Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Egwene richtte zich op. ‘Heer Brin,’ zei ze strak, ‘wat wilt u me tonen?’ Ze meende dat hij bijna even naar Mijrelle keek voor hij antwoord gaf.
‘Het is beter dat u het met eigen ogen ziet, Moeder.’ Egwenes hoofd voelde alsof het openbarstte. Mochten Siuans aanwijzingen nog op iets uitlopen, dan ging ze Mijrelle villen. Als dat niet zo was, ging ze Siuan villen. En om het eerlijk te verdelen zou ze Garet Brin gelijk meenemen.
12
Een geslaagde ochtend
Aan alles op de woeste heuvels en rotshoogten rond het kampement was de droogte en ongewone warmte van het jaargetij af te zien. De hitte van Duistere; zelfs de domste keukenmeid zag hoe de hand van de Duistere op de wereld drukte. Het echte bos lag ten westen achter hen, maar van de rotshellingen rezen gekromde eiken op, bittergombomen, vreemd uitziende naaldbomen en andere Egwene onbekende groeisels. Ze waren bruin, geel en kaal. Niet de kaalheid van de winter, ze dorstten naar vocht en koelte. Ze gingen dood als het weer niet snel omsloeg. Achter het hoofdkamp van de krijgslieden stroomde een rivier naar het zuidwesten, de Reisendrelle, twintig pas breed en aan beide zijden bekneld tussen hardgebakken modder en stenen. Het water kringelde rond rotsen, wat in vroeger dagen de oversteek gevaarlijk zou hebben gemaakt, maar nu reikte het water slechts tot de paardenknieën. Egwene voelde haar eigen moeilijkheden steeds geringer worden. Ondanks haar hoofdpijn wenste ze Nynaeve en Elayne in stilte een goede afloop van hun zoektocht toe, die even belangrijk was als wat zij deed. Belangrijker. De wereld zou doordraaien als zij faalde, maar niet als haar vriendinnen in Ebo Dar zouden falen.
Ze reden in een ontspannen draf naar het zuiden, langzamer wanneer de hellingen in het heuvelland te steil werden of de paarden een lang stuk tussen bomen en schraal struikgewas moesten klimmen. Ze bleven echter zoveel mogelijk op het vlakke land en legden zo een behoorlijke afstand af. Brins ruin met de lange neus stapte sterk en zeker door; het leek hem amper te deren of de grond steil of vlak was, ruw of effen. Daishar hield hem ook gemakkelijk bij. Soms brieste Siuans logge dier, hoewel het beest misschien de bezorgdheid van haar berijdster aanvoelde. Hoe veel en hoe vaak Siuan ook zou oefenen, ze zou een zeer slechte paardrijdster blijven. Ze klemde bijna beide armen rond de nek van de merrie wanneer ze de heuvel opreden, gleed zowat uit het zadel bij het omlaag rijden en wiebelde onzeker op de vlakke weg. Haar ogen waren bijna even groot als die van haar paard. Mijrelle herwon feitelijk weer iets van haar goedgeluimdheid bij het zien van Siuan. Haar eigen witvoetige bruine vos zocht sierlijk als een zwaluw behoedzaam een eigen pad en Mijrelle reed zo losjes dat Brins rijstijl er noeste arbeid bij leek.
Voor ze erg ver hadden gereden, verschenen er ruiters boven op een hoge heuvelrug in het westen, zowat een honderdtal mannen in een lange rij. De opkomende zon glinsterde op borstkurassen, helmen en lanspunten. Vooraan wapperde een vaantje dat Egwene niet goed kon zien, maar ze wist dat het de Rode Hand vertoonde. Ze had niet gedacht hen zo dicht bij het Aes Sedai-kampement tegen te komen. ‘Draakgezworen ongedierte,’ mompelde Mijrelle, kijkend naar de ruiters die evenwijdig aan hun pad meereden. Haar met een handschoen bedekte handen verstrakten zich om de teugels – van woede, niet uit vrees.
‘De Bond van de Rode Hand stuurt verkenners rond,’ zei Brin onbewogen. Na een blik op Egwene voegde hij eraan toe: ‘De laatste keer dat ik hem sprak, leek heer Talmanes zich zorgen over u te maken, Moeder.’ Hij benadrukte dit evenmin als de eerste mededeling. ‘Heb je met hem gepraat?’ Iedere spoortje van Mijrelles waardige kalmte verdween. De kwaadheid die ze voor Egwene moest bedwingen, kon ze veilig op hem loslaten. Ze beefde er bijna van. ‘Dat grenst bijna aan verraad, heer Brin. Dat is wellicht verraad.’ Siuan had haar aandacht verdeeld tussen haar paard en de mannen op de heuveltop en keek niet naar Mijrelle, maar ze verstijfde wel. Niemand had ooit de Bond en verraad met elkaar verbonden.
