De Cock en de zorgvuldige moordenaar
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #9
- Год: 2003
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0155-4
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en de zorgvuldige moordenaar». Краткое содержание книги:
Schuin rechts voor hem uit, eenzaam, wat verloren, liep André Beerenburgh. Het grijze haar aan de slapen stond wijduit, losgewaaid door een zwoel windje, dat de populieren rond de begraafplaats bewoog. De Cock versnelde zijn pas, haalde hem langzaam in. Toen de stoet zich om de groeve opstelde, ging hij achter hem staan. Hij lette scherp op zijn reacties, toen de beide doden op de grafl ift werden gelegd. André Beerenburgh scheen onbewogen. Eerst toen de kisten langzaam zakten, toonde hij enige emotie. Uit zijn grote bruine ogen gleed een traan. Zijn adamsappel schoof heen en weer. Zijn mond bewoog. ‘Adieu Juliette.’ Hij zei nog meer, maar De Cock nam afstand. Zijn gevoel van piëteit dwong hem daartoe. Een moment later had hij spijt en stapte weer naar voren.
De staatssecretaris sprak koel en met grote routine gevoelige woorden. Het maakte het warme hart van De Cock opstandig. Hij haatte clichés en holle frasen.
Toen Jerome van der Wheere een dankwoord had gesproken, schuifelde de stoet van de groeve weg.
André Beerenburgh keek opzij. ‘U bent er ook?’ In zijn stem klonk verwondering.
De Cock knikte traag. ‘Uit medeleven,’ sprak hij ernstig.
André Beerenburgh boog het hoofd. ‘Ik heb dit niet gewild,’ zei hij zacht.
De Cock keek hem aan. ‘Wat heeft u niet gewild?’
‘Die dubbele begrafenis. Ik had Juliette graag alleen begraven. Begrijpt u. Zonder al die mensen. Ik had alleen afscheid van haar willen nemen. Ver weg. Ergens op een klein intiem kerkhof.’
‘En?’
‘De machtige C.I.H. stond het niet toe.’
‘U bedoelt… Jerome stond het niet toe.’
Hij snoof verachtelijk. ‘Ze moest naast haar moeder begraven worden. Herenigd in de dood, zoals hij dat noemde.’ Hij schudde triest het hoofd. ‘Juliette heeft nooit van haar gehouden. Ik heb wel eens gedacht dat ze mij alleen heeft getrouwd om voorgoed van dat oude serpent bevrijd te zijn.’
‘Dat klinkt hard.’
André Beerenburgh knikte. ‘Ik moest feitelijk mijn mond houden. Het is tegen de code. Al hebben ze het leven van anderen vergald… over de doden niets dan goeds.’
Een tijdje liepen ze zwijgend voort. De Cock wees om zich heen. ‘Ik heb broer Jonathan niet gezien,’ zei hij achteloos.
Er gleed een glimlach om de lippen van André Beerenburgh, een kille, bijna wrede glimlach. ‘Ik hoop dat hij gauw weer toeslaat.’
De Cock keek getroffen naar hem op. ‘Jonathan?’
‘Ja, natuurlijk, Jonathan.’
‘Bent u dan niet bang?’
André Beerenburgh reageerde verwonderd. ‘Ik heb toch niets te vrezen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Wie dan wel?’
‘Jerome… hij is een Van der Wheere.’
13
Commisaris Buitendam zat als een vertoornde vader achter zijn bureau. Zijn borstelige wenkbrauwen staken ver naar voren. Zijn neusvleugels trilden. Met een gebaar van ingehouden woede klapte hij op de krant die uitgeslagen voor hem lag. ‘Dat is jouw werk.’
De Cock keek de commissaris verward, niet-begrijpend aan. ‘Wat is mijn werk?’
De commissaris draaide de krant een kwartslag om en De Cock las hardop de vette koppen: ZAL DE WREKENDE ZOON ZIJN LUGUBER MOORDWERK VOORTZETTEN? WAAR IS JONATHAN? Hij plukte grijnzend aan zijn neus. ‘Moet dat mijn werk zijn?’
De commissaris kwam half uit zijn stoel overeind. ‘Dat heb jij ingeseind.’
De Cock klopte verontschuldigend op zijn borst. ‘Werk ik bij de pers?’
De commissaris schudde heftig het hoofd. ‘Bij de recherche. En dat betekent dat op jou de plicht rust tot geheimhouding. Dat schijn je nogal makkelijk te vergeten. Men is over dat krantenbericht hoogst verbolgen.’
De Cock trok zijn gezicht strak. ‘Wie is men?’ vroeg hij scherp.
