De Cock en de sluimerende dood
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #42
- Год: 1995
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0664-4
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en de sluimerende dood». Краткое содержание книги:
Vledder volgde soepel.
Op de bank naast de toegangsdeur van de grote recherchekamer zat een vrouw. Toen ze de grijze speurder in het oog kreeg, stond ze op en liep op hem toe.
De Cock bleef verbaasd staan.
‘Mevrouw Van der Vennen,’ riep hij verrast. ‘Wat komt u hier doen?’
Ze keek hem strak aan. Haar gezicht zag vaal. Langzaam schudde ze haar hoofd.
‘Ze hebben hem nog niet.’
‘Wie?’
‘De moordenaar van mijn man.’
10
De Cock liet zich op de stoel achter zijn bureau zakken. Secondenlang keek hij haar onderzoekend aan.
‘U ziet er slecht uit,’ stelde hij bezorgd vast.
Mevrouw Van der Vennen knikte.
‘Sinds de dood van mijn man heb ik bijna geen oog dichtgedaan. Ik kan het niet verwerken. Ik voel mij machteloos en opstandig. Dat tast mijn gestel aan. Ik heb het gevoel dat ik vanbinnen wordt uitgehold.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dood is onomkeerbaar. Uw zorgen en gepeins brengen uw man niet tot leven.’
De rechterhand van mevrouw Van der Vennen streelde het zachte leer van haar handtasje op haar schoot.
‘Bobbejaan was een lieve, zachtaardige man… altijd bereid om iemand te helpen.’
De Cock keek haar glimlachend aan.
‘De keren dat ik met hem heb gesproken, maakte hij ook op mij een sympathieke indruk. Ondanks mijn bescheiden middelen, beloofde hij mij een paleisje.’
Mevrouw Van der Vennen zuchtte.
‘Zo was hij,’ sprak ze hoofdknikkend. ‘Bobbejaan gaf de mensen altijd het gevoel dat hij hen hoogachtte. Hij vond dat ieder mens het waard was om menswaardig te worden behandeld.’
De Cock gleed met zijn pink over de rug van zijn neus.
‘De mortuis nil nisi bene.’
Mevrouw Van der Vennen reageerde verward.
‘Dat is?’ vroeg ze onzeker.
De Cock gebaarde in haar richting.
‘Een Latijnse spreuk: Over de doden niets dan goeds. Had uw man geen vijanden?’
Mevrouw Van der Vennen schonk hem een meelijwekkend lachje.
‘Mijn Bobbejaan… mijn Bobbejaan had alleen maar vrienden… mensen die van hem hielden.’
De Cock maakte een wrevelig gebaar.
‘Toch moet er iemand zijn geweest, die de dood van uw man zo belangrijk vond, dat hij of zij daar een moord voor over had.’
Mevrouw Van der Vennen keek hem smekend aan.
‘Wie… wie haalt het in zijn misdadig brein om mijn man als een hond neer te schieten?’
De Cock negeerde de vraag.
‘Hebt u met de rechercheurs gesproken die de moord op uw man onderzoeken?’
Mevrouw Van der Vennen stak de wijsvinger van haar rechterhand omhoog.
‘Eén keer… een halfuurtje… bij mij thuis. Ze vroegen, net als u, of Bobbejaan vijanden had… of hij wel eens door iemand was bedreigd.’
De Cock keek haar ongelovig aan.
‘Meer niet? Ik bedoeclass="underline" zijn ze later niet terug geweest om details met u te bespreken?’
Mevrouw Van der Vennen schudde haar hoofd.
‘Ik heb een paar maal naar het politiebureau gebeld om inlichtingen. Het enige antwoord dat ik kreeg, was dat de dood van mijn man nog alle aandacht had.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Sommige onderzoeken,’ sprak hij sussend, ‘zijn nogal tijdrovend. Ik denk dat men over te weinig aanwijzingen beschikt om het onderzoek naar de moord op uw man snel en succesvol af te wikkelen.’
Mevrouw Van der Vennen trok haar gezicht strak.
‘Ik wil weten,’ sprak ze bits, ‘wie mijn man heeft vermoord en waarom!’
De Cock knikte instemmend.
‘Een redelijk verlangen.’
Mevrouw Van der Vennen boog zich iets naar hem toe.
‘U zou mij helpen zijn moordenaar te vinden.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik kan en mag mij niet mengen in dat onderzoek. Dat heb ik u ook gezegd. Ik heb beloofd dat ik het onderzoek op afstand zou volgen… raad geven… als men daarnaar luisteren wil.’
