Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Ze staarden nog even woest naar de soldaten, al dook zelfs de meest geharde straatvechter na een enkele blik op Lan weg. En vreemd genoeg ook voor Vanin. Enkelen gromden boos tegen Beslan en Nalesean wanneer hun ogen iets te lang bleven rusten op boezems boven laag uitgesneden halslijnen. Er waren er een paar die tegen Mart bromden, hoewel hij dat niet begreep. In tegenstelling tot de andere twee gleed zijn blik nooit hinderlijk over het lijfje van een vrouw. Hij wist hoe hij omzichtig moest kijken. Naar Nynaeve en Elayne, hoe duur ze er ook uitzagen, werd niet omgekeken en evenmin naar Reanne in haar rood wollen kleren, terwijl ze toch geen rode riem droegen. Maar ze stonden onder de bescherming van die riem. Mart besefte dat Beslan gelijk had gehad. Hij had zijn beurs op de grond kunnen leegschudden en er zou nog geen koperstukje worden geroofd zolang de Wijzevrouwen in het zicht waren. Hij had in elk voorbijkomend vrouwelijk achterwerk kunnen knijpen, en ze zou zowat ontploft zijn maar toch doorgelopen zijn.
‘Wat een aardige wandeling,’ zei Nalesean droog, ‘zulke belangwekkende geurtjes en doorkijkjes. Had ik je al verteld dat ik vannacht niet al te veel slaap heb genoten, Mart?’
‘Wou je in bed doodgaan?’ mopperde Mart. Ze hadden allemaal in bed kunnen blijven; ze waren hier overduidelijk volkomen nutteloos. De Tyrener snoof verontwaardigd. Beslan lachte, maar hij dacht waarschijnlijk dat Mart op iets anders doelde.
Ze stapten door de Rahad, tot Reanne eindelijk voor een gebouw bleef staan dat er net zo uitzag als elk ander. Het pleisterwerk was afgeschilferd en de baksteen gebarsten, maar de Wijzevrouw die Mart gisteren volgde, had hetzelfde gebouw betreden. Hier hing geen wasgoed voor de ramen; hier leefden slechts ratten. ‘Hierbinnen,’ zei ze.
Elaynes ogen rezen langzaam omhoog, tot aan het platte dak. ‘Vijf,’ mompelde ze voldaan.
‘Vijf,’ zuchtte Nynaeve, en Elayne klopte meelevend op haar arm. ‘Ik was er niet zeker van,’ zei Elayne. Waarna Nynaeve glimlachte en haar een klopje terug gaf. Mart begreep er geen snars van. Dus het huis had vijf verdiepingen. Vrouwen gedroegen zich soms erg vreemd. Meestal eigenlijk.
Binnen verdween een lange, stoffige gang in de schemerige diepte. Het eind was in het donker niet te zien. Er waren maar enkele openingen waar nog een ruwhouten deur in zat. Ongeveer op een derde van de gang leidde een opening naar een smalle, steile stenen trap. Daar had hij gisteren ook gelopen door de voetstappen in het stof te volgen, maar volgens hem waren een paar andere openingen zijgangen. Hij had toen niet de tijd genomen om rond te kijken, maar het gebouw was te diep en te breed voor slechts één enkele gang. Het was ook te groot om slechts één toegang te hebben.
‘Kom nou, Mart,’ zei Nynaeve, toen hij Harnan en de helft van de Roodarmen opdroeg een achteringang te zoeken en die te bewaken. Lan bleef zo dicht aan haar zijde dat hij wel aan haar vastgeplakt leek. ‘Je hebt toch inmiddels gemerkt dat het niet nodig is?’ Ze klonk zo vriendelijk dat Elayne haar de waarheid over Tylin verteld moest hebben, en dat stemde hem bitter. Van hem mocht niémand het weten. Wat had hij eraan, vervloekt! Maar nog steeds kletterden de dobbelstenen in zijn hoofd. ‘Misschien houdt Moghedien van achterdeuren,’ zei hij droog. Er piepte iets aan het zwarte eind en een van Harnans mannen vloekte luid over ratten.
‘Je hebt het hem verteld,’ viel Nynaeve woest uit naar Lan, en ze greep haar vlecht.
Elayne slaakte een vermoeide zucht. ‘We hebben geen tijd om ruzie te maken, Nynaeve. De Schaal is boven! De Schaal der Winden!’ Opeens dreef er een kleine lichtbol voor haar uit, en zonder te kijken of Nynaeve haar wel volgde, trok ze haar rok op en stoof de trap op. Vanin rende achter haar aan – verrassend snel voor iemand van zijn omvang – gevolgd door Reanne en de meeste Wijzevrouwen. Sumilo en Ieine, een lange, donkere en knappe vrouw ondanks de lijntjes in haar ooghoeken, aarzelden en bleven toen bij Nynaeve.
