Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Egwene draaide zich in het zadel om zodat ze zeker wist, dat Mijrelle nog steeds volgde. Dat deed ze; ze gaf haar paard de vrije teugel terwijl ze een verre, ietwat misselijke blik vertoonde. Siuan had achteraan een plaatsje gevonden, als een herderin bij verdwaalde schapen. Wellicht was ze bang haar rijdier aan te sporen, de vaalgrijze was overduidelijk een zacht eitje, maar Siuan zou een kinderpaardje nog als een oorlogsros behandelen.
Egwene voelde een steek van ergernis over haar eigen rijdier. Hij heette Daishar, Zege in de Oude Spraak. Ze had veel liever op Bela willen rijden, een ruige kleine merrie, niet veel groter dan Siuans vaalgrijze paard. Op Bela was ze uit Emondsveld weggereden. Soms kreeg ze het idee dat ze een pop was, schrijlings op een ruin die voor een krijgsros kon doorgaan, maar de Amyrlin diende een behoorlijk rijdier te hebben. Geen ruig karrenpaard. En ook al had ze deze regel zelf gemaakt, ze voelde zich even ingeperkt als een novice.
Ze keerde zich weer en vroeg: ‘Verwacht u nog tegenstand, heer Brin?’ Hij keek haar zijdelings aan. Ze had vlak voor hun vertrek uit Salidar hetzelfde gevraagd en tweemaal bij hun tocht door Altara. Niet genoeg om achterdocht te wekken, dacht ze.
‘Morland lijkt op Altara, Moeder. Iedere man heeft het te druk met intriges tegen zijn buurman of met hem te vuur en te zwaard te bestrijden. Alleen voor een oorlog zullen ze zich bij elkaar aansluiten, en zelfs dan zal het met tegenzin zijn.’ Hij zei het heel droog. Hij was kapitein-generaal geweest van de koninginnengarde in Andor en had jaren van grensgeschillen met de Morlanders achter zich. ‘Ik ben bang dat Andor een ander verhaal zal zijn. Ik kijk er niet naar uit.’ Hij voerde het paard een zacht glooiende helling op om drie wagens te vermijden die hotsend over de rotsen hun kant opkwamen. Egwene probeerde haar gezicht strak te houden. Andor. Eerder had hij slechts nee gezegd. Ze bevonden zich nu in de uitlopers van de Cumbar-heuvels, iets ten zuiden van Lugard, de hoofdstad van Morland. Als de tocht voorspoedig verliep, lag de grens met Andor nog maar tien dagen verder.
‘En wanneer we Tar Valon bereiken, heer Brin, welk plan heeft u dan om de stad in te nemen?’
‘Dat heeft nog niemand me gevraagd, Moeder.’ Zojuist had ze gedacht dat zijn stem droog was, maar nu leek die recht uit de Woestenij te komen. ‘Tegen de tijd dat we bij Tar Valon aankomen, zal ik, als het Licht het wil, twee- tot driemaal zoveel mannen hebben als nu.’ Egwene kromp ineen bij de gedachte dat zoveel krijgslieden ook betaald moesten worden, maar hij leek het niet te merken. ‘Daarmee sla ik een belegering rond de stad. Het moeilijkste zal zijn om schepen te vinden om af te zinken, zodat de Noord- en Zuidhaven afgesloten worden. De havens zijn evenzeer een sleutel tot de stad als de brugsteden, Moeder. Tar Valon is groter dan Cairhien en Caemlin samen. Als er geen voedsel meer wordt aangevoerd...’ Hij trok zijn schouders op. ‘Een groot deel van oorlog is wachten, wanneer je niet optrekt of terugtrekt.’
‘En als je niet zoveel krijgslieden hebt?’ Ze had er nooit aan gedacht dat al die mensen, waaronder vrouwen en kinderen, honger zouden lijden. Het was nooit echt doorgedrongen dat anderen er ook bij betrokken zouden raken. Niet alleen Aes Sedai en krijgslieden. Hoe had ze zo stom kunnen zijn? Ze had de gevolgen van een oorlog in Cairhien gezien. Brin leek het licht op te vatten, maar ja, hij was een krijgsman. Ontberingen en dood moesten in een oorlog een alledaags gebeuren zijn. ‘Wat gebeurt er als u, laten we zeggen, alleen hebt wat u nu hebt?’
