nynaeves bekwaamheid in woudlopen bezitten, maar ze wist er genoeg van om dode twijgen te vermijden. Ten slotte gluurde ze voorzichtig rond een oude eikenstam naar het kampvuur.

Daar zat een lange jongeman in het vuur te staren. Rhand. Maar de vlammen werden niet door hout gevoed. Voor zover zij zag, verbrandde er helemaal niets. Het vuur danste boven een kale plek. Zo te zien schroeiden de vlammen de grond niet eens.

Voordat ze zich kon bewegen hief Rhand het hoofd op. Ze zag verbaasd dat hij een pijp rookte. Een dunne sliert tobaksrook kringelde uit de kop. Hij zag er moe uit, doodmoe.

‘Wie is daar?’ riep hij luid. ‘Je hebt genoeg bladeren laten ritselen om de doden te wekken, dus kun je je net zo goed laten zien.’ Egwene kneep haar lippen samen, maar ze kwam te voorschijn. Dat deed ik helemaal niet! ik ben het, Rhand. Schrik niet. Het is een droom. Ik moet in jouw dromen zijn.’

Hij kwam zo onverwachts overeind dat ze stokstijf bleef staan. Op de een of andere manier leek hij langer dan ze zich herinnerde. En een beetje gevaarlijk. Misschien meer dan een beetje. Zijn blauwgrijze ogen leken te branden als bevroren vuur.

‘Denk je dat ik niet weet dat het een droom is?’ spotte hij. ‘Maar ik weet dat het daarom nog niet minder werkelijk is.’ Hij staarde nijdig in het duister, alsof hij iemand zocht. ‘Hoe lang blijf je het proberen?’ schreeuwde hij de nacht in. ‘Mijn moeder, mijn vader, en nu haar! Mooie meisjes kunnen me niet met een kus bekoren, zelfs niet een die ik ken! Ik wijs je af, Vader van de Leugen! Ik wijs je af!’

‘Rhand,’ zei ze onzeker, ik ben het. Egwene. Ik ben Egwene.’ Uit het niets verscheen er opeens een zwaard in zijn hand. Het blad bestond uit een enkele vlam, licht gebogen, met de afbeelding van een reiger. ‘Mijn moeder gaf mij honingkoeken,’ zei hij strak, ‘met de stank van gif eromheen. Mijn vader had een mes voor mijn ribben. Zij... zij wilde me kussen, ze bood meer.’ Zweet maakte zijn gezicht glad; zijn starende blik leek haar te kunnen verzengen. ‘Wat bied jij me aan?’

‘Nu zul je eens goed naar me luisteren, Rhand Altor, al moet ik weer boven op je gaan zitten.’ Ze verzamelde saidar en geleidde de stromen om hem in een net van lucht te vangen.

Het zwaard sprong op in zijn handen en brulde als een open oven. Ze kreunde en wankelde. Het voelde aan als een te ver uitgerekt touw dat brak en in haar terugsprong.

Rhand lachte, ik leer bij, zoals je ziet. Als het werkt...’ Hij grijnsde en kwam naar haar toe. ‘Ik kan elk gezicht verdragen, maar dit niet. Niet haar gezicht, daar zul je voor branden!’ Het zwaard haalde uit. Egwene vluchtte.

Ze wist niet hoe, of wat ze had gedaan, maar opeens bevond ze zich weer in de golvende heuvels onder een zonnige hemel, waar de leeuweriken zongen en de vlinders speelden. Ze haalde diep en bevend adem.

Ik heb iets geleerd... Maar wat? Dat de Duistere nog steeds achter Rhand aan zit? Dat wist ik al. Dat de Duistere hem misschien wil doden? Dat is iets nieuws. Tenzij hij al krankzinnig is geworden en niet meer weet wat hij zegt. Licht, waarom kon ik hem niet helpen? O Licht, Rhand!

Ze haalde nog eens diep adem om zichzelf te kalmeren. ‘Hij kan alleen maar geholpen worden door gestild te worden,’ mompelde ze. ‘Nou, dan kan ik hem maar beter doden.’ Haar maag draaide zich om en verkrampte. ‘Dat zal ik nooit doen. Nooit!’

Een roodvink was vlakbij op een wolkbessenstruik neergestreken. Hij hield zijn kopje scheef en keek haar behoedzaam aan. Ze wendde zich tot de vogel. ‘Goed, ik help niemand door hier in mezelf te praten, hè? Of tegen jou.’

De roodvink vloog op toen ze naar het bosje liep. Hij werd een vuurrode vlek bij haar volgende stap en was tussen de struiken verdwenen bij haar derde stap.

