De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Ruw gedrag,’ zei Lan. ‘Zelfs voor Witmantels.’ Simion beaamde het verwoed. ‘Zoals u zegt, goede meester. Zo hebben ze zich nog nooit eerder gedragen. Beetje rondbanjeren, ja. Je aankijken of je drek bent en hun neus in zaken steken waar ze niks mee te maken hebben. Maar ze hebben nog nooit eerder last veroorzaakt. Niet zoals gisteren, in ieder geval.’
‘Ze zijn nu weg,’ zei Moiraine, ‘en hebben hun moeilijkheden meegenomen. Ik weet zeker dat we hier van een rustige nacht zullen genieten.’
Perijn hield zijn mond, maar zijn gedachten woelden in hem rond. Dat getrouw en die Witmantels zijn allemaal best, maar ik wil liever weten of Rhand hier is afgestapt en welke kant hij opging bij zijn vertrek. Die geur kan niet van hem zijn.
Hij liet Simion voorgaan, door de gang naar een andere kamer met twee bedden, een wastafel, een stel stoelen en niet veel meer. Loial moest bukken bij het binnenkomen. Door de smalle ramen viel maar weinig licht. De bedden waren groot genoeg, met opgevouwen lakens en dekens aan het voeteneind, maar de matrassen zagen er bultig uit. Simion scharrelde wat rond bij de schoorsteenmantel, tot hij een kaars had gevonden, en een tondeldoos om die aan te steken. ‘Ik zal zorgen dat er enkele bedden tegen elkaar worden gezet voor u, goede eh... Ogier. Ja, een ogenblikje.’ Hij bleek echter totaal geen haast te hebben en bleef met het kaarsje spelen alsof hij dat slechts op één manier goed kon plaatsen. Perijn vond Simion er onrustig uitzien. Nou ja, ik zou ook niet op m’n gemak zijn als Witmantels zo in Emondsveld huis hadden gehouden. ‘Simion, is hier de laatste paar dagen nog een andere vreemdeling langsgekomen? Een jongeman, lang, met grijze ogen en rossig haar? Misschien heeft hij fluit gespeeld voor een maaltijd en een bed.’
‘Ik herinner me hem, goede meester,’ zei Simion, die nog steeds met de kaars stond te rommelen. ‘Kwam gisterochtend, vroeg. Zag er hongerig uit, inderdaad. Hij heeft bij alle bruiloften fluit gespeeld, gisteren. Knappe jonge vent. Sommige vrouwen hadden eerst een oogje op hem, maar...’ Hij zweeg en keek Perijn zijdelings aan. ‘Is hij een vriend van u, goede meester?’
‘Ik ken hem,’ zei Perijn. ‘Waarom?’
Simion aarzelde. ‘Och, zomaar, goede meester. Het was een vreemde kerel, dat is alles. Praatte soms in zichzelf en lachte soms als niemand iets had gezegd. Sliep in deze eigenste kamer, vannacht of tenminste een gedeelte ervan. Maakte ons allemaal midden in de nacht wakker, gillend. Het was slechts een nachtmerrie, maar hij wilde niet langer blijven. Baas Harod deed na al die herrie niet veel moeite om hem tegen te houden.’ Weer zweeg Simion. ‘Hij zei iets vreemds bij zijn vertrek.’
‘Wat?’ wilde Perijn weten.
‘Hij zei dat iemand hem achtervolgde. Hij zei...’ De kinloze man slikte en praatte langzaam verder. ‘Zei dat ze hem zouden vermoorden als hij niet vertrok. “Een van ons moet sterven, en ik zal ervoor zorgen dat hij het is.” Zo zei hij het precies.’
‘Hij bedoelde ons niet,’ rommelde Loial. ‘Wij zijn z’n vrienden.’
‘Natuurlijk, goede eh... goede Ogier. Natuurlijk bedoelde hij u niet. Ik eh... ik wil eigenlijk niets van uw vriend zeggen, maar ik... eh... ik denk dat hij ziek is. In zijn hoofd, weet u.’
‘We willen hem helpen,’ zei Perijn. ‘Daarom volgen we hem. Welke kant ging hij op?’
