Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Er verschenen steeds nieuwe beelden. Ze ordende die koortsachtig en probeerde wanhopig ze te begrijpen. Ze kreeg geen rust, maar het moest worden gedaan. Ze zou doen wat gedaan moest worden.
11
Een eed
‘Moeder! U wilde voor zonsopgang gewekt worden.’ Egwenes ogen schoten open. Ze had voor zichzelf bepaald omstreeks deze tijd te ontwaken, maar schrok desondanks van het gezicht dat boven haar hing. Streng en met reeds een glans van zweet was het als eerste blik op een nieuwe dag niet aangenaam. Meri’s manieren waren volmaakt eerbiedig, maar haar smalle neus, haar eeuwig zure mond en haar donkere, oordelende blik gaven aan dat de vrouw nog nooit iemand had gezien die maar half zo goed was als ze hoorde of beweerde te zijn. Haar vlakke stem maakte van iedere opmerking een verwijt.
‘Ik hoop dat u goed hebt geslapen, Moeder,’ zei ze; door haar gezicht leek het een beschuldiging van luiheid. De strakke zwarte haar tressen over haar oren leken dat gezicht pijnlijk strak te trekken. Het onopgesmukte grauwgrijs dat Meri altijd droeg, hoezeer ze er ook van zweette, droeg veel bij aan de zwaarmoedige indruk. Het was jammer dat ze niet wat echte rust had gekregen. Gapend stapte Egwene uit haar smalle veldbed, borstelde haar tanden met zout en waste haar gezicht en handen, terwijl Meri haar kleren voor die dag, kousen en schone onderkleren, klaar legde. Ze leed diep bij het zich laten aankleden. ‘Leed’ was het juiste woord.
‘Ik vrees dat enkele knopen pijn zullen doen, Moeder,’ mompelde de sombere vrouw, die ook een borstel door Egwenes haren haalde. De opmerking dat ze het in haar slaap niet met opzet in de war had gemaakt, brandde op het puntje van Egwenes tong. ‘Ik heb begrepen dat we een dag rust nemen. Moeder.’ Louter gemakzucht, bruiste Meri’s beeld in de staande spiegel beschuldigend. ‘Deze tint blauw doet uw huidkleur mooi uitkomen, Moeder,’ merkte Meri op, terwijl ze de knoopjes vastmaakte en haar gezicht Egwene ijdelheid verweet.
Bijzonder opgelucht dat ze die avond Chesa zou hebben, schikte Egwene de stola om haar schouders en holde bijna weg nog voor de vrouw klaar was.
Er was nog geen streepje zon boven de heuvels in het oosten te zien. Het golvende landschap vertoonde lange heuvelruggen met hier en daar woeste hoogten van wel honderd voet, die door monsterachtige vingers leken te zijn bewerkt. Net als in de brede dalen ertussen dompelden de schaduwen het kamp in schemer, maar het was al ruimschoots ontwaakt in de hitte die nooit echt verdween. Ontbijtgeuren vulden de lucht en mensen waren druk bezig, hoewel er niets te bespeuren was van de haast die zou hebben aangegeven dat er weer een reisdag was aangebroken. In het wit geklede novices haastten zich bijna hollend rond. Een verstandige novice vervulde haar plichten altijd zo snel ze kon. Zwaardhanden leken natuurlijk nooit haast te hebben, maar zelfs de bedienden die het ochtendmaal naar de Aes Sedai brachten, schenen het vanmorgen slenterend te doen. Nou ja, bijna slenterend. Vergeleken bij de novices. Het hele kamp nam de rustdag te baat. Gekletter en gevloek bij een wegglijdende hefboom kondigden herstelwerk van wagenmakers aan en een ver hamergeklop verried dat hoefsmeden paarden besloegen. Een tiental kaarsenmakers had hun vormen reeds klaargelegd en verhitte de ketels met zorgvuldig verzameld druipvet en kaarsstompjes. Nog meer zwarte ketels, met water, stonden op het vuur voor baden en wasgoed en vlakbij gooiden mannen en vrouwen kleren op een hoop. Egwene schonk weinig aandacht aan de werkzaamheden. Het vervelende was dat ze zeker wist dat Meri het niet opzettelijk deed; zij kon het ook niet helpen dat ze zo’n gezicht had. Romanda als kamermeid zou net zo erg zijn. Bij die gedachte moest ze hardop lachen. Als kamermeid zou Romanda haar meesteres binnen de kortste keren kaarsrecht in de houding laten staan en niemand hoefde enige twijfel te koesteren over wie er mocht hollen en draven. Een grijsharige kok onderbrak zijn gepook in de kolen van een ijzeren oven om haar plezier met een grijns te delen. Even, heel even. In het besef dat hij de Amyrlin toegrijnsde en geen langslopende, willekeurige jonge vrouw, smolt de grijns wanstaltig weg. Hij maakte een haastige buiging voor hij weer aan het werk ging.
