De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
De Aes Sedai aarzelde, ik neem aan dat je dat mag, aangezien jullie het ongeluk hadden hem te vinden. Uiteindelijk zal de Amyrlin moeten beslissen, maar na alles wat er is gebeurd, neem ik aan dat ze dit stil wil houden. Nog meer geruchten kunnen we niet gebruiken. Je praat er met niemand over, alleen met mij of de Amyrlin, als zij erover begint.’
‘Ja, Aes Sedai,’ zei Egwene heftig. Nynaeves stem klonk koeler. Sheriam leek hun gehoorzaamheid gewoon te vinden. Ze liet niet merken dat ze het had gehoord. Haar aandacht was op de dode man gericht. De grijzel. De zielloze. ‘We kunnen het feit niet verbergen dat hier een man werd vermoord.’ De gloed van de Ene Kracht omgaf haar opeens en even plotseling dekte een lange lage koepel het lijk op de vloer af, mistig en zo matgrijs dat heel moeilijk te zien was dat er een lijk onder lag. ‘Maar dit kan ervoor zorgen dat anderen die zijn aard kunnen ontdekken, hem aanraken. Ik moet dit laten weghalen voor de Novices terugkomen.’
Haar scheef staande groene ogen namen hen op alsof opeens tot haar doordrong dat ze daar niet alleen was. ‘Jullie tweeën, ga. Naar je kamer, denk ik, Nynaeve. Denk maar aan wat jullie al te horen hebben gekregen, en als nou ook nog bekend wordt dat jullie hierbij zijn betrokken... Ga.’
Egwene maakte een kniebuiging en trok aan Nynaeves mouw, maar Nynaeve bleef staan en vroeg: ‘Waarom was u hier, Sheriam Sedai?’ Heel even leek Sheriam geschokt, maar het volgende moment keek ze hen met diepe rimpels in het voorhoofd aan. Met de vuisten in haar zij keek ze Nynaeve met al het gezag van haar ambt aan. ‘Heeft de Meesteresse der Novices tegenwoordig een reden nodig om naar het Novicekwartier te komen. Aanvaarde?’ zei ze zachtjes. ‘Stelt een Aanvaarde nu al vragen aan een Aes Sedai? De Amyrlin Zetel is van plan iets van jullie tweeën te maken, maar of ze dat nu wel of niet doet, ik kan jullie wel enkele manieren bijbrengen. Weg met jullie tweeën, voordat ik je naar mijn kamer sleep voor een andere afspraak dan die van de Amyrlin Zetel.’
Opeens viel Egwene iets in. ‘Vergeef me, Sheriam Sedai,’ zei ze snel, ‘maar ik wil mijn mantel halen. Ik heb het koud.’ Ze liep snel weg, de galerij rond, voor de Aes Sedai kon antwoorden. Als Sheriam die kruisboogpijl voor haar deur vond, zouden er te veel vragen worden gesteld. Dan zou waarschijnlijk duidelijk worden dat ze de man niet alleen maar hadden gevonden en dat die iets met hen te maken had. Maar toen ze de deur van haar kamer bereikte, was de zware schacht verdwenen. Alleen de grijzige kras in de steen ernaast maakte zichtbaar dat er een was geweest.
Egwene kreeg kippenvel. Hoe was het iemand gelukt zonder gezien te worden... Nog een grijzel! Voor ze het wist, had ze saidar al omarmd en alleen de zoete stroom in haar maakte voelbaar wat ze had gedaan. Desondanks was het openen van haar kamerdeur en naar binnen gaan het moeilijkste uit haar leven. Er was niemand. Ze graaide de witte mantel van de haak en rende weg. Ze liet saidar pas los toen ze de anderen zag.
Er was tijdens haar afwezigheid meer voorgevallen. Nynaeve deed een poging er mak uit te zien, maar haar ogen schoten vuur. Sheriam stond met beide vuisten in haar heup geërgerd met haar schoen te tikken en haar op Nynaeve gerichte ogen leken groene molenstenen die gerstemeel wilden gaan malen. Zo keek ze Egwene eveneens aan. ‘Neem me niet kwalijk, Sheriam Sedai,’ zei ze haastig, terwijl ze een kleine kniebuiging maakte en tegelijk haar mantel omsloeg. ‘Zomaar een... dode man te vinden, een... grijzel... ik voelde me koud. Mogen we nu gaan?’
Toen Sheriam knikte dat dat mocht, maakte Nynaeve een minieme revérence. Egwene greep haar bij de arm en trok haar snel mee. ‘Probeer je nog meer problemen voor ons te scheppen?’ wilde ze weten toen ze twee verdiepingen lager waren. En veilig buiten Sheriams gehoor, hoopte ze. ‘Wat heb je nog meer tegen haar gezegd om haar zo woest te laten kijken? Nog meer vragen gesteld, neem ik aan? Ik hoop dat je er wat van opgestoken hebt, anders heb je haar voor niets kwaad gemaakt.’
