Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Wilders,’ zei Siuan neerbuigend, maar het ontbeerde kracht.
‘Aes Sedai dan. Ik werd niet tot Amyrlin verheven omdat ik de sterkste was. De Zaal kiest de verstandigste vrouw als gezant of raadsvrouwe, de behendigste in elk geval, niet degene met de meeste Kracht.’ Ze kon maar beter verzwijgen waarin die zuster kundig moest zijn, al bezat Siuan de bijzondere vaardigheden zeker.
‘De Zaal? De Zaal laat me thee zetten. Misschien laten ze me vegen na afloop van een zitting.’
Egwene schoof naar achteren op haar stoel en gooide de pen neer. Ze wilde de vrouw door elkaar rammelen. Siuan had doorgezet terwijl ze helemaal niet kon geleiden en nü kreeg ze slappe knieën? Egwene stond op het punt haar over Theodrin en Faolain te vertellen; dat zou haar opkikkeren en haar goedkeuring krijgen. Maar toen zag ze langs de openstaande tent een lichtbruine vrouw rijden, die in gedachten verzonken leek onder haar grote grijze zonnehoed. ‘Siuan, daar is Mijrelle.’ Ze liet de ban los en snelde naar buiten. ‘Mijrelle!’ riep ze. Siuan had een overwinning nodig om de smaak van gekoeioneerd te worden uit haar mond te krijgen en dit kon er een zijn. Mijrelle hoorde bij Sheriams groepje en had blijkbaar een persoonlijk geheim.
Mijrelle trok de teugels aan van haar roodbruine ruin en keek rond. Ze schrok toen ze Egwene zag. Aan haar gezicht te zien had de Groene zuster niet beseft door welk gedeelte van het kamp ze reed. Een dunne stofmantel hing over de rug van haar lichtgrijze rijkleding. ‘Moeder,’ zei ze aarzelend, ‘met uw verlof...’
‘Dat krijg je niet,’ onderbrak Egwene haar, waardoor de andere vrouw ineenkromp. Elke twijfel dat Mijrelle alles van de vorige avond al van Sheriam had vernomen verdween, ‘Ik wil met je praten. Nu meteen.’
Siuan was eveneens naar buiten gekomen. Ze keek echter niet naar de zuster die verontrust afsteeg, maar staarde tussen de tenten door na. ar een magere grijzende man in een gehavend kuras dat over zijn vaalbruine jas was gegord. Hij voerde een grote vos aan de hand mee en zijn aanwezigheid was verrassend. Heer Brin gaf zijn berichten meestal mee aan een boodschapper en zijn zeldzame bezoeken waren gewoonlijk afgelopen voor Egwene van zijn komst had gehoord. Siuan trok het plechtstatige gezicht van een Aes Sedai, zodat je haar jeugdige trekken bijna vergat.
Na een korte blik op Siuan boog Brin kort zijn been, waarbij hij zijn zwaard met een gemakkelijke sier opzij hield. Hij had een verweerd en gebruind uiterlijk en was redelijk lang, maar hij leek veel groter dan hij was. Er was niets opzichtigs aan hem. Het zweet op zijn brede gezicht gaf de indruk dat hij het druk had. ‘Moeder, kan ik u spreken ? Alleen?’
Mijrelle draaide zich om alsof ze wilde vertrekken, maar Egwene snauwde: ‘Jij blijft hier. Blijf waar je bent!’ Mijrelles mond zakte open. Haar verbazing gold zowel haar eigen gehoorzaamheid als Egwenes besluitvaardigheid. Haar gezicht verflauwde tot bittere berusting, wat ze snel achter koele trekken verborg, al werden die geloochenstraft door de manier waarop ze met de teugels speelde.
Brin knipperde niet eens met zijn ogen, hoewel hij volgens Egwene zeker iets van de toestand begreep. Ze vermoedde dat weinig zaken hem verbaasden of verontrustten. Telkens was één blik op hem al voldoende om Siuans stekels overeind te krijgen, want het was overduidelijk dat zij meestal met de ruzie begon. Haar vuisten rustten reeds op haar heupen en ze keek hem strak aan, met een stekende blik die iedereen ongemakkelijk zou hebben gemaakt, zelfs als hij niet van een Aes Sedai was gekomen. Mijrelle zou meer opleveren dan hulp voor Siuan. Misschien. ‘Ik was van plan u vanmiddag uit te nodigen, heer Brin. Bij deze nodig ik u dus uit.’ Ze had vragen voor hem. ‘Neemt u me niet kwalijk dat we vanmiddag verder praten.’