‘Een belegering?’ Blijkbaar was iets van hun woorden eindelijk door Mijrelles gemijmer heen gebroken. Ze spoorde de ruin aan waardoor een aantal mannen opzij moest springen en sommigen plat op de grond vielen. Enkelen wilden al gaan schelden, maar toen ze haar leeftijdloze gelaat zagen, klemden ze hun kaken op elkaar, laaiend. Desondanks hadden ze voor haar net zo goed niet kunnen bestaan. ‘Artur Haviksvleugel heeft Tar Valon twintig jaar belegerd en het is hem niet gelukt.’ Opeens besefte ze dat iedereen haar kon horen en ze ging zachter praten, maar het klonk nog steeds bits. ‘Verwacht u dat wij twintig jaar willen wachten?’
De bijtende toon gleed van Garet Brin af zonder een spatje achter te laten. ‘Heeft een rechtstreekse aanval dan uw voorkeur, Mijrelle Sedai?’ Het was of hij haar vroeg of ze wel of geen honing in de thee wenste. ‘Verschillende van Haviksvleugels generaals hebben het geprobeerd en werden afgeslacht. Geen enkel leger heeft ooit een bres in de muren van Tar Valon geslagen.’
Dat was niet geheel waar, wist Egwene. In de Trollok-oorlogen had een Trollokleger onder Gruwheren zelfs een deel van de Witte Toren geplunderd en gebrandschat. Aan het eind van de Oorlog van de Tweede Draak had een leger geprobeerd Guaire Amalasan te redden voor hij werd gestild, en dat was ook tot de Toren doorgedrongen. Mijrelle kon dat echter niet weten en Garet Brin evenmin. Toegang tot die verborgen verslagen, diep in de librije van de Toren, was verboden door een wet die zelf geheim was, en het onthullen van het bestaan van die verslagen of van de wet betekende verraad. Siuan had gezegd dat er tussen de regels van deze verslagen ook aanwijzingen te vinden waren van feiten die zelfs daarin niet waren vastgelegd. De Aes Sedai waren, wanneer ze dat nodig achtten, heel goed in het verbergen van de waarheid, zelfs voor zichzelf.
‘Met honderdduizend of met wat ik nu heb,’ vervolgde Brin, ‘zal ik de eerste zijn. Indien ik de havens kan afsluiten. De generaals van Haviksvleugel hebben dat nooit gekund. De Aes Sedai hadden steeds de ijzeren kettingen tijdig opgetrokken om de schepen vóór de havenmonding tegen te houden, zodat ze niet op de goede plaats konden worden afgezonken om de aanvoer te stoppen. Voedsel en voorraden kwamen de stad in. Uiteindelijk komt het tot uw gewenste aanval, maar pas als de stad verzwakt is, als ik het voor het zeggen heb.’ Zijn stem klonk nog steeds... gewoon. Een man die een uitstapje besprak. Zijn hoofd wendde zich naar Mijrelle en al bleef hij hetzelfde, iets van spanning was zelfs achter het vizier in zijn ogen zichtbaar. ‘En u allen hebt ermee ingestemd dat ik dat bij krijgszaken zou hebben. Ik ga geen mannen de dood in jagen.’
Mijrelle wilde wat zeggen maar deed haar mond langzaam weer dicht. Het was duidelijk dat ze niet wist wat ze moest zeggen. Ze hadden hun woord gegeven, zij en Sheriam en de anderen die alles hadden geregeld op de dag dat hij in Salidar verscheen, hoe bitter die gift ook smaakte. Hoe hard de Gezetenen er ook onderuit trachtten te komen. Zij hadden hun woord niet gegeven. Brin deed echter alsof ze dat wel hadden gedaan en tot dusver had hij steeds aan het langste eind getrokken. Tot dusver.
Egwene voelde zich ziek. Zij had een oorlog meegemaakt. Door haar hoofd flitsten beelden van strijdende mannen die zich moordend een weg baanden door de straten van Tar Valon, beelden van stervende mensen. Haar ogen vielen op een kauwende kerel met een vierkante kaaklijn die zijn piek scherpte. Zou hij in die straten de dood vinden? De grijzende kalende man die zijn vingers zo zorgvuldig langs iedere pijl liet glijden voor hij de schacht in de koker liet zakken? En die daar. Die jongen die wat wankelde in zijn hooggehakte rijlaarzen, leek nog te jong om zich te scheren. Licht, wat waren er veel jongens bij. Hoeveel zouden er sterven? Voor haar. Voor gerechtigheid, voor het recht. Voor de wereld, maar diep in zich besefte ze: voor haar. Siuan hief haar hand, maar maakte het gebaar niet af. Als ze dichterbij was geweest, had ze de Amyrlin Zetel op haar schouder kunnen kloppen, maar dan had iedereen het gezien.