De Cock en een strop voor Bobby
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #1
- Год: 2004
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0614-9
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en een strop voor Bobby». Краткое содержание книги:
Ik had mij zo rustig op het kussen der berusting te slapen gelegd. Een zoete sluimer. Maar Geert was gekomen en had bij mij herinneringen wakker geroepen aan mijn ik van vroeger. En dan Bobby, die in mij instincten deed ontwaken, waarvan ik mij niet eens bewust was dat ze in mij leefden.
Bobby, daar was hij weer, terug in mijn gedachten. Wat zou men in de oertijd met een man als Bobby Brakel hebben gedaan, toen men nog geen geschreven recht kende? Vermoedelijk had hij dan niet lang geleefd. Een of andere vertoornde vader of broer zou al spoedig tussenbeide zijn gekomen. Maar de samenleving is gecompliceerd geworden. In plaats van de wraak hebben we nu het recht en gerechtsdienaren. Ik was er een van. Maar wat had ik gedaan toen Mientje in de gore handen van Bobby terechtkwam? Ik wist toch vooruit wat de gevolgen zouden zijn. Ik had weliswaar haar zelfmoord niet voorzien, maar was ik vrij van schuld? Ik had slechts lijdelijk toegezien en was keurig binnen de perken van de Wet gebleven.
Maar als de Wet tekortschiet en mannen zoals Bobby de gelegenheid biedt om ongehinderd hun vuile praktijken te bedrijven, kon ik mij dan maar rustig achter de dode letter van de Wet verschuilen?
Schuld? Had ik schuld? Waarom had de dood van Mientje mij zoveel dieper aangegrepen dan al die andere moorden en zelfmoorden, die ik in mijn loopbaan al was tegengekomen? Waarom had ik zo hardnekkig geprobeerd mij achter een fagade van onverschilligheid te verbergen? Was het een gevoel van schuld? Mijn hoofd gonsde van de gedachten. En als Marjan nu eens… zou ik dan ook lijdelijk toezien? Ik beet op mijn onderlip. ‘Hoe pleeg je als rechercheur een moord?’
‘Hee, paps, sta je daar allang?’
Ik werd plotseling tot de werkelijkheid teruggeroepen. Voor mij stond Marjan. Ik had niet eens gemerkt dat het grote kantoorgebouw al doende was zijn slaven uit te spuwen, zo was ik verdiept geweest in de kringloop van mijn zonderlinge gedachten.
‘Ja,’ zei ik met een vage glimlach, ‘ik sta hier al een poosje.’ ‘Het is dat ik zo’n idee had, dat je er zou staan,’ zei ze, ‘anders had ik je niet eens opgemerkt en was je gewoon voorbijgelopen.’ Ze lachte. ‘Die paps toch, altijd met zijn gedachten bij zaken.’ Ze gaf mij een arm.
‘Waar gaan we heen, Marjan? Jij mag het zeggen.’
‘Laten we naar die Chinees gaan. Weet je nog, daar hebben we de vorige keer ook zo lekker gegeten.’
‘Die Chinees’ was een Chinees restaurantje in de oude binnenstad van Amsterdam, dat wijd en zijd om zijn heerlijke gerechten grote vermaardheid genoot. En terecht. Wanneer ik ’s avonds doorwerkte en geen tijd had om naar huis te gaan, liet ik er nog wel eens een portie nasigoreng voor mij halen. Ik kreeg het dan keurig verpakt in vetvrij papier.
Het is soms een voorrecht van een rechercheur, dat hij nog wel eens in de gelegenheid is om achter de schermen te kijken. Zo was ik eens in de keuken van het restaurant geweest en had met eigen ogen kunnen zien hoe zorgvuldig en proper de gerechten werden bereid. Mijn bezoek aan die keuken was geen kwestie van nieuwsgierigheid. Twee Chinezen hadden elkaar over en weer met een pollepel op het hoofd geslagen. Omdat deze handelingen niet bij het bereidingsritueel stonden voorgeschreven, maar pure uitingen waren van een gerezen tweedracht, was ik erbij gehaald om het geschil te beslechten. Het werd een conversatie met veel hand- en voetwerk, want het is voor een Nederlander geen eenvoudige zaak om twee opgewonden kwetterende Chinezen te begrijpen en dan bovendien nog een voor beide partijen aanvaardbaar compromis te vinden. Op een of andere manier lukte het mij en sindsdien werd ik in het restaurantje met veel eerbetoon ontvangen, hoewel ik eerlijk moet bekennen dat ik vandaag de dag nog niet weet waardoor het pollepelduel was ontstaan.
