Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 123 124 125 126 127 128 129 130 131 ... 178
Перейти на страницу:

‘Je bent sterk, smidje,’ zei Zarine over haar arm wrijvend, ‘maar ik ben geen stuk ijzer.’ Ze ging goed zitten en propte mantel en buidel tussen hen in. ‘Ik koop mijn eigen paard wel als ik er een nodig heb. De hele weg waarheen?’

Lan reed al van de kade de stad in, met Moiraine en Loial achter zich. De Ogier keek om naar Perijn.

‘Geen vragen, weet je nog? En mijn naam is Perijn, Zarine. Niet “grote kerel” of “smidje” of wat dan ook. Perijn. Perijn Aybara.’

‘En de mijne is Faile, krullenbol!’

Bijna snauwend spoorde hij Stapper achter de anderen aan. Zarine moest haar armen om zijn middel slaan om niet over de achterhand van het paard gewipt te worden. Hij dacht dat ze lachte.

42

Kalmeer de Das

Het geroezemoes van de stad nam Zarines gelach – als het dat geweest was – snel op in het lawaai dat Perijn zich nog van Caemlin en Cairhien herinnerde. De geluiden klonken hier trager en de toon was anders, maar het waren dezelfde geluiden. Laarzen en wielen en hoeven op ruwe, ongelijke keien, piepende wagenassen, en uit de herbergen dreef een mengeling van muziek, zang en gelach. Stemmen. Het gezoem van stemmen, waardoor het leek alsof hij zijn hoofd in een bijenkorf had gestoken. Een grote, levende stad.

Ergens uit een zijstraat hoorde hij de klank van een hamer op een aambeeld en onwillekeurig bewoog hij zijn schouders. Hij miste de hamers en tangen in zijn handen, het withete metaal waar de vonken vanaf vlogen terwijl zijn slagen het vorm gaven. De smidsgeluiden vervaagden achter hem, gingen ten onder in het geratel van karren en wagens en het geredetwist van winkeliers en mensen in de straten. Onder de geur van mensen en paarden, van koken en bakken, en de vele andere geuren die hij zo kenmerkend voor een stad had gevonden, lag de geur van moeras en zout water.

Hij was verbaasd toen ze bij de eerste brug binnen de stadsmuren aankwamen – een lage stenen boog over een kanaal dat iets breder was dan dertig pas – maar bij de derde brug begreep hij dat Illian werd doorsneden door evenveel kanalen als straten, en dat men er even vaak volle boten voortduwde als de zweep hanteerde om zware wagens vooruit te krijgen. Draagstoelen weefden zich een pad door de menigte in de straten, en soms de gelakte koets van een of andere rijke koopman of edelman, met een groot wapenschild of blazoen op de portieren geschilderd. Veel mannen droegen eigenaardige baarden die de bovenlip vrij lieten, terwijl de vrouwen graag hoeden met brede randen leken te dragen waaraan een sjaal was vastgemaakt die ze om de hals hadden gewikkeld.

Een keer staken ze een groot plein van vele wegen breed over. Het werd omgeven door enorme witmarmeren zuilen, die minstens dertig pas hoog en vier pas breed waren. Ze toonden slechts een lauwerkrans van gebeeldhouwde olijftakken op de top. Aan beide zijden van het plein stond een enorm wit paleis, met zuilengalerijen en luchtige balkons, slanke torens en purperen daken. Op het eerste gezicht leken de paleizen precies op elkaar, maar toen zag Perijn dat het ene paleis in alles net iets kleiner was, de torens waren misschien nog geen pas lager. ‘Het paleis van de koning,’ zei Zarine tegen Perijns rug, ‘en de Grote Raadszaal. Er wordt gezegd dat de eerste koning van Illian bepaalde dat de Raad van Negen elk paleis kon krijgen dat hij wilde, zolang het maar niet groter was dan het zijne. Dus bouwde de Raad het paleis van de koning precies na, maar de afmetingen waren overal twee voet minder. Sindsdien is dat in Illian gebruik geworden. De koning en de Raad van Negen zijn elkaars tegenstanders, en de Vergadering strijdt met allebei. En terwijl zij hun vetes uitvechten, leven de mensen zoals ze willen, waarbij niemand al te zeer over hun schouders meekijkt. Geen slechte manier van leven, als je gebonden bent aan een stad. Je wilt vast ook wel weten, smidje, dat dit het Tammuzplein is, waar ik de Jagerseed aflegde. Ik geloof dat ik je uiteindelijk zoveel zal leren dat niemand meer het hooi in je haar zal zien.’

Perijn hield met moeite zijn tong in bedwang en besloot nooit meer zo openlijk naar iets te staren.

Niemand scheen Loial ongewoon te vinden. Een paar mensen keken hem twee keer aan en een paar kleine kinderen huppelden een tijdje mee, maar blijkbaar waren Ogier in Illian niet onbekend. Ook scheen niemand de klamme hitte op te merken.