Ze reden een bocht in een dal door. Tegen de helling klemde zich een boerderij of wat vroeger een boerderij was geweest. Een muur van het kleine stenen huis was ingestort en enkele verkoolde balken reikten als groezelige vingers naar de met roet beslagen schoorsteen. De dakloze schuur was een geblakerd leeg stenen hok en overal lag as die vroegere stallen en hokken aangaf. Over heel Altara hadden ze even erge en nog erger dingen gezien, soms zelfs hele dorpen met lijken op straat die voedsel vormden voor raven, vossen en wilde honden die bij de aankomst van mensen wegvluchtten. De verhalen over wetteloosheid en moord in Tarabon en Arad Doman kregen opeens vlees op de botten. Veel mensen grepen elke uitvlucht aan om rover te worden of oude grieven op te lossen – Egwene hoopte vurig dat het zo was – maar her woord op de lippen van elke overlevende was ‘Draakgezworenen’ en de zusters vonden Rhand net zo schuldig, alsof hij eigenhandig de toortsen en moordwapens had aangewend. Ze zouden hem echter zo nodig wel gebruiken en hem sturen als ze een manier wisten. Zij was niet de enige Aes Sedai die erin geloofde te doen wat ze moest doen, ook al vond ze het afschuwelijk. Mijrelles boosheid maakte evenveel indruk op Brin als regen op een rotsblok. Egwene zag opeens een beeld van stormen die rond zijn hoofd draaiden en wervelende waterstromen rond zijn knieën, terwijl hij gewoon verder stapte. ‘Mijrelle Sedai,’ zei hij met de kalmte die zij had moeten tonen, ‘wanneer ruim tienduizend man mij op de hielen volgen, wil ik weten wat hun bedoelingen zijn. Vooral déze tienduizend man.’
Dit was een gevaarlijk onderwerp. Hoe gelukkig Egwene er ook mee was dat Talmants’ bezorgde vragen over haar vergeten waren, had ze boos moeten zijn dat hij haar zomaar had genoemd. Maar ze schrok zo dat ze als een veer in haar zadel omhoogschoot. ‘Tienduizend? Weet je het zeker?’ De Bond was nog maar half zo groot toen Mart het leger naar Salidar had geleid om achter haar en Elayne aan te gaan.
Brin trok slechts zijn schouders op. ‘Ik krijg er tijdens de tocht nieuwe krijgslieden bij en hij ook. Niet zoveel, maar verschillende mannen hebben hun bedenkingen over het dienen van Aes Sedai.’ Maar weinig mensen zouden zich op hun gemak voelen wanneer ze zoiets tegen drie zusters hadden moeten zeggen, maar hij zei het met een grimmige glimlach. ‘Bovendien heeft de Bond na de veldslagen in Cairhien blijkbaar een zeker aanzien verworven. Het verhaal gaat dat Shen an Calhar nooit verliest, hoe groot de tegenstand ook is.’ Daardoor sloten mannen zich aan, zowel hier als de afgelopen tijd in Altara, in de gedachte dat twee legers bij elkaar vanzelf in een veldslag zou eindigen. Een poging afzijdig te blijven kon weleens even slecht uitvallen als het kiezen van de verkeerde kant. Op zijn best viel er voor afzijdigen niets meer te halen, ‘Ik heb enkele weglopers van Talmanes’ nieuwe soldaten in mijn gelederen. Sommigen lijken te denken dat het geluk van de Bond verbonden is met dat van Mart Cauton, en dus niet bestaat als hij er niet is.’
Iets wat bijna hoon was deed Mijrelles lippen vertrekken. ‘Die angst van dwaze Morlanders is zeker nuttig, maar ik dacht niet dat u ook zo’n dwaas was. Talmanes volgt ons omdat hij bang is dat we tegen zijn dierbare Drakenheer optrekken, maar als hij ons echt wil aanvallen, zou hij dat dan inmiddels volgens u al niet hebben gedaan? Die Draakgezworenen kunnen aangepakt worden wanneer belangrijker zaken afgehandeld zijn. Maar om met ze te praten...’ Ze sterkte zich, ging rechtop zitten en slaagde erin haar ernstige kalmte te herwinnen. Oppervlakkig gezien tenminste. Haar stem kon nog steeds hout schroeien. ‘Luister goed naar me, heer Brin...’