‘Ik wist het,’ zei Simion, die op en neer stond te wippen, ik wist dat zij kon helpen, zodra ik u had gezien. Welke kant? Oostwaarts, goede meester. Oostwaarts, alsof de Duistere zelf hem op de hielen zat. Denkt u dat ze mij wil helpen? Mijn broer wil helpen, bedoel ik. Noam is erg ziek en moeder Roon zegt dat ze er niets aan kan doen.’ Perijn zorgde ervoor dat zijn gezicht niets verried, en door zijn boog in de hoek te plaatsen en zijn dekenrol en zadeltassen op het bed te leggen, gunde hij zichzelf enig uitstel om na te kunnen denken. Het probleem was dat zijn denken hem niet veel verder bracht. Hij keek naar Loial, maar vond daar geen hulp; de Ogier liet zijn oren ontsteld hangen en zijn lange wenkbrauwen raakten z’n wangen. ‘Waarom denk je dat zij je broer kan helpen?’ Stomme vraag! De goede is: wat wil hij ermee?
‘Nou, ik ben een keer naar Jehanna gereisd, goede meester, en ik heb toen twee... twee vrouwen net als zij gezien. Daardoor moest ik haar wel herkennen.’ Zijn stem werd een zacht gefluister. ‘Men zegt dat zij de doden kunnen opwekken, goede meester.’
‘Wie weet hier nog meer van?’ vroeg Perijn scherp en tegelijkertijd zei Loiaclass="underline" ‘Als je broer dood is, kan niemand iets doen.’ Het kikkergezicht keek bezorgd van de een naar de ander en de woorden kwamen er stamelend en snel uit. ‘Niemand weet het, behalve ik, goede meester. Noam is niet dood, goede Ogier, alleen ziek. Ik bezweer u dat verder niemand haar zal herkennen. Zelfs baas Harod heeft in zijn leven nooit meer dan een span of twintig gereisd. Hij is zo verschrikkelijk ziek. Ik zou het haar zelf willen vragen, maar mijn knieën zouden zo luid klapperen dat ze me niet zou horen. Stel je voor dat ik haar beledig en ze de bliksem op me afstuurt? En wat als ik ongelijk had? Je kunt een vrouw niet van zoiets beschuldigen zonder... ik bedoel maar... eh...’ Hij hief zijn handen op, half smekend, half verdedigend.
‘Ik kan niets beloven,’ zei Perijn, ‘maar ik zal met haar praten. Loial, waarom houd je Simion geen gezelschap tot ik met Moiraine heb gesproken?’
‘Natuurlijk,’ klonk de dreunende stem. Simion schrok toen Loials hand zijn schouder omvatte. ‘Hij laat me mijn kamer zien en dan gaan we praten. Zeg eens, Simion, wat weet jij van bomen?’
‘B-b-bomen, g-goede Ogier?’
Perijn wachtte het niet af. Hij haastte zich terug door de donkere gang, klopte aan bij Moiraine en wachtte amper op haar gebiedende ‘Binnen’ voor hij de deur openduwde.
Een vijftal kaarsen toonde dat de beste kamer van Harilins Sprong niet al te best was, hoewel het bed een hemel op vier hoge stijlen had en de matras er minder hobbelig uitzag dan die van Perijn. Er lag een versleten tapijt op de vloer en er stonden twee stoelen met zachte zittingen in plaats van krukken. Verder leek deze kamer precies op de zijne. Moiraine en Lan stonden samen voor de onaangestoken haard alsof ze iets bespraken, en de Aes Sedai leek het niet te waarderen dat ze werden gestoord. Het gezicht van de zwaardhand stond even onverstoorbaar als een ets.
‘Rhand is hier inderdaad geweest,’ begon Perijn. ‘Die Simion-kerel kende hem.’ Moiraine liet een sissend geluid horen. ‘Jou was gezegd je mond te houden,’ gromde Lan. Perijn zette zich schrap en keek de zwaardhand aan. Dat was gemakkelijker dan de boze blik van Moiraine te weerstaan. ‘Hoe kunnen we ontdekken dat hij hier is geweest zonder vragen te stellen? Vertel me dat eens. Hij is vannacht weggegaan, als jullie het willen weten, naar het oosten. En hij bleef maar zeggen dat iemand hem volgde om hem te vermoorden.’
‘Naar het oosten,’ knikte Moiraine. De volledige kalmte in haar stem was in tegenspraak met de afkeuring in haar ogen. ‘Dat is goed te weten, hoewel dat wel zo moest zijn, als hij op weg naar Tyr is. Maar ik was er al redelijk zeker van dat hij hier was geweest, nog voordat ik van die Witmantels hoorde, en toen wist ik het helemaal zeker. Rhand heeft waarschijnlijk over een ander ding wel groot gelijk, Perijn. Ik kan niet aannemen dat alleen wij trachten hem te vinden. En als zij van ons horen, kunnen ze best proberen ons tegen te houden. We hebben zonder dat alles al genoeg te stellen met Rhand in te halen. Je moet leren je mond te houden tot ik je zeg dat je mag spreken.’