Ze stond stil en viste de stenen ring aan het koord uit haar jurk. Waarom veranderde er niets? Tot nog toe was alles zo snel veranderd dat ze nauwelijks op adem had kunnen komen. Waarom gebeurde er nu niets? Ze keek onzeker om zich heen. De wilde bloemen daagden haar uit en de zang van de leeuweriken bespotte haar. Deze plek leek te veel op iets dat zij zelf had gemaakt.

Vastbesloten klemde ze de ter’angreaal stevig vast. ‘Breng me naar de plek waar ik moet zijn.’ Ze sloot de ogen en richtte al haar aandacht op de ring. Per slot van rekening was die van steen en door Aarde kon ze hem beheersen. ‘Doe het. Breng me naar de plek waar ik moet zijn.’ Opnieuw nam ze saidar op en geleidde een druppel van de Ene Kracht in de ring. Ze wist dat de ring geen Kracht nodig had om te werken, en ze probeerde ook niet om hem iets te laten doen. Ze wilde de ring enkel meer Kracht geven om te gebruiken. ‘Breng me naar een plek waar ik een antwoord kan vinden. Ik moet weten wat de Zwarte Ajah wil. Breng me naar het antwoord.’

‘Zo kind, dus je hebt eindelijk de weg gevonden. Hier bevinden zich allerlei soorten antwoorden.’

Egwene sperde haar ogen open. Ze stond in een grote zaal onder een enorm koepelplafond dat gedragen werd door een woud van massieve roodstenen pilaren. Midden in de lucht hing een zwaard van kristal, dat al draaiend glinsterde en flonkerde. Ze wist het niet zeker, maar meende dat dit het zwaard kon zijn dat Rhand in haar droom wilde pakken. Die eerdere droom. Wat ze nu om zich heen voelde, leek zo echt dat ze zichzelf eraan moest blijven herinneren dat dit ook een droom was.

Uit de schaduw van de pilaren strompelde, leunend op een stok, een kromgebogen vrouw te voorschijn. Het woord ‘lelijk’ was nog te simpel om haar te beschrijven. Ze had een bottige puntkin, een nog smallere haakneus en zoveel harige wratten op haar gezicht dat je het gezicht zelf amper nog zag.

‘Wie bent u?’ vroeg Egwene. De enige mensen die ze tot dusver in Tel’aran’rhiod had ontmoet, waren bekenden; ze wist zeker dat ze deze arme oude vrouw nooit had ontmoet, want ze viel niet licht te vergeten. ‘Alleen maar arme ouwe Silvie, mijn vrouwe,’ kakelde het oude wijfje. Ze slaagde erin een soort buiging te maken die als revérence bedoeld was, maar het was ook mogelijk dat ze in elkaar kromp. ‘Ukent de arme ouwe Silvie toch wel, mijn vrouwe? Heeft uw familie al die jaren trouw gediend. Schrikt u nog steeds van dit oude gezicht? Dat geeft niet, mijn vrouwe. Het komt me desgewenst even goed van pas als een knap gezichtje.’

‘Natuurlijk,’ zei Egwene. ‘Het toont kracht. Een goed gezicht.’ Ze hoopte dat de vrouw het geloofde. Wie deze Silvie ook was, ze scheen te denken dat ze Egwene kende. Misschien wist ze ook een paar antwoorden. ‘Silvie, je zei iets over het vinden van antwoorden.’

‘O, voor antwoorden bent u naar de juiste plaats gekomen, mijn vrouwe. Het Hart van de Steen zit vol antwoorden. En geheimen. De hoogheren zullen het niet prettig vinden ons hier aan te treffen, mijn vrouwe. O nee. Alleen hoogheren komen hier. En dienaren, natuurlijk.’ Ze lachte, sluw en piepend. ‘De hoogheren vegen en dweilen niet. Maar wie ziet een dienaar?’

‘Wat voor geheimen?’

Maar Silvie strompelde naar het kristallen zwaard. ‘Samenzweringen,’ zei ze alsof ze in zichzelf praatte. ‘Allemaal net doen of ze de Grote Heer dienen en al die tijd samenzweren en plannetjes maken om terug te winnen wat ze verloren hebben. En elk van hen maar denken dat hij of zij de enige is die samenzweert. Ishamael is een dwaas!’

‘Wat?’ zei Egwene scherp. ‘Wat zei je over Ishamael?’ De oude vrouw draaide zich om en toonde haar een vals, vleierig lachje. ‘Gewoon iets dat ouwe mensen zeggen, vrouwe. Het weert de krachten van Verzakers, ze een dwaas te noemen. Zorgt dat je je goed voelt, en veilig. Zelfs de Schaduw kan er niet tegen om een dwaas te worden genoemd. Probeer het maar, mijn vrouwe. Zeg maar: Ba’alzamon is een dwaas!’

1 ... 77 78 79 80 81 82 83 84 85 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)