De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Misschien.’ Ze bekeek hem en leek haar woorden behoedzaam te kiezen. ‘Ze schreef voornamelijk over dromen. Dromen kunnen gevaarlijk voor je zijn, Perijn.’
‘Dat heb je al eerder gezegd. Wat bedoel je?’
‘Volgens haar leven wolven gedeeltelijk in deze wereld en gedeeltelijk in een wereld van dromen.’
‘Een wereld van dromen?’ zei hij ongelovig.
Moiraine keek hem scherp aan. ‘Dat zei ik, en dat schreef ze tenminste. De manier waarop wolven met elkaar praten, de manier waarop ze met jou praten, is op de een of andere wijze verbonden met die dromenwereld. Ik beweer niet dat ik begrijp hoe.’ Ze fronste licht en wachtte even. ‘Uit wat ik heb gelezen over Aes Sedai die het Talent hadden dat Dromen werd genoemd, spraken Dromers soms over ontmoetingen met wolven in hun dromen, zelfs wolven die als gids optraden. Ik ben bang dat je moet leren ’s nachts even voorzichtig te zijn als overdag, als je wolven wilt uitbannen. Als je die beslissing tenminste neemt.’
‘Als ik die beslissing tenminste neem? Moiraine, ik wil niet dat het met mij net zo afloopt als met Noam. Ik wil het niet.’ Ze nam hem onderzoekend op en schudde langzaam haar hoofd. ‘Je praat alsof jij je eigen keus kunt bepalen, Perijn. Je bent wél ta’veren, weet je nog?’ Hij wendde zich af en staarde naar de nachtzwarte vensters, maar ze ging door. ‘Ik wist wat Rhand was, wist hoe sterk ta’veren hij is; misschien heb ik aan de andere twee ta’veren, zijn twee vrienden, te weinig aandacht besteed. Drie ta’veren in hetzelfde dorpje, alledrie binnen enkele weken na elkaar geboren? Dat is nooit eerder gebeurd. Misschien zijn jij en Mart Cauton van meer nut voor het Patroon dan jijzelf of ik dacht.’
‘Ik wil helemaal niet nuttig zijn voor het Patroon,’ mopperde Perijn. ‘En ik zal dat zeker niet zijn als ik vergeet dat ik een mens ben. Kun je me helpen, Moiraine?’ Het kwam er moeizaam uit. En als ze daarvoor de Ene Kracht moet gebruiken? Zou ik liever vergeten dat ik een man ben? ‘Helpen zodat ik mezelf niet... verlies?’
‘Als ik je gezond kan houden, zal ik dat doen. Dat beloof ik je, Perijn. Maar ik zal mijn strijd tegen de Schaduw niet in gevaar brengen. Dat moet je ook beseffen.’
Toen hij zich omdraaide en haar aankeek, zat ze hem vastberaden op te nemen. En als je strijd betekent dat je me morgen in mijn graf legt, doe je dat dan ook? Hij was er ijzig zeker van dat ze dat zou doen. ‘Wat heb je me niet verteld?’
‘Sla niet door, Perijn,’ zei ze koel. ‘Zet me niet onder druk.’ Hij aarzelde voor hij zijn volgende vraag stelde. ‘Kun je voor me doen wat je bij Lan hebt gedaan? Kun je mijn dromen afschermen?’
‘Ik heb reeds een zwaardhand, Perijn.’ Haar lippen krulden zich bijna tot een glimlach. ‘En ik zal er nooit meer dan een hebben. Ik behoor tot de Blauwe Ajah, niet tot de Groene.’
‘Je weet wat ik bedoel. Ik wil geen zwaardhand zijn.’ Licht, voor de rest van mijn leven met een Aes Sedai verbonden zijn? Dat is even erg als de wolven.
‘Het zou je niet helpen, Perijn. De afscherming werkt tegen dromen van buitenaf. Het gevaar in jouw dromen komt voor jou van binnen.’ Ze deed haar boekje weer open. ‘Ga liever slapen,’ besloot ze. ‘Pas op voor je dromen, maar je zult toch eens moeten slapen.’ Ze sloeg een bladzijde om en hij vertrok.
Terug in zijn eigen kamer, verminderde hij zijn afweer iets, maakte het zich een tikkeltje gemakkelijker, liet zijn zintuigen rondzwerven. De wolven waren nog steeds daarginds, buiten de grens van het dorp, in een kring rond Jarra. Bijna meteen bracht hij zijn sterke afweer weer aan. ‘Ik heb een stad nodig,’ mompelde hij. Dat zou ze weghouden. Nadat ik Rhand heb gevonden. Nadat ik heb afgemaakt wat ik met hem moet afmaken. Hij wist niet zeker of hij het écht erg vond dat
Moiraine hem niet kon afschermen. De Ene Kracht of de wolven; niemand zou zo’n keus hoeven te maken.