Mevrouw Van der Vennen keek naar hem op.
‘Ik heb aan die rechercheurs uw naam genoemd. Hebben zij zich met u in verbinding gesteld?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik verwacht ook niet dat zij dat zullen doen. Amsterdamse rechercheurs hebben buiten Amsterdam niet zo’n beste naam. Ze staan als hooghartig en eigengereid te boek.’ De grijze speurder glimlachte. ‘Ik zal eens informeren,’ sprak hij geruststellend, ‘of men al vorderingen heeft gemaakt.’
Mevrouw Van der Vennen verschoof iets op haar stoel. Ze legde vertrouwelijk haar hand op de arm van De Cock.
‘Ik wil weten wie mijn man heeft vermoord,’ sprak ze dwingend. ‘Ik wil dat aan mijn man recht wordt gedaan. Eerder heb ik geen rust.’
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Ik besef dat volkomen… al tijdens ons eerste onderhoud na de dood van uw man, hebt u uw standpunt over recht en gerechtigheid duidelijk gemaakt. U hoeft mij daar niet steeds aan te herinneren.’
Mevrouw Van der Vennen trok haar hand terug.
‘Ik lig soms hele nachten in bed te piekeren.’
Ze knipte het lederen handtasje op haar schoot open.
‘Gisternacht,’ sprak ze, nerveus zoekend in haar tasje, ‘heb ik overwogen, dat de moord op mijn man wellicht verband houdt met een opdracht die hij kreeg als architect.’
De Cock knikte.
‘Dat is heel goed mogelijk.’
Mevrouw Van der Vennen plukte uit haar tasje een kleingevouwen A-viertje en overhandigde dat aan de oude rechercheur.
‘Bobbejaan was zeer nauwgezet,’ sprak ze verduidelijkend. ‘Hij noteerde alles. Ik heb de agenda’s van de laatste drie jaren van mijn man doorgesnuffeld en een lijst gemaakt van de namen van de mensen met wie hij een afspraak had.’
De Cock nam het A-viertje van haar over en vouwde het open.
‘Hebt u zo’n lijst,’ vroeg hij vriendelijk, ‘overhandigd aan de rechercheurs, die de moord op uw man onderzoeken?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
Mevrouw Van der Vennen trok haar schouders op.
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze onzeker.
De Cock keek haar bestraffend aan.
‘Wel doen,’ drong hij aan. ‘Het is een mogelijkheid die men niet mag verwaarlozen. Hebt u nog een kopie van deze lijst?’
‘Ja.’
De Cock liet zijn blik over het papier dwalen.
‘Kent u de mensen die op deze lijst staan?’
Mevrouw Van der Vennen knikte.
‘Met de meesten van hen heb ik gesproken… koffie of thee geserveerd… als mijn man met hen sprak. Ik had aanvankelijk ook uw naam op de lijst staan, maar die heb ik later geschrapt.’
De Cock glimlachte.
‘Ik was in uw ogen geen redelijke verdachte.’
Ineens keek de oude rechercheur verrast van de lijst op.
‘Bathmen,’ zei hij opgewonden. ‘Hier staat de heer W. Bathmen.’
Hij draaide zich met een ruk naar de vrouw toe. ‘Wie is de heer W. Bathmen?’
Mevrouw Van der Vennen maakte een achteloos gebaartje.
‘Een aardige, bescheiden man. Hij kwam met Bobbejaan praten over een bedrijfspand.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen samen. ‘Een bedrijfspand?’
Mevrouw Van der Vennen knikte. ‘De heer Bathmen wilde op het industrieterrein in Medemblik een visfileerbedrijf op poten zetten. Met de havens van Den Helder en Den Oever dichtbij, leek de locatie hem bijzonder geschikt. Hij had, zo vertelde hij mij en mijn man, al een soortgelijk fileerbedrijf in IJmuiden.’
Het wolkenpak dat de Amsterdamse binnenstad omhulde, hing laag en wikkelde de toppen van de eeuwenoude geveltjes in grijze wollen dekens. Grote natte sneeuwvlokken dwarrelden traag omlaag.
Vanaf het Stationsplein, waar hij uit de tram was gestapt, slenterde De Cock langs het Victoriahotel naar het brede trottoir van het Damrak. Hij trok de kraag van zijn regenjas wat omhoog en drukte zijn vilten hoedje naar voren. Vanonder de gebogen rand keek hij naar de sombere gezichten, die aan hem voorbijgleden. De sneeuwbrei waarin ze voortsjokten, scheen alle blijheid te hebben verdrongen.