De Cock en een deal met de duivel
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #52
- Год: 1999
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-1341-2
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en een deal met de duivel». Краткое содержание книги:
‘Een fris jochie.’
Vledder glimlachte.
‘Dat mag je wel zeggen. Ik heb nog even met collega Den Haan van het bureau Lijnbaansgracht gebeld. Hij heeft in het verleden een paar zaken tegen Cornelis van Dammen behandeld.
Volgens Den Haan is de gedachte van Arno de Graaf niet zo gek. Voor de moord op Henry Achterberch komt Cornelis van Dammen zeker in aanmerking. Hoewel ze vaak samen op pad gingen, bestonden er toch spanningen tussen die twee.’
‘Geld?’
Vledder grinnikte.
‘Henry Achterberch nam de klusjes aan, maar deelde nooit zo eerlijk.’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘Dat hou je in dat wereldje nooit te lang vol.’
De oude rechercheur zweeg even.
‘Je hebt nog geen rapport of bericht van onze wapendeskundige?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dat duurt altijd wel een paar dagen.’
De jonge rechercheur keek naar hem op.
‘Jij denkt,’ sprak hij hoofdknikkend, ‘dat de moord op Pedro de Jaager een motorklusje was van Henry Achterberch en Keesie de Scheurder?’
‘Het zou mij niets verbazen. Henry met zijn kalasjnikov op de duo en Keesie aan het stuur.’
Vledder streek met de rug van zijn hand over zijn voorhoofd.
Het was een gebaar van vermoeidheid.
‘En wie was de opdrachtgever… een van de beruchte Tantetjes?’
De Cock schonk hem een bewonderende blik.
‘Ik geloof,’ sprak hij lachend, ‘dat ik over een paar jaar met een gerust hart met pensioen kan gaan. Je wordt met de dag cleverder.’
Vledder onderging de lof gelaten.
‘Wat doen we nu met dat fraaie verhaal van Smalle Lowietje?’
De Cock glimlachte.
‘Zeg het maar.’
‘Gaan we op zoek naar Keesie de Scheurder?’
De Cock keek hem verwonderd aan.
‘Op de bonnefooi? Die jongen is ZetVeeWee. We hebben geen benul waar hij uithangt.’
‘We kunnen toch navraag doen?’
‘Waar?’
‘In de buurt.’
De Cock boog zich iets naar voren.
‘Bij wie?’ vroeg hij grijnzend. ‘Als Smalle Lowietje iets had geweten, dan had hij dat ons wel gezegd. Vermoedelijk huist hij in een of ander kraakpand. En je hebt zelf ondervonden wat het betekent om bij kraakpanden te informeren.’
De oude rechercheur gniffelde.
‘En wat wil je met hem doen? Hem vriendelijk vragen of hij misschien zijn maatje Henry Achterberch koud heeft gemaakt?’
Vledder trok zijn mond strak.
‘We arresteren hem voor moord.’
De Cock glimlachte meewarig.
‘Noem mij eens de feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld rechtvaardigen. Ik zie ze niet. Er wordt in de kringen van de penoze zoveel gefl uisterd. Dat levert ons geen bewijs op.’
De oude rechercheur stak zijn beide wijsvingers omhoog.
‘Als we een positief verslag van onze wapendeskundige in handen hadden gehad… een verslag dat Pedro de Jaager met de kalasjnikov van Henry Achterberch was neergeknald, dan had ik nog wel wat aangedurfd.’
‘Dan wel?’
De Cock knikte overtuigend.
‘Gezien het duistere verleden van Keesie de Scheurder,’ betoogde hij, ‘en zijn vroegere samenwerking met Henry Achterberch, had je wel iets om bij de officier van justitie aan te dragen.’
‘Nu niet?’
‘Nee.’
‘En als Gladde Arno Keesie de Scheurder vindt?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Daar behoeven we niet bang voor te zijn. Als Arno de Graafonschuldig is, zoals hij beweert, dan heeft hij er belang bij dat Keesie de Scheurder in leven blijft.’
De grijze speurder lachte.
‘Misschien brengt hij hem zelf wel naar ons toe.’
Vledder schudde langzaam zijn hoofd.
‘We doen dus niets?’
De Cock grijnsde.
‘Ook dat kan een vorm van goed rechercheren zijn.’
Vledder stond op.
