Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Ze wil de Zaal een voorstel voorleggen,’ bracht Lelaine bits naar voren, weigerend Romanda aan te kijken. Dat ze het eens was met de ander deed haar zeker even weinig plezier als het feit dat ze als tweede aan het woord kwam. Romanda besefte dat ze een licht voordeel had behaald en glimlachte, een zwak krullen van haar lippen.
‘Waarover?’ vroeg Egwene, tijd winnend. Ze wist bijna zeker wat het was. Het was heel moeilijk niet hardop te zuchten. Het was heel moeilijk niet over haar slapen te strijken.
‘Over de Zwarte Ajah, natuurlijk, Moeder,’ antwoordde Varilin, die keek alsof de vraag haar verbaasde, waar ze ook reden toe had. Delana was hoorndol van dat onderwerp. ‘Ze wil dat de Zaal Elaida openlijk veroordeelt en uitmaakt voor een lid van de Zwarte Ajah.’ Ze zweeg opeens toen Lelaine haar hand ophield. Lelaine gaf haar volgelingen wat meer ruimte dan Romanda, al kon het ook zijn dat haar greep wat minder sterk was.
‘U moet met haar praten, Moeder.’ Lelaine had een warme glimlach, wanneer ze dat wenste. Siuan had verteld dat ze ooit vriendinnen waren geweest – Lelaine had haar met een vorm van welkom weer aanvaard – maar Egwene vond die glimlach een geoefend gereedschap. ‘En wat moet ik zeggen?’ Haar handen jeukten om haar hoofdpijn weg te wrijven. Deze twee zorgden er elk voor dat de Zaal alleen goedkeurde wat zij wilde, en zeker heel weinig van wat Egwene voorstelde, met als gevolg dat er eigenlijk bijna niets werd goedgekeurd. Wilden deze twee nu dat zij tegen een Gezetene optrad? Delana steunde weliswaar Egwenes voorstellen, maar alleen wanneer het haar uitkwam. Delana was een windvaan die met ieder zuchtje meedraaide, en als ze de laatste tijd wat vaker Egwenes richting uit zwaaide, betekende dat niet zoveel. De Zwarte Ajah leek haar enige vaste zorg te zijn. Waar bleef Siuan toch?
‘Zeg haar ermee op te houden, Moeder.’ Lelaines glimlach en toon gaven Egwene de indruk dat ze een geliefde dochter goede raad gaf. ‘Deze dwaasheid is meer dan waanzin, het maakt iedereen onrustig. Er zijn zelfs al zusters die het beginnen te geloven, Moeder. Binnen de kortste keren zal het idee zich onder de bedienden en krijgslieden verspreiden.’ Haar blik op Brin was een en al twijfel. Brin leek een poging te doen wat te praten met Mijrelle die naar de afgeschermde groep staarde en verontrust de teugels door haar in handschoenen gehulde handen liet glijden.
‘Geloven wat duidelijk is, is niet dwaas,’ blafte Romanda. ‘Moeder’ -in haar mond klonk het veel te veel als ‘kind’ – ‘de reden dat Delana de mond gesnoerd dient te worden is dat ze geen goed doet en behoorlijk veel schade aanricht. Misschien is Elaida een Zwarte zuster, al koester ik grote twijfel over de geruchten uit de tweede hand die dat mens Halima ons heeft gebracht. Elaida is in hoge mate eigenwijs, maar ik kan niet geloven dat ze slecht is. En al was ze dat toch, dan nog zullen die wilde beschuldigingen buitenstaanders achterdochtig maken jegens iedere Aes Sedai en de Zwarten nog verder in hun schuilplaatsen doen kruipen. Er zijn manieren om ze uit te graven, als we ze niet op de vlucht jagen.’
Lelaine snoof bijna met opgetrokken neus. ‘Zelfs als die onzin waar is, zal geen enkele zuster met enige waardigheid jouw aanpak willen ondergaan, Romanda. Wat jij hebt voorgesteld wankelt op het randje van marteling.’ Egwene knipperde verward met haar ogen. Noch Siuan of Leane hadden haar hierover iets doorgegeven. Gelukkig schonken de Gezetenen haar zo weinig aandacht dat ze het niet eens merkten. Zoals gewoonlijk.
Romanda plantte haar vuisten in de zij en stelde zich vierkant voor Lelaine op. ‘Wanhopige dagen vereisen wanhopige maatregelen. Men zou kunnen vragen waarom iemand haar waardigheid belangrijker acht dan het vinden van dienaren van de Duistere.’
‘Dat lijkt gevaarlijk veel op een beschuldiging,’ zei Lelaine, haar ogen half toegeknepen.
Nu was het Romanda die glimlachte, een koude stekelige lach. ‘Ik zal de eerste zijn die zich aan mijn aanpak onderwerpt, Lelaine, als jij de tweede bent.’
