De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Nynaeve bracht haar helemaal tot aan het Novicekwartier en sloeg niet af naar de vertrekken van de Aanvaarden. De galerijen waren nog verlaten en ze zagen niemand toen ze de wenteltrap opliepen.
Toen ze bij Elaynes kamer waren, bleef Nynaeve staan, klopte eenmaal en deed meteen de deur open om haar hoofd naar binnen te steken. Toen liet ze de witte deur weer dichtvallen en beende naar Egwenes kamer ernaast. ‘Ze is er nog niet,’ zei ze, ‘en ik moet met jullie allebei praten.’
Egwene greep haar bij de schouder en bracht haar abrupt tot stilstand. ‘Wat...?’ Iets trok aan haar haren en prikte haar oor. Een zwarte schicht streek voor haar gezicht langs en sloeg tegen de muur, en de volgende tel trok Nynaeve haar omlaag op de vloer, achter de balustrade. Met grote ogen staarde Egwene naar het ding dat voor haar op de stenen was gevallen. Een pijl uit een kruisboog. Er kleefden enkele donkere haren van haarzelf aan de vier zware punten die een harnas konden doorboren. Bevend voelde ze aan haar oor. Er zat een heel klein sneetje, vochtig door wat bloed. Als ik niet onverwachts was blijven staan... Als ik niet... De pijl zou precies haar hoofd hebben getroffen en misschien ook Nynaeve hebben gedood. ‘Bloed en as,’ hijgde ze. ‘Bloed, bloed, bloed en as.’
‘Let op je woorden,’ beet Nynaeve haar toe, maar het kwam gedachteloos. Ze lag tussen de witstenen balustrade naar de galerijen aan de overkant te turen. Er hing een gloed om haar heen, zag Egwene. Ze had saidar omarmd.
Haastig reikte Egwene eveneens naar de Ene Kracht, maar aanvankelijk mislukte dat door haar haast. Door de haast en de beelden die de leegte verstoorden, beelden van haar hoofd dat als een overrijpe meloen werd gespleten door de zware pijlschacht, die zich daarna in Nynaeve boorde. Ze haalde diep adem en probeerde het opnieuw en ten slotte zweefde de roos in de leegte, raakte ze de Ware Bron en werd ze door de Kracht vervuld.
Ze rolde zich op haar buik om naast Nynaeve door de balustrade te turen. ‘Zie je iets? Zie je hem? Ik stuur de bliksem op hem af.’ Ze kon de schicht in zich voelen groeien, druk uitoefenen om losgelaten te worden. ‘Het is een man, nietwaar?’ Ze kon zich niet voorstellen dat een man het Novicekwartier binnenkwam, maar een vrouw met een kruisboog kon ze zich al helemaal niet in de Toren voorstellen. ‘Weet ik niet.’ Stille woede was in Nynaeves stem hoorbaar; haar woede was altijd het ergst als ze heel stil was. ‘Ik meende iemand... Ja! Daar!’ Egwene voelde in de vrouw naast haar de Kracht trillen en toen kwam Nynaeve langzaam overeind en borstelde haar kleding af, alsof ze zich nergens meer zorgen over hoefde te maken.
Egwene staarde haar aan. ‘Hoe... Wat heb je gedaan? Nynaeve?’
‘Van de Vijf Krachten,’ zei Nynaeve belerend, licht spottend, ‘wordt Lucht, soms Wind genoemd, door velen het minst bruikbaar geacht. Dat is ver bezijden de waarheid.’ Ze lachte ingehouden: ik zei al tegen je dat er andere manieren zijn om jezelf te verdedigen. Ik heb Lucht gebruikt om hem met lucht vast te houden. Als het tenminste een hij is, ik kon hem niet goed zien. Een kunstje dat de Amyrlin me een keer heeft getoond, hoewel ik betwijfel of ze dacht dat ik kon zien hoe het werd gedaan. Nou, blijf je hier verder de hele dag liggen?’ Egwene krabbelde overeind om zich achter Nynaeve aan te haasten toen die de galerij rondliep. Het duurde niet lang voordat in de bocht een man zichtbaar werd, gekleed in een simpele bruine broek en jas. Hij stond met zijn gezicht de andere kant op; zijn ene voet stond op de grond terwijl de andere was opgetrokken, alsof hij tijdens het weghollen was gevangen. De man zou het gevoel hebben in een dikke gelei te zitten, maar het was alleen de lucht die zich rond hem had verdikt. Egwene herinnerde zich dat kunstje van de Amyrlin ook, maar ze dacht niet dat ze het na kon doen. Nynaeve hoefde iets maar eenmaal te zien om te weten hoe het moest. Als het haar tenminste lukte te geleiden. Ze kwamen dichterbij en door de schok verdween plotseling Egwenes binding met de Kracht. Uit de borst van de man stak de greep van een dolk. Zijn gezicht was ingevallen en het vlies verglaasde reeds zijn halfgesloten ogen. Toen Nynaeve de val liet verdwijnen die hem overeind hield, zakte hij in elkaar.