Loial leek bij uitzondering niet blij dat de mensen hem zonder meer aanvaardden. Zijn lange wenkbrauwen zakten tot op zijn wangen en zijn oren kwijnden, maar Perijn wist niet zeker of dat van de lucht kwam. Zijn eigen hemd kleefde aan zijn huid, zowel door het zweet als de klamme lucht.

‘Ben je bang dat je hier andere Ogier zult vinden, Loial?’ vroeg hij. Hij voelde Zarine tegen zijn rug bewegen en vervloekte zijn tong. Hij wilde de vrouw zelfs nog minder laten weten dan Moiraine blijkbaar wilde. Misschien zou het haar dan zo gaan vervelen dat ze weg zou gaan. Als Moiraine haar nog wil laten gaan. Bloedvuur, ik wil helemaal geen valk op mijn schouder hebben, zelfs al ziet ze er aardig uit. Loial knikte. ‘Onze steenvoegers komen hier soms.’ Hij fluisterde, niet alleen zacht voor een Ogier maar voor iedereen. Zelfs Perijn kon hem nauwelijks horen. ‘Van stedding Shangtai, bedoel ik. Het waren de voegers van onze stedding die een deel van Illian bouwden – het Paleis van de Vergadering, de Grote Zaal van de Raad, een paar van de overige paleizen – en zij vragen altijd om ons als er iets hersteld moet worden. Perijn, als er hier Ogier zijn, zullen ze me dwingen terug te gaan naar de stedding. Ik had er eerder aan moeten denken. Ik voel me op deze plek niet op mijn gemak, Perijn.’ Zijn oren bewogen zich zenuwachtig.

Perijn reed Stapper dichterbij en strekte zich om Loials schouder een klopje te geven. Hij moest hoog reiken, tot boven zijn hoofd. Hij was zich nu bewust van Zarine achter zijn rug en koos zijn woorden zorgvuldig. ‘Loial, ik geloof niet dat Moiraine zal toestaan dat ze je meenemen. Je bent al zo lang bij ons, en ze wil kennelijk dat je blijft. Ze zal je niet laten meenemen, Loial.’ Waarom niet? vroeg hij zich plotseling af. Ze houdt mij bij zich omdat ze denkt dat ik belangrijk ben voor Rhand, en misschien omdat ze niet wil dat ik iemand vertel wat ik weet. Misschien wil ze daarom dat hij blijft.

‘Natuurlijk zou ze dat niet toelaten,’ zei Loial een beetje luider, en zijn oren kwamen overeind. ‘In wezen ben ik erg bruikbaar. Ze moet misschien nog eens over de saidinwegen reizen, en dat kan ze niet zonder mij.’ Zarine verschoof opnieuw tegen Perijns rug; hij schudde zijn hoofd en trachtte Loials blik te vangen. Maar Loial keek niet. Hij scheen juist te beseffen wat hij gezegd had en de pluimpjes op zijn oren waren weer wat ineengezakt, ik hoop niet dat het dat is, Perijn.’ De Ogier nam de hele stad om hen heen op en zijn oren zakten helemaal in elkaar. ‘Ik heb het niet op deze plaats begrepen, Perijn.’ Moiraine ging dichter bij Lan rijden en sprak zachtjes, maar Perijn slaagde erin haar woorden op te vangen. ‘Er is iets mis in deze stad.’ De zwaardhand knikte.

Perijn voelde iets tussen zijn schouders jeuken. De Aes Sedai had grimmig geklonken. Eerst Loial en nu zij. Wat zie ik niet! De zon scheen neer op de sprankelende dakpannen en blikkerde van de lichtgekleurde stenen muren. Die gebouwen zagen eruit alsof ze binnen koel zouden kunnen zijn. De gebouwen waren schoon en helder, en dat waren de mensen ook. De mensen.

Eerst zag hij niets ongewoons. Mannen en vrouwen die zich doelbewust naar hun zaken spoedden, zij het langzamer dan hij in het noorden gewend was. Hij dacht dat het door de hitte en de stralende zon kon komen. Toen viel hem een bakkersknecht op die een grote schaal verse broden op het hoofd droeg; de jongen had zo’n verongelijkte trek op zijn gezicht dat het bijna een snauw leek. Een vrouw voor een stoffenzaak keek of ze de man die de felgekleurde lappen voor haar ophield om te bekijken, wilde bijten. Een jongleur op een hoek knarste met zijn tanden en staarde naar de mensen die muntjes in zijn pet gooiden alsof hij hen haatte. Niet iedereen keek zo, maar hij vond dat tenminste in een van de vijf gezichten boosheid en haat te lezen waren. En hij dacht niet dat ze zich er ook maar enigszins van bewust waren.

1 ... 123 124 125 126 127 128 129 130 131 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)