Hij liet zich echter niet wegsturen en zei: ‘Moeder, een groep verkenners is vlak voor zonsopkomst op iets gestuit. Iets waarvan ik denk dat u het zelf hoort te zien. Ik kan snel voor begeleiding zorgen...’
‘Dat is niet nodig,’ onderbrak ze hem snel. ‘Mijrelle, jij gaat mee. Siuan, kun je iemand vragen mijn paard te halen, alsjeblieft. Zo snel mogelijk.’
Een ritje met Mijrelle zou beter zijn dan haar hier ter verantwoording te roepen, als de aanwijzingen die Siuan had verkregen echt op iets wezen, en al rijdend kon ze Brin haar vragen stellen. Die twee dingen hadden haar haast echter niet veroorzaakt. Ze had net een flits opgevangen van Lelaine die tussen de tenten kwam aanschrijden, met Takima naast zich. Op een enkele uitzondering na waren alle vrouwen die voor Siuans afzetting Gezetenen waren geweest, in Lelaines dan wel Romanda’s kamp beland. De meeste nieuwe Gezetenen hadden een eigen koers uitgezet, wat volgens Egwene iets beter was. Een heel klein beetje.
Zelfs op die afstand was duidelijk te zien hoe strak Lelaines schouders stonden. Ze leek bereid door alles heen te benen wat haar voor de voeten kwam. Siuan zag haar ook en schoot weg zonder zich tijd te gunnen voor een knix, al kon ze eigenlijk niet netjes vertrekken, tenzij ze op Brins paard sprong.
Lelaine plantte zich voor Egwene neer, maar keek Brin nagelscherp aan, bedenkend en overwegend wat de man hier deed. Ze had echter een grotere vis op te dienen, ‘Ik moet de Amyrlin spreken,’ zei ze gebiedend terwijl ze naar een plekje naast Mijrelle wees. ‘Jij wacht, met jou wil ik hierna praten.’ Brin boog, zij het niet zo diep en leidde zijn paard naar de aangewezen plaats. Mannen die enigszins bij hun verstand waren, leerden spoedig dat een ruzie met een Aes Sedai weinig hielp en dat je bij een Gezetene het onderspit dolf, stond bij voorbaat vast.
Voor Lelaine echter haar mond kon opendoen, stond Romanda naast haar. Zij was zo overheersend aanwezig dat Egwene Varilin aanvankelijk niet eens opmerkte, terwijl die slanke roodharige Grijze Gezetene toch een paar duim langer was dan de meeste mannen. De enige verrassing was dat Romanda niet eerder was verschenen. Zij en Lelaine beloerden elkaar als haviken en geen van beiden gunde de ander enige tijd alleen met Egwene. Zowat tegelijk omhulde de gloed van saidar beide vrouwen en ieder weefde een ban rond het vijftal om afluisteren te voorkomen. Hun ogen botsten uitdagend in uiterlijk koele en beheerste gezichten, maar geen van beiden loste haar ban.
Egwene beet op haar tong. In het openbaar besloot de sterkste zuster in een groep of een gesprek afgeschermd werd en het gebruik zei dat de Amyrlin die beslissing nam wanneer zij aanwezig was. Ze had echter geen zin in valse verontschuldigingen als ze er wat van zou zeggen. Als ze erop stond, zouden ze natuurlijk toegeven, maar zich dan net gedragen alsof ze een zeurend kind op haar gemak stelden. Ze beet op haar tong en ziedde inwendig. Waar was Siuan? Dat was niet eerlijk – paarden laten zadelen duurde langer dan een paar tellen – maar eigenlijk wilde ze haar rok grijpen om niet met beide handen haar hoofd te omvatten.
Romanda beëindigde als eerste de staar-wedstrijd, al was ze niet verslagen. Ze wendde zich zo onverwacht tot Egwene dat Lelaine achterbleef met een blik in de leegte en er dwaas uitzag. ‘Delana maakt weer moeilijkheden.’ Haar hoge geknepen stem klonk bijna lief en tegelijk scherp, wat haar volslagen gebrek aan achting benadrukte. Romanda’s haar was geheel grijs, bijeengebonden in een keurig knotje in de nek, maar haar leeftijd had haar zeker niet zachter gemaakt. Takima, met haar lange zwarte haren en huid als van oud ivoor, was al bijna negen jaar Gezetene voor de Bruinen. Ze trad in de Zaal even ferm op als tijdens haar lessen, maar ze stond met gevouwen handen bescheiden een pas naar achteren. Romanda leidde haar groep even streng als Sorilea. Zij was een zuster voor wie sterkte inderdaad het enig belangrijke was en Lelaine leek daarin niet voor haar onder te doen.