Het was een man als vele anderen, van gemiddelde lengte en bouw, met een uiterlijk dat zo gewoon was dat Egwene niet dacht dat hij in een groepje van drie zou opvallen. Ze keek maar heel even naar hem, voor ze besefte dat er iets weg was. De kruisboog. Ze schrok en keek wild rond. ‘Er moet er nog een zijn, Nynaeve. Iemand heeft de kruisboog. En iemand heeft hem neergestoken. Die kan alweer in hinderlaag liggen voor een volgend schot.’
‘Kalm,’ zei Nynaeve, maar ze keek al trekkend aan haar vlecht toch snel links en rechts over de galerij. ‘Blijf gewoon kalm en we zullen bedenken wat we...’ Ze slikte de rest van haar woorden in toen ze hoorde dat er iemand over de wenteltrap naar boven kwam. Egwenes hart klopte wild hoog in haar keel. Haar ogen staarden strak naar de bovenkant van de trap en ze probeerde verwoed saidar weer te omarmen, maar daarvoor moest zij rustig zijn en haar hartslag bonkte haar kalmte in stukken.
Sheriam Sedai bleef boven aan de trap staan en keek fronsend naar wat ze zag. ‘Wat in de naam van het Licht is hier gebeurd?’ Ze snelde toe en voor het eerst leek haar strenge kalmte verdwenen. ‘We vonden hem hier,’ zei Nynaeve toen de Meesteresse der Novices naast het lijk neerknielde.
Sheriam legde een hand op de borst van de man en trok die nog sneller sissend terug. Ze sterkte zichzelf duidelijk, voelde opnieuw aan hem en hield het ditmaal langer vol. ‘Dood,’ mompelde ze. ‘Zo dood als maar mogelijk is, en nog erger.’ Toen ze zich oprichtte, trok ze een zakdoek uit haar mouw en veegde haar vingers af. ‘Jullie hebben hem gevonden? Hier? Zoals hij nu ligt?’
Egwene knikte en besefte terdege dat als ze iets hardop zou zeggen, Sheriam de leugen in haar stem zou horen, inderdaad,’ zei Nynaeve ferm.
Sheriam schudde haar hoofd. ‘Een man... een dode man, bovendien... is in het Novicekwartier al een schande, maar dit...’
‘Wat is er anders aan hem?’ vroeg Nynaeve. ‘En hoe kan hij erger dan dood zijn?’
Sheriam haalde diep adem en keek hen beiden onderzoekend aan. ‘Het is een van de ziellozen. Een grijzel.’ Onbewust veegde ze opnieuw haar hand af en haar ogen gleden weer naar het lijk. Bezorgde ogen. ‘De ziellozen?’ vroeg Egwene met een trilling in haar stem, terwijl Nynaeve tegelijkertijd zei: ‘Een grijzel?’
Sheriam wierp hun kort een doordringende blik toe. ‘Hoort eigenlijk nog niet bij je lessen, maar jullie zijn al op alle mogelijke manieren buiten de regels gegaan. En nu jullie dit hebben gevonden...’ Ze wees op het lijk. ‘De ziellozen, de grijzels, hebben hun ziel opgegeven om de Duistere als moordenaar te dienen. Daarna zijn ze niet echt dood, maar ook niet echt levend meer. Er zijn zelfs vrouwelijke grijzels. Heel weinig. Zelfs onder Duistervrienden is slechts een handjevol vrouwen bereid zich zo op te offeren. Je kunt ze recht aankijken en ze toch nauwelijks zien, tot het te laat is. Hij was vrijwel dood toen hij nog rondliep. Nu vertellen alleen mijn ogen dat wat daar ligt, ooit heeft geleefd.’ Ze keek hen lang aan. ‘Sinds de Trollok-oorlogen heeft geen enkele grijzel het gewaagd Tar Valon binnen te dringen.’
‘Wat gaat u doen?’ vroeg Egwene. Sheriams wenkbrauwen schoten omhoog en ze voegde er snel aan toe: ‘Als ik die vraag mag stellen, Sheriam Sedai.’