‘Ze wilde niks zeggen,’ mompelde Nynaeve. ‘We moeten vragen stellen als we iets willen klaarspelen, Egwene. We zullen af en toe op het randje zitten of we komen nooit iets te weten.’ Egwene zuchtte. ‘Nou, kleed het dan wat handiger in.’ Aan Nynaeves blikken te zien was ze niet van plan het rustiger aan te doen of gevaar te vermijden. Egwene zuchtte opnieuw. ‘De pijl was verdwenen, Nynaeve. Er moet nog een grijzel zijn geweest die hem heeft meegenomen.’
‘O, dus daarom... Licht!’ Fronsend gaf Nynaeve een scherpe ruk aan haar vlecht.
Een tijdje later zei Egwene: ‘Wat deed ze om dat... lijk toe te dekken?’ Ze wilde er niet aan denken dat het een grijzel was. Het herinnerde haar te veel aan het feit dat er nog een rondzwierf. Ze wilde er op dat moment helemaal niet meer aan denken.
‘Lucht,’ antwoordde Nynaeve. ‘Ze gebruikte Lucht. Heel netjes, ik denk te weten hoe je er iets nuttigs mee kunt doen.’ In het gebruik van de Ene Kracht werden vijf stromen onderscheiden: Aarde, Lucht, Vuur, Water en Geest. Elk Talent vroeg om een verschillende combinatie van deze vijf stromen. ‘Ik begrijp niet hoe de vijf stromen worden samengevoegd,’ zei Egwene peinzend. ‘Neem nou Heling, bijvoorbeeld. Ik begrijp waarom er Geest bij nodig is en misschien Lucht, maar waarom Water?’
Nynaeve stelde zich vierkant voor haar op. ‘Wat loop je nou te zeuren? Ben je vergeten wat we aan het doen zijn?’ Ze keek rond. Ze waren nu in het Aanvaardenkwartier, vele galerijen lager dan dat van de Novices, en met een tuin in het midden, geen binnenhof. Er was niemand te zien, afgezien van een Aanvaarde die zich op een andere verdieping voortrepte, maar ze ging zachter praten. ‘Ben je de Zwarte Ajah vergeten?’
‘Die probeer ik te vergeten,’ zei Egwene woest. ‘Een poosje, tenminste. Ik probeer te vergeten dat we net bij een lijk hebben gestaan. Ik probeer te vergeten dat hij me wilde vermoorden en dat hij iemand bij zich had die het opnieuw gaat proberen.’ Ze voelde aan haar oor. Het druppeltje bloed was opgedroogd, maar de snee deed nog pijn. ‘We hebben geluk dat we allebei nog in leven zijn.’ Het gezicht van Nynaeve verzachtte zich, maar haar stem klonk nog net zo als toen ze de Wijsheid van Emondsveld was en dingen moest zeggen voor iemands bestwil. ‘Denk aan dat lijk, Egwene. Denk eraan dat hij je probeerde te vermoorden. Ons te vermoorden. Denk aan de Zwarte Ajah. Denk er voortdurend aan. Want als je dat maar één keer vergeet, kun jij de volgende keer dood op de vloer liggen.’
‘Ik weet het,’ verzuchtte Egwene. ‘Maar ik hoef het nog niet prettig te vinden.’
‘Heb je gemerkt waar Sheriam het niet over had?’
‘Nee? Wat dan?’
‘Ze vroeg zich geen enkele keer af wie hem heeft neergestoken. Vooruit, kom mee. In mijn kamer kun je je voeten rust geven terwijl we praten.’
16
Drie op jacht
Nynaeves kamer was aanzienlijk groter dan die van een Novice. Ze had een echt bed, dat niet aan de muur zat vastgeklonken, twee leunstoelen met een lattenrug en een kast voor haar kleren. De meubels waren heel eenvoudig, geschikt voor een redelijk welgestelde boerenfamilie, maar vergeleken met een Novice woonde een Aanvaarde in weelde. Op de vloer lag zelfs een klein blauw tapijt met gele en rode krullen. Er waren al mensen binnen toen Egwene en Nynaeve binnenkwamen.
Voor de open haard stond Elayne met gekruiste armen en rode ogen, wat zeker gedeeltelijk door boosheid werd veroorzaakt. Twee lange jongemannen hingen in de stoelen en maakten de kamer met hun lange benen en armen vol. Een van hen, in een openhangende donkergroene jas met een sneeuwwit hemd eronder, deelde Elaynes goudblonde haar en blauwe ogen. De grijns op zijn gezicht verried dat hij Elaynes broer was. De ander – van Nynaeves leeftijd en in een keurig dichtgeknoopte jas – was slank en had donkere ogen en donker haar. Hij stond op, een toonbeeld van zekerheid en soepele, gespierde gratie, toen Egwene en Nynaeve binnenkwamen. Niet voor de eerste keer vond Egwene hem de knapste jongeman die ze ooit had gezien. Zijn naam was Galad.