‘Dan kan ik nu wel naar huis gaan.’
De Cock reageerde niet.
De telefoon op zijn bureau rinkelde. Vledder pakte de hoorn.
De Cock keek gespannen naar het gezicht van zijn jonge collega. Hij zag hoe zijn gezicht verbleekte. Na enkele seconden legde hij de hoorn op het toestel terug.
‘Het was de wachtcommandant,’ sprak hij hees.
‘En?’
‘Hij heeft een surveillancewagen naar de Realengracht gestuurd.’
De Cock voelde hoe het bloed uit zijn gezicht wegtrok.
‘Waarom?’
Vledder slikte.
‘In een van die oude pakhuisappartementen is een dode vrouw gevonden.’
11
Op de Realengracht, voor een oud, tot appartementen omgebouwd pakhuis, stond een politiesurveillancewagen met blauw zwaailicht half op het trottoir. Een jonge diender kwam uit de wagen en liep op De Cock toe. De oude rechercheur keek hem aan en meende de gelaatstrekken te herkennen.
‘Was jij er ook bij,’ vroeg hij wat onzeker, ‘toen we van de week in de appartementen op de Brouwersgracht het lijk van een vrouw hebben gevonden?’
De jonge diender knikte.
‘Dat was ik… met dezelfde maat.’
‘Hoe heet je?’
‘Jan Rozenbrand.’
De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Je vader is toch ook bij de politie?’
‘Ja, Peter Rozenbrand, rechercheur aan het hoofdbureau, afdeling Narcotica.’
De Cock keek hem bewonderend aan.
‘Je hebt er de vorige keer een goed mutatierapport van gemaakt.’
Jan Rozenbrand glimlachte gevleid.
‘Ik heb wel wat van mijn vader geleerd.’
De jonge diender wees langs de gevel van het pakhuis.
‘Het is op de tweede etage,’ legde hij uit. ‘Toen de buurvrouw van de derde etage na het bijwonen van een theatervoorstelling thuiskwam, vond ze op de tweede etage de toegangsdeur tot appartement 4 openstaan. Ze vond dat vreemd. Die deur staat, zeker zo laat op de avond, nooit open. Ze heeft eerst een paar maal geroepen. Toen ze geen antwoord kreeg is ze de woning binnengegaan.’
‘En vond een dode vrouw.’
Jan Rozenbrand knikte.
‘Mijn collega staat boven bij het lijk te wachten tot u komt. Ik heb zelf ook even naar haar gekeken. Volgens mij is er geen verschil.’
‘Waarmee?’
‘Met de Brouwersgracht. Op dezelfde manier gewurgd.’
Hij duimde over zijn schouder naar de surveillancewagen.
‘Zal ik via de mobilofoon om de meute vragen?’
De Cock glimlachte.
‘Doe maar. Ik hoop dat het spul nog niet op een oor ligt.’
Jan Rozenbrand liep van hem weg naar de wagen. De Cock riep hem terug. ‘Heb je de naam van de vrouw van de derde etage?’
De jonge diender knikte.
‘Staat in mijn boekje.’
‘Heeft zij de politie gebeld?’
Jan Rozenbrand knikte opnieuw.
‘Boven in haar eigen woning. Ze vertelde dat op het moment dat zij de dode vrouw vond, daar net de telefoon ging.’
‘En?’
‘Ze durfde de hoorn niet op te pakken.’
De Cock maakte een berustend gebaar.
‘Zet dat gegeven en haar volledige naam ook in je mutatierapport. Uitgebreid. Je weet inmiddels hoe dat moet.’
Jan Rozenbrand knikte.
‘Wilt u de naam van de dode vrouw? Die heb ik van het tableau met drukbellen overgenomen. Ik neem tenminste aan dat zij de bewoonster is. Tweede etage, appartement 4.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik denk dat ik die naam wel ken.’
De grijze speurder slenterde van hem weg naar de deur en beklom de brede houten trap naar de tweede etage.
Vledder volgde.
Boven op het portaal bleef de oude rechercheur staan, bracht zijn ademhaling weer op peil en snoof. In het oude pakhuis hing nog de weeë zoete geur van de cacaobonen die hier eeuwenlang werden opgeslagen.
In de deuropening van appartement 4 stond een diender. Hij tikte ter begroeting aan de klep van zijn pet.