Als zij Meri wegstuurde, zou Romanda een tweede bespiedster vinden. En Meri zou weer van dorp tot dorp haar bedelende hongertocht maken. Ze schikte haar kleren wat beter – ze was echt vertrokken voor de vrouw helemaal klaar was – en haar vingers vonden een linnen zakje, waarvan de koordjes waren weggestoken achter de gordel. Ze hoefde het niet vlak bij haar neus te houden om de bloemblaadjes en het kruidenmengsel met de verfrissende geur te ruiken. Het deed haar zuchten. Iemand met een gezicht als een beul, die ongetwijfeld alles aan Romanda verklikte, maar wel trachtte haar plichten zo goed mogelijk te vervullen. Waarom waren zulke zaken nooit gemakkelijk? Ze kwam in de buurt van de tent die ze als werkkamer gebruikte – velen noemden het de werkkamer van de Amyrlin, alsof het een vertrek in de Toren was – en een plechtige voldoening verving haar zorgen over Meri. Telkens wanneer ze ergens een dag verbleven, was Sheriam nog vroeger op dan Egwene, met dikke stapels verzoeken. De smeekbede van een wasmeid om barmhartigheid bij een beschuldiging van diefstal, terwijl ze was betrapt met de juwelen in haar rok genaaid. Het verzoek van een smid om een gunstige werkverklaring, die hij pas na zijn vertrek kon gebruiken en zelfs dan waarschijnlijk niet. Een tuig-maakster die vroeg om de zegen van de Amyrlin zodat ze een dochtertje zou krijgen. Een krijgsman van heer Brin met het verzoek om de persoonlijke zegen van de Amyrlin op zijn huwelijk met een naaister. Er waren altijd een hoop oudere novices die bezwaar maakten tegen een bezoek aan Tiana of zelfs tegen strafklusjes. Iedereen had het recht een verzoek aan de Amyrlin te richten, maar wie in dienst van de Toren was, deed het zelden, en novices nooit. Egwene vermoedde dat Sheriam naar mensen met een verzoek zocht om haar bezig te houden, terwijl de Hoedster zelf zich aan belangrijke zaken wijdde. Vanmorgen zou Egwene alle verzoeken bij wijze van ontbijt aan Sheriam opdienen.
Toen ze binnenkwam was Sheriam er echter niet, wat na de vorige avond wellicht geen verrassing was. Maar de tent was niet leeg. ‘Het Licht verlichte u deze morgen. Moeder,’ zei Theodrin, die een diepe knix maakte, waardoor de bruine franje van haar stola fladderde. Ze bezat de sierlijkheid van een Domani, hoewel haar hoog gesloten gewaad in feite heel beschaafd was. Domani stonden niet bekend om hun beschaafde kledij. ‘Wij hebben gedaan wat u ons opdroeg, maar niemand heeft gisteravond iemand in de buurt van Marigans tent gezien.’
‘Sommige mannen herinnerden zich Halima,’ voegde Faolain er zuur aan toe met een veel korter kniebuiginkje, ‘maar afgezien daarvan herinnerden ze zich amper of ze daar wel is gaan slapen.’ Veel vrouwen dachten heel min over Delana’s schrijfster, maar bij haar volgende opmerking werd Faolains ronde gezicht nog donkerder dan anders. ‘We kwamen Tiana tegen terwijl we het overal vroegen. Ze zei ons naar bed te gaan en dat maar heel snel te doen.’ Onbewust streek ze over de blauwe franje van haar stola. Nieuwe Aes Sedai droegen hun stola gewoonlijk veel vaker dan nodig was, had Siuan verteld.
Egwene schonk hun een glimlach die hopelijk hartelijk was en ging achter het tafeltje zitten. Behoedzaam. De stoel wiebelde even vervaarlijk tot ze haar hand uitstak en de poot recht trok. Een hoekje van een opgevouwen stukje perkament stak net onder de stenen inktpot uit. Haar handen jeukten, maar ze bedwong de neiging. Te veel zusters vonden het amper nodig wat beleefdheid te tonen. Zo’n zuster wilde ze niet zijn. Bovendien was ze die twee wat verschuldigd. ‘Het spijt me van jullie moeilijkheden te horen, dochters.’ Toen zij Amyrlin geworden was, had ze hen tot Aes Sedai verheven; ze doorstonden hetzelfde leed als zij, maar misten de bijzondere bescherming van de Amyrlin-stola, al was die inmiddels amper een bescherming gebleken. De meeste zusters gedroegen zich alsof ze nog steeds Aanvaarden waren. Wat er zich in de Ajahs afspeelde, was daarbuiten zelden bekend, maar het gerucht ging dat ze echt heel nederig om opname hadden moeten smeken en dat er hoedsters waren aangewezen om op hun gedrag toe te zien. Niemand had ooit eerder zoiets meegemaakt, maar iedereen nam aan dat het waar was. Ze had hun geen gunst bewezen, maar het was iets wat nodig geweest was. ‘Ik zal met Tiana spreken.’ Het zou wel wat helpen. Een dag, of een middag.