Hij stak de houtblokken die in de haard waren klaargelegd, niet aan en gooide beide vensters open. De koude nachtlucht stroomde naar binnen. Hij gooide de dekens en lakens op de vloer en ging volledig gekleed op het bultige bed liggen, deed geen moeite de gemakkelijkste plekken te vinden. Zijn laatste gedachte voor hij in slaap viel, was het idee dat deze matras het beste middel was om hem voor diepe slaap en gevaarlijke dromen te behoeden.
Hij bevond zich in een lange gang. Het hoge stenen plafond en de muren glinsterden van het vocht en toonden linten van vreemde schaduwen. Ze liepen in verwrongen banen, hielden even plotseling op als ze begonnen, te donker voor het licht ertussen. Hij had geen idee waar het licht vandaan kwam.
‘Nee,’ zei hij. Toen luider: ‘Nee! Dit is een droom. Ik moet wakker worden. Word wakker!’
De gang veranderde niet.
Gevaar. Een wolvengedachte, zwak en veraf.
‘Ik zal wakker worden. Dat zal ik.’ Hij sloeg met een vuist tegen de muur. Het deed pijn, maar hij werd niet wakker. Hij meende een van die dreigende schaduwen voor zijn vuist te zien wegschuiven. Ren, broeder, ren!
‘Springer?’ zei hij verbaasd. Hij was er zeker van dat hij de wolf kende die hij in zijn gedachten hoorde praten. Springer, die de arenden had benijd. ‘Springer is dood!’ Ren!
Perijn schoot weg, zijn bijl vasthoudend om te voorkomen dat de steel tegen zijn been aansloeg. Hij had geen idee waar hij heen rende, of waarom, maar de dringende boodschap van Springer viel niet te negeren. Springer is dood, dacht hij. Hij is dood! Toch rende Perijn verder.
Andere gangen kruisten de gang waardoor hij rende, in vreemde richtingen, soms omlaag, soms omhoog. Elke gang leek op de vorige en de volgende. Dampige stenen wanden zonder deuren en met banen van duisternis.
Toen hij in een zijgang belandde, kwam hij glijdend tot stilstand. Daar stond een man die hem onzeker met knipperende ogen aankeek. De man droeg een vreemd gesneden jas en broek; de jas waaierde bij zijn heupen net zo breed uit als de broekrand deed boven de laarzen. Jas en broek waren felgeel en zijn laarzen iets lichter gekleurd. ‘Dit is te veel, hier kan ik niet tegen,’ zei de man tegen zichzelf, niet tegen Perijn. Hij had een vreemde tongval, snel en scherp. ‘Nu droom ik niet alleen over boeren, maar ook nog over vreemde boeren, aan die kleren te zien. Scheer je weg uit mijn droom, man.’
‘Wie bent u?’ vroeg Perijn. De wenkbrauwen van de man gingen omhoog alsof hij beledigd was.
De schaduwlinten om hen heen kronkelden. Een daalde dansend van het plafond omlaag en raakte het hoofd van de vreemde man. Het leek zich in zijn haren te nestelen. De ogen van de man werden groter en toen leek alles tegelijk te gebeuren. De schaduw zwiepte terug naar het plafond, tien voet boven hem, en liet een bleek spoor na. Natte druppels spatten op Perijns gezicht. Een botten krakend gekrijs verbrijzelde de lucht.
Als bevroren staarde Perijn naar de bloederige vorm in mannenkleren die gillend op de vloer bonsde. Onwillekeurig gleden zijn ogen naar het bleke ding dat aan de zoldering bengelde. Het leek op een lege zak waarvan een deel reeds was opgeslorpt door het zwarte lint, maar moeiteloos herkende hij een menselijke huid, zo te zien gaaf en heel. De schaduwen om hem heen dansten opgewonden en Perijn rende door, achtervolgd door doodskreten. Golfjes rimpelden door de schaduwlinten die hem volgden.
‘Verander, bloedvuur!’ schreeuwde hij. ‘Ik weet dat het een droom is! Licht verzenge je, verander!’
Kleurige wandkleden hingen aan de muren, tussen grote gouden kandelaars met tientallen kaarsen die hun licht verspreidden over witte vloertegels en een geschilderd plafond, met donswolkjes en schitterende vliegende vogels. Niets bewoog, maar de flakkerende kaarsvlammetjes strekten zich over de hele zaal uit, zo ver als hij kon zien, tot in de puntige, witstenen bogen van spitse hoge nissen. Gevaar. De gedachte was zelfs nog zwakker dan eerst. Dringender ook, als dat mogelijk was.