De commissaris reageerde fel. ‘Dat gaat jou geen bliksem aan. Dat zijn mijn zaken. Je zult over dat krantenbericht nog wel het een en ander horen. Dat beloof ik je.’
De Cock schudde traag het hoofd. ‘Dat fraaie opsporingsbericht van Jonathan,’ zei hij met een zoet sarcasme, ‘waar men zo verrukt over was, komt overal op de telex. Zelfs in het verre buitenland. Het is voor een handige journalist…’ Hij stokte, glimlachte beleefd. ‘Als u het lek hebt gevonden, hoor ik het wel.’
Het gezicht van de oude commissaris zag bleek. Hij strekte zijn arm naar de deur. ‘Eruit!’ brulde hij.
De Cock ging.
‘Hoe was de begrafenis?’
De Cock haalde nonchalant zijn schouders op. Gewoon, niets bijzonders. Er was vrij veel belangstelling. Zoals trouwens viel te verwachten. De Van der Wheeres zijn belangrijke mensen. Broer Jonathan liet verstek gaan. En ook dat verbaasde mij niet. Broer Jerome was vervelend, rechtlijnig. En André Beerenburgh triest en ontevreden.’
‘Waarom?’
‘Hij vond al die belangstelling maar niets. Hij had Juliette graag in z’n eentje begraven. Op een klein intiem kerkhof, zoals hij dat noemde.’
Vledder schudde het hoofd. ‘Een vreemde vent. Zou hij werkelijk zoveel van Juliette hebben gehouden?’
De Cock staarde voor zich uit. ‘De mantel der liefde,’ zei hij met een lichte ironie, ‘is een wijde cape. Het zou mij persoonlijk niets verbazen als hij haar in een moment van wilde bezetenheid had vermoord.’
‘Een crime passionnel.’
De Cock knikte. ‘Hij heeft ons verteld dat Juliette voor Krasnapolsky uit zijn wagen stapte en dat hij daarna rechtstreeks naar zijn huis aan de Sloterplas reed. Maar is dat waar? Er is niemand die zijn verhaal bevestigt. Wie zegt mij dat hij haar niet naliep, volgde tot in dat huis aan de Sint-Jansstraat? Een korte woordenwisseling… een wurggreep.’
Vledder keek hem getroffen aan. ‘Dat kan best,’ hijgde hij.
De Cock kauwde op zijn onderlip. ‘Maar verder kom ik niet. Begrijp je. Ik weet niet hoe ik hem moet inpassen, hoe ik hem moet plaatsen tegen de achtergrond van die beide andere moorden.’
‘Mevrouw Van der Wheere en de oude Henri.’
De Cock zuchtte diep. ‘Daar ontbreekt voor André Beerenburgh het motief.’
Een tijdje stonden de beide rechercheurs zwijgend naast elkaar, verzonken in gedachten.
‘Heb je de commissaris al gesproken? Hij liep vanmorgen woedend door het gebouw.’
De Cock knikte vaag. ‘Hij was niet zo blij met het krantenbericht.’
Vledder sloeg plotseling met zijn hand tegen zijn hoofd. ‘Margootje,’ stamelde hij onthutst.
‘Wie is Margootje?’
‘Ze zit binnen op je te wachten. Al minstens een halfuur. Ze wil een aanklacht indienen.’
De Cock trok een vies gezicht. ‘Een aanklacht?’
Vledder knikte. ‘Tegen de krant. Vanwege dat bericht.’
De Cock krabde zich achter in de nek. ‘Het wordt geloof ik tijd dat ik een schietgebedje doe.’
De Cock bleef getroffen staan. Hij keek naar haar, lang, onverholen. Een bewonderende blik in zijn ogen. ‘U… eh… u bent mooi,’ zei hij met een ingehouden zucht. ‘Opwindend mooi.’ Hij hield zijn hoofd een beetje schuin, krulde zijn lippen in een speelse glimlach. ‘U wist dat zelf al?’
Ze toonde een rij kleine witte tandjes en dartele kuiltjes bij de mondhoeken. ‘Het is mij meer gezegd,’ antwoordde ze guitig. Het gezicht van de grijze speurder betrok. ‘Ik was er al bang voor,’ zei hij droevig.
Ze lachte vrijuit. ‘U bent rechercheur De Cock?’
‘Met ceeooceekaa.’
Ze lachte opnieuw. ‘Het is mij voorspeld dat u dat zou zeggen.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Ik ben altijd maar bang dat men mijn naam verbastert.’ Hij wierp een steelse blik naar haar minirok, glipte haar voorbij en ging aan zijn bureau zitten. ‘U bent Margootje?’
Ze knikte. ‘Margootje van Stové.’