Lelaine gromde echt en kwam een halve stap dichterbij, terwijl Romanda zich met uitgestoken kin naar haar toeboog. Ze leken bereid te zijn elkaar de haren uit te trekken en in het zand te gaan vechten, waarbij elke Aes Sedai-waardigheid vergeten zou worden. Varilin en Takima keken elkaar even woest aan als twee dienstmeiden die hun meesteres steunden. Een wadvogel op hoge poten die een winterkoninkje uitdaagde. Het hele stel leek Egwene volkomen vergeten te zijn. Siuan kwam aanhollen met een grote strohoed op. Ze leidde een dikke vaalgrijze merrie met witte enkels en kwam glijdend tot stilstand bij het zien van de afgeschermde groep. Een stalknecht vergezelde haar, een magere kerel met een lang rafelig vest en een versteld hemd die de teugels van een grote ruin vasthield. Hij zag de bannen niet, maar de gezichten des te beter. Zijn ogen sperden zich wijd open en hij begon langs zijn lippen te likken. Ook andere voorbijgangers liepen met een grote boog om dit alles heen en deden of ze niets zagen, zowel Aes Sedai, zwaardhanden als bedienden. Alleen Brin bekeek hen fronsend, alsof hij zich afvroeg wat er voor zijn oren verborgen werd gehouden. Mijrelle bond haar zadeltassen weer vast, duidelijk van plan weg te rijden.
‘Wanneer jullie hebben besloten wat ik behoor te zeggen,’ verkondigde Egwene, ‘kan ik beslissen wat ik ga doen.’ Ze waren haar écht vergeten. Het viertal staarde haar verbijsterd aan, terwijl ze tussen Romanda en Lelaine door de dubbele ban uitstapte. Ze voelde natuurlijk niets terwijl ze door de stromen schreed. Die waren er niet op gemaakt om zoiets stevigs als een lichaam tegen te houden. Mijrelle klauterde op haar ruin, haalde diep adem en straalde berusting uit. De bannen waren verdwenen, al waren de twee Gezetenen nog steeds gehuld in een saidargloed. Toekijkend was ieder van hen een nog sterker beeld van ergernis dan de ander. Haastig deed Egwene de dunne linnen stofmantel om die voor haar op het zadel was gelegd en trok haar rijhandschoenen uit een klein mantelzakje. Een donkerblauwe hoed met een brede rand hing aan de hoge boog van haar zadel. Hij paste bij haar gewaad, net als de waaier van witte pluimen die schuin over de voorkant hing, wat duidelijk Chesa’s hand verried.
De hitte kon ze negeren, maar het felle zonlicht was een andere zaak. Ze maakte de speld van de veren los, stopte ze in de zadeltas, zette de hoed op en maakte de linten onder haar kin vast.
‘Zullen we gaan, Moeder?’ vroeg Brin. Hij zat reeds in het zadel. De helm die aan zijn zadel had gehangen, verborg nu zijn gezicht half achter stalen spijlen. Bij hem leek het heel natuurlijk, alsof hij in een harnas geboren was.
Ze knikte. Er werd geen poging gedaan hen tegen te houden. Lelaine zou zonder te aarzelen in het openbaar ‘stop’ roepen, maar Romanda... Egwene voelde zich ondanks haar barstende hoofdpijn opgelucht toen ze wegreed. Wat móést ze met Delana aan? Wat kón ze doen? De hoofdweg in die streek, een breed zandpad dat zo hard was dat er geen stof van opwolkte, liep door het legerkamp en over de scheiding met het kampement van Aes Sedai. Brin stak het schuin over, en reed tussen de rest van het leger aan de andere kant door. Hoewel het legerkamp dertigmaal zoveel mensen bevatte als het Aes Sedai-kamp, leken er naar verhouding veel minder tenten voor hen te zijn dan voor de zusters en hun bedienden. Het kamp strekte zich uit over de vlakte en de hellingen. De meeste krijgslieden sliepen onder de open hemel. Het was evenwel moeilijk je de laatste regenbui te herinneren en er was zeker geen wolkje te bekennen. Vreemd genoeg waren er hier meer vrouwen dan in het kamp van de zusters, hoewel het er bij een eerste blik tussen al die mannen minder leken. Koks waren bezig met potten en pannen en wasvrouwen met grote stapels kleren, terwijl sommigen paarden of wagens nakeken. Een behoorlijk aantal leek vrouwen van krijgslieden. Zij zaten tenminste te breien of kleren te verstellen of roerden in kleine pannen. Bijna overal hadden wapensmeden hun tenten opgericht. Hamers lieten staal schallen op aambeelden, pijlenmakers voegden pijlen toe aan de bossen aan hun voeten en hoefsmeden keken de paarden na. Overal stonden wagens in alle soorten en maten, honderden, misschien wel duizenden. Het leger leek alles mee te sleuren wat het onderweg tegenkwam. De meeste bevoorraders waren reeds op pad, maar enkele karren op hoge wielen en een wagentrein hotsten nog weg, op zoek naar boerderijen en dorpen. Hier en daar hieven krijgslieden een gejuich aan toen ze voorbijreden. ‘Heer Brin!’ en: ‘De Stier! De Stier!’ Dat was zijn wapen. Niemand riep iets over Aes Sedai of de Amyrlin Zetel.