Mart zou ook gegaan zijn, als Nynaeve en Lan niet in de weg hadden gestaan. ‘Mag ik erlangs, Nynaeve?’ vroeg hij. Hij had het op z’n minst verdiend om erbij te zijn wanneer die roemruchte Schaal te voorschijn kwam. ‘Nynaeve?’ Ze keek zo strak naar Lan dat ze ieder ander vergeten scheen te zijn. Mart wisselde een blik met de grinnikende Beslan, die bij Corevin en de overige Roodarmen neerhurkte. Nalesean leunde tegen de muur en gaapte opzichtig. Dat was een vergissing met al dat stof in de hal. Zijn geeuw veranderde in een hoestbui waardoor hij vuurrood aanliep en dubbel klapte.
Zelfs dat leidde Nynaeve niet af. Behoedzaam liet haar hand de vlecht los. ‘Ik ben niet boos, Lan,’ zei ze.
‘Dat ben je wel,’ zei hij kalm, ‘maar hij moest het weten.’
‘Nynaeve?’ zei Mart. ‘Lan?’ Geen van beiden had een blik voor hem over.
‘Ik zou het hem verteld hebben wanneer ik er klaar voor was, Lan Mandragoran!’ Haar mond klapte dicht, maar haar lippen bewogen, alsof ze in zichzelf praatte. ‘Ik zal niet boos op je zijn,’ ging ze op een veel rustiger toon door, en het klonk of ze ook tegen zichzelf praatte. Heel bewust gooide ze haar vlecht over haar schouders, klapte haar hoed recht en sloeg haar armen over elkaar.
‘Dat neem ik aan,’ zei Lan kalm.
Nynaeve huiverde. ‘Praat niet op die toon tegen mij!’ schreeuwde ze. ‘Ik zeg je dat ik niet boos ben! Hoor je me?’
‘Bloed en as, Nynaeve,’ gromde Mart. ‘Hij denkt niet dat je boos bent. Ik denk niet dat je boos bent.’ Het was maar goed dat vrouwen hem hadden geleerd met een uitgestreken gezicht te liegen. ‘Kunnen we nu naar boven gaan om die stomme Schaal der Winden te halen?’
‘Een voortreffelijk idee,’ klonk een vrouwenstem vanuit de voordeur. ‘Zullen we samen naar boven gaan en Elayne verrassen?’ Man had de twee vrouwen die de gang in kwamen lopen, nog nooit gezien, maar ze hadden Aes Sedai-gezichten. Dat van de spreekster was even lang en koud als haar stem. Het gezicht van haar gezellin was omlijst door een heleboel zwarte vlechtjes waarin gekleurde kralen waren geregen. Achter hen drongen zo’n twintig mannen binnen, forse, zwaar geschouderde kerels met knuppels en messen in de hand. Mart verplaatste zijn greep op de ashandarei; hij herkende moeilijkheden als hij ze zag, en de vossenkop op zijn borst lag koel, bijna koud tegen zijn huid. Iemand gebruikte de Ene Kracht.
De twee Wijzen vielen bijna om bij hun knix, zodra ze die leeftijdloze gezichten zagen, maar ook Nynaeve wist beslist dat er problemen kwamen. Haar mond bewoog maar maakte geen enkel geluid, terwijl het stel dichterbij kwam. Haar gezicht stond ontsteld en schuldbewust. Achter zich hoorde Mart een zwaard uit een schede glijden, maar hij wilde niet omkijken. Lan stond rustig toe te kijken, wat uiteraard inhield dat hij op een luipaard leek die gereed was om toe te slaan. ‘Ze zijn van de Zwarte Ajah,’ zei Nynaeve ten slotte. Haar stem begon beverig maar werd geleidelijk aan sterker. ‘Falion Bhoda en Ispan Shefar. Ze hebben moorden gepleegd in de Toren, en sindsdien nog ergere dingen gedaan. Het zijn Duistervrienden en’ – haar stem haperde even – ‘ze hebben me afgeschermd.’
De nieuwkomers stapten kalm door. ‘Heb je ooit zulke onzin gehoord, Ispan?’ vroeg de Aes Sedai met het lange gezicht aan haar gezellin, die afkeurend naar het stof keek maar zich even de tijd gunde om Nynaeve spottend en minachtend op te nemen, ‘Ispan en ik komen van de Witte Toren, terwijl Nynaeve en haar vriendinnen in opstand zijn tegen de Amyrlin Zetel. Daar zullen ze zwaar voor gestraft worden, en dat geldt ook voor iedereen die hen helpt.’ Met een schok besefte Mart dat de vrouw het niet wist; ze dacht dat hij en Lan en de anderen slechts ingehuurde vechtjassen waren. Falion schonk Nynaeve een glimlach waarbij een sneeuwstorm warm leek. ‘Er is iemand die heel blij zal zijn, als we jou mee terug nemen, Nynaeve. Ze denkt dat je dood bent. De anderen hier kunnen maar beter gaan. Jullie willen je niet bemoeien met Aes Sedai-zaken. Mijn mannen zullen jullie naar de rivier begeleiden.’ Zonder haar ogen van Nynaeve af te wenden, gebaarde Falion haar mannen om naar voren te komen.