De Cock en de sluimerende dood
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #42
- Год: 1995
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0664-4
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en de sluimerende dood». Краткое содержание книги:
Evelien van Ursum schonk hem een matte glimlach.
‘Ik ben aan schoonmaken niet toegekomen. Ik maakte mij zorgen om het feit dat oom Martijn er niet was. En dat doe ik nog. Sinds tante Emmy… zijn vrouw, is gestorven, is hij nooit een nacht van huis geweest.’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Lag er nergens een briefje, waarin oom Martijn zijn afwezigheid verklaarde?’
Evelien van Ursum schudde haar hoofd. ‘Ik ben nergens een kattebelletje tegengekomen. En dat zie je toch gauw. Als oom Martijn wat van mij wilde, dan legde hij zo’n briefje altijd op de tafel onder de glazen asbak. En daar lag nu niets.’
‘Hebt u de recherche in Purmerend verteld van die woorden op de spiegel?’
Evelien van Ursum knikte.
‘Ik heb ze de tekst laten opschrijven… met de uitleg wie Maria was.’
‘En?’
‘Ze lachten erom.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Om de tekst?’
Evelien van Ursum schudde haar hoofd.
‘Dat twee oude mensen iets moois met elkaar hadden, vonden ze bijzonder grappig.’
De Cock kneep zijn lippen op elkaar. Het was niet de eerste keer dat de grijze speurder bemerkte dat zelfs ervaren rechercheurs de liefde tussen oudere mensen niet serieus namen.
De Cock wreef nadenkend over zijn kin.
‘Hebt u met oom Martijn ook over de verdwijning van Maria gesproken?’
Evelien van Ursum knikte.
‘Oom Martijn was er erg verdrietig onder. Hij was ervan overtuigd dat zij niet uit vrije wil was weggegaan. Volgens hem waren de twee jongste kinderen van mevrouw Van Borsele bij haar verdwijning betrokken. Hij vreesde zelfs voor haar leven. “Als de recherche niets doet,” zei hij tegen mij, “ga ik zelf op onderzoek.”’
‘Hoe?’
Evelien van Ursum trok haar schouders op.
‘Dat heeft hij mij niet gezegd. Ik denk dat het grootspraak van hem was… misschien wel wanhoop. Waar moet zo’n oude man gaan zoeken?’
De Cock glimlachte.
‘Had Maria… mevrouw Van Borsele, een sleutel van de flat van uw oom Martijn?’
Evelien van Ursum knikte.
‘En oom Martijn Schuitema had een sleutel van de flat van Maria.’
De Cock gebaarde in haar richting.
‘Kent u de garderobe van uw oom?’
‘Zeker. Ik kijk het zo nu en dan na of er nog iets naar de stomerij moet. Oom Martijn let zelf niet zo goed op dat soort dingen.’
‘Wat heeft hij aan?’
Evelien van Ursum verzonk even in gepeins.
‘Zijn beste jas… die met dat astrakan kraagje… en zijn zondagse pak… grijs met een krijtstreepje.
‘Wanneer droeg hij die kleren?’
‘Alleen bij bijzondere gelegenheden.’
‘Zoals?’
‘Een feestje, een bruiloft en dat soort zaken. Voor de kerkgang en begrafenissen had hij een stemmig donker pak met een bijpassende stropdas.’
‘Naar zijn kleding te oordelen,’ sprak De Cock achteloos, ‘is oom Martijn Schuitema dus op weg naar een feestelijke gelegenheid.’
Evelien van Ursum schonk hem een wrange glimlach.
‘Daar lijkt het op.’
‘Is u van een bijzondere gelegenheid… een festiviteit waarvoor uw oom Martijn zich zo in de puntjes zou kleden, iets bekend?’
‘Nee.’
‘Heeft oom Martijn buiten u nog andere familie… kinderen?’
Evelien van Ursum schudde haar hoofd.
‘Zijn huwelijk met tante Emmy is kinderloos gebleven.’
De Cock leunde achterover in zijn stoel.
‘Ik-ben-niet-dood… kom-naar-mij-kijken… Maria. Als u ons belooft dat wij die tekst op de spiegel in de badkamer van uw oom Martijn mogen zien, brengen wij u terug naar Purmerend.’
Op het gezicht van Evelien van Ursum verscheen een brede glimlach. Ze kwam van haar stoel overeind en wreef haar handen over elkaar.