Marjan en ik gingen in een hoekje van het restaurant zitten en een altijd glimlachende Chinese bediende serveerde zwijgend louter lekkernijen. Toen we de maaltijd met een kop koffie besloten en een gevoel van behaaglijkheid mij overviel, leek alles zo vredig dat ik er een ogenblik aan dacht om het onderwerp
Bobby voorlopig maar te laten rusten. Maar de gelegenheid was gunstig en het was de vraag of zich spoedig weer zo’n gunstige gelegenheid zou voordoen. Het zou minstens een week duren voordat mijn vrouw weer een dagje naar haar moeder ging en ik Marjan voor mij alleen had. Zolang wilde ik niet wachten. Ik wilde die kwellende onzekerheid kwijt.
‘Dus je gaat zaterdag met Geert uit,’ begon ik. Het leek mij een goede opening.
‘Ja, we gaan naar de bioscoop. Geert zou voor kaartjes zorgen. Hij had een bepaalde film op het oog.’
‘Het is een aardige kerel die Geert. Ik mag hem wel.’
‘Ik ook,’ zei Marjan lachend.
‘Verliefd?’
‘Och kom, dat kan toch nog niet. Ik heb hem nog maar één avond gezien.’ Ze keek mij plagend aan. ‘Ik vraag mij trouwens af of ik met een mensenjager zou willen trouwen. Ik zie het toch aan jou. Je bent altijd met je gedachten bij je werk. Ik wil een man die ook wel eens aan mij denkt.’
‘Ja,’ zei ik peinzend, ‘ons werk laat je niet gemakkelijk los. Je hebt altijd met mensen te doen. Moeilijk materiaal om te bewerken. Geert had gisteravond ook maar weinig aanmoediging nodig om het verhaal van die arme Mientje te vertellen.’ Marjan zweeg.
Pas na een poosje zei ze: ‘Heb jij die Mientje nog gekend? Ik bedoel, voordat ze… ’
Ik knikte.
‘Wat was zij voor een meisje?’
‘Och Marjan, dat is zo moeilijk te zeggen. Ik vond haar wel aardig. Ze was niet ordinair of plat, zoals de meesten. Ze is eigenlijk nooit helemaal afgezakt naar het peil van de buurt. Ze kwam ook uit een nette familie. Haar moeder is jong gestorven. Ze is in feite alleen door haar vader opgevoed. Ik weet dat hij zijn best heeft gedaan en het zou onredelijk zijn om hem een verwijt te maken. Ik denk dat Mientje als kind heel erg aan haar vader was gehecht. De kortsluiting kwam toen ze wat ouder werd. Mientje was zestien jaar, toen haar vader erachter kwam dat ze verkering had. Hij was fel tegen die verkering gekant. Hij had allerlei bezwaren. Hij vond haar te jong en in zijn ogen was die jongen van haar een slungel waaruit niets kon groeien. Op aandringen van haar vader liet ze die jongen los en verbrak de verkering. Niet lang daarna nam hij een vrouw in huis die het predikaat huishoudster kreeg aangemeten. We hebben niet het recht om een ander zijn daden te bekritiseren, haar vader was al zolang zonder een vrouw geweest, maar ik geloof dat hij dat beter niet had kunnen doen. Het was misschien beter geweest, wanneer hij daarmee nog wat gewacht had. Het was nogal riskant. Ik bedoel, het is altijd de vraag hoeveel begrip je in dergelijke gevallen van je kinderen kunt verwachten. Mientje heeft dat begrip vermoedelijk niet kunnen opbrengen. Haar huwelijk met die man was, zo voel ik dat, eigenlijk een protest tegen haar vader. Uit de afscheidsbrief die ze hem schreef, kwam dat ook wel naar voren. Het was een afschuwelijke brief. Om zo’n brief van je eigen dochter te ontvangen, nadat zij zich van het leven heeft beroofd, moet voor een vader iets verschrikkelijks zijn. Begrijp je, Marjan. Ik kon hem die brief niet geven. Er was geen discussie meer mogelijk. Mientje had zich daaraan onttrokken. Haar afscheidsbrief was haar laatste woord. Haar vader kon zich niet meer verdedigen. Ze had hem die kans ontnomen. Daarom ontnam ik haar het laatste woord. Ik heb die brief verbrand.’ Marjan keek mij verschrikt aan.