‘Daar ben ik voor in,’ riep ze opgewekt. ‘Het spaart mij een strippenkaart.’
De Cock liet zijn blik door de kamer dwalen. Het flatje van Martijn Schuitema was sober gemeubileerd. Voor de ramen, die uitzicht gaven op het balkon, stonden twee rieten fauteuils en een tweezitsbankje om een ronde tafel met een matglazen blad.
Links was vanonder een bruin gedrapeerd gordijn in een aangrenzend vertrek een ijzeren ledikant zichtbaar. Op het nachtkastje gloeiden de rode cijfers van een digitale sluimerwekker.
Het wollen bontgebloemde tapijt vertoonde voor de deur en nabij een van de rieten fauteuils lichte slijtvlekken.
De grijze speurder wees naar een kleine eikenhouten secretaire rechts aan de muur.
‘Is die afgesloten?’
Evelien van Ursum schudde haar hoofd.
‘Oom Martijn heeft nooit iets op slot.’
De Cock liep op haar toe.
‘Maria… mevrouw Van Borsele,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘is… zo wordt beweerd… een schatrijke weduwe. Heeft uw oom Martijn wel eens met u over haar rijkdom gesproken?’
Evelien van Ursum grinnikte.
‘Ik plaagde oom Martijn wel eens. Dan maakte ik hem complimenten dat hij een rijke vrouw aan de haak had geslagen.’
‘Hoe reageerde hij?’
‘Oom Martijn zei altijd dat haar rijkdom hem niet kon schelen. Hij vond het alleen jammer dat zij niets met haar geld deed.’
De Cock veinsde onbegrip.
‘Wat bedoelde hij daarmee?’
‘Een mooie villa met een verwarmd zwembad… fraaie kleren… verre dure reizen… ge-nie-ten. Maria had heel veel aandelen, obligi… eh.’
‘Obligaties,’ vulde De Cock aan.
Evelien van Ursum knikte.
‘Dat bedoel ik. Ze had ook zat geld op de bank, maar gaf voor haarzelf geen cent uit.’
‘Deed oom Martijn wel eens zaken voor haar? Had hij volmachten? Ik bedoel, mocht hij van haar geld van de bank halen?’
Evelien van Ursum trok haar schouders op.
‘Dat weet ik niet. Ik kom hier om te werken… om zijn boeltje schoon te houden. Verder bemoei ik mij nergens mee.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Betaalt oom u goed?’
Evelien van Ursum keek argwanend naar hem op.
‘Bent u van de belastingen?’
De Cock draaide zich lachend om.
‘Wijs mij de badkamer.’
Evelien van Ursum dribbelde voor hem uit naar een kleine hal. Ze maakte de deur van de badkamer open en deed het licht aan. De Cock volgde haar. Midden in de badkamer bleef hij staan.
Op de spiegel boven de wastafel stond in een fors handschrift:
Ik ben niet dood.
kom naar mij kijken.
Maria.
De oude rechercheur nam de tekst minutenlang in zich op. Het bijna fotografische geheugen van de grijze speurder deed zich gelden. Zijn hartslag kreeg een hoger ritme en zijn markant gezicht verstarde.
De beide rechercheurs reden met hun Golf van het station Purmerend-Overwhere weg. Er viel natte sneeuw, die tegen de voorruit kleefde. Vledder zette de ruitenwissers aan en blikte opzij.
‘Ik vind het een stompzinnig gedoe om aan alle reizigers in de trein te vragen of ze een paar dagen geleden een oude dame met een kat in een mandje hebben gezien.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het is niet stompzinnig,’ reageerde hij nukkig.
Vledder duimde over zijn schouder.
‘Hoe vaak wil jij dat treinreisje naar Enkhuizen nog maken?’
De Cock bromde.
‘Tot het succes oplevert.’
‘Daar geloof jij in?’
‘Absoluut.’
Vledder grinnikte.
‘Het heeft toch geen zin meer.’
‘Wat niet?’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
‘Wil je dan nog doorgaan met het onderzoek naar de verdwenen mevrouw Van Borsele?’
De Cock reageerde verwonderd.
‘Waarom vraag je dat?’
Vledder liet het stuur van de Golf even los en spreidde zijn beide handen.
‘We weten in ieder geval dat ze nog in leven is. Het stond op de spiegeclass="underline" Ik ben niet dood.’