De Cock en moord op termijn
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #24
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0219-4
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en moord op termijn». Краткое содержание книги:
‘Dat was u?’
‘Ja.’
De Cock wuifde in haar richting.
‘Maar u meende dat niet werkelijk… ik bedoel, geen moord in juridische zin?’
Marianne van Hoogwoud schudde haar hoofd.
‘Het was een opwelling… een daad van pure machteloosheid. Ik vond op dat moment echt dat Marcel was vermoord.’ Ze stak haar beide handen omhoog. ‘Maar niet door een enkel individu, die men daarvoor in persoon aansprakelijk kan stellen… maar door een falende maatschappij, die de gezondheid van de mens nog steeds niet centraal stelt.’
De Cock beluisterde de zinsbouw, de toon waarop ze haar woorden uitsprak. ‘Noemde u daarom uw naam niet?’ Hij liet zijn pink over de rug van zijn neus glijden. ‘Als individu?’
Marianne van Hoogwoud zuchtte diep.
‘U moet mij dat niet kwalijk nemen. Op het moment dat ik met een van u aansluiting kreeg, besefte ik dat ik met de verkeerde instantie sprak. De politie had met de dood van Marcel niets van doen. Ik realiseerde mij dat mijn reactie kinderlijk was… ondoordacht. Ik kreeg ook spijt. Om u niet op dwaalwegen te brengen, besloot ik naar u toe te komen en mij bekend te maken.’
‘Moedig.’
Om haar lippen gleed een trieste glimlach.
‘Een mens moet de consequenties van zijn daden durven aanvaarden.’
De Cock knikte instemmend.
‘Heeft uw… eh, uw autoritaire vader bij uw besluitvorming meegeholpen?’
‘Vader vond ook dat ik het doen moest. Vader is door de dood van Marcel diep getroffen. Marcel was zijn oogappel. Hij heeft altijd gehoopt dat Marcel het verder zou brengen dan greenkeeper bij een golfclub.’
De Cock maakte een onzeker gebaar.
‘Casper vertelde mij dat uw vader een greenkeeper was. Omdat ik niet wist wat dat inhield, heb ik mij daarover laten voorlichten. Als ik het goed heb begrepen, dan is een greenkeeper de man die voor een club de golfbanen verzorgt… in het bijzonder de putting-greens… stukjes uiterst fraai grasland met een holletje.’
Marianne van Hoogwoud glimlachte.
‘Een wat simpele uiteenzetting. Vader heeft daarbij nog tal van andere bezigheden.’
‘Al met al toch een eerzaam beroep.’
Marianne van Hoogwoud knikte instemmend. ‘We hebben ook altijd heel plezierig op het terrein van Amstelland gewoond. Vader staat bij het bestuur en de leden van de club hoog in aanzien. Terecht, naar ik meen.’ Ze pauzeerde even. ‘Maar van Marcel…’ ging ze verder, ‘van Marcel had vader meer verwacht. Marcel had een goed verstand… was intelligent… maar weigerde die intelligentie op een gepaste manier te gebruiken. Hij voelde niets voor een normale baan. Hij zei altijd dat hij snel rijk wilde worden en ging tot groot verdriet van mijn vader al jong het huis uit.’
‘Hoe?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Hoe wilde Marcel snel rijk worden?’
‘Vrouwen hebben dat niet zo… naar mijn idee…’ sprak Marianne van Hoogwoud met een trieste glimlach. ‘Maar mannen zijn vrijwel altijd op zoek naar een soort blauwdruk voor rijkdom en succes.’
De Cock wreef over zijn kin en voelde dat de stoppels er al aardig doorkwamen.
‘Bestaat er zo’n blauwdruk?’ vroeg hij onnozel.
Marianne van Hoogwoud antwoordde niet direct. Ze legde haar beide handen in haar schoot en zocht naar een passend antwoord. ‘Als ik… eh,’ begon ze voorzichtig, ‘de welstand zag… de manier waarop Marcel leefde… dan bekroop mij wel eens het gevoel dat Marcel de juiste blauwdruk had gevonden.’
‘Wist u wat Marcel deed?’
Marianne van Hoogwoud schudde haar hoofd. ‘Ik denk,’ sprak ze bedachtzaam, ‘dat niemand wist wat Marcel deed.’
‘Ook geen vermoeden?’
‘Nee.’
‘Hoe reageerde uw vader op de welstand van Marcel?’
De jonge vrouw maakte een lichte schouderbeweging. ‘Soms leek het alsof hij er zelfs trots op was. Maar vader is de laatste jaren de oude niet meer. Zijn geest is nog sterk, maar lichamelijk gaat hij hard achteruit. We hebben zijn bed al in de kamer gezet. Hij kan geen trap meer op. Ik ben bang dat door de vroege dood van Marcel zijn toestand nog zal verslechteren.’
De grijze speurder knikte begrijpend. Daarna keek hij haar scherp observerend aan.
‘Zou Casper… tijdens de ziekte van Marcel… de blauwdruk hebben overgenomen?’
Marianne van Hoogwoud blikte onbevreesd terug.
‘Casper,’ reageerde ze vinnig, ‘is een kind.’
De Cock grijnsde.
‘Maar voor zijn achttien jaren uiterst volwassen.’
Ze trok haar mond strak en schudde haar hoofd.
‘Het is allemaal slechts spel van Casper… een pose. Zijn gedrag heeft met echte volwassenheid niets te maken. Als een oude, ervaren rechercheur zou u daar doorheen moeten zien.’ Het klonk bestraffend.
De Cock negeerde de opmerking.
‘Op het moment dat wij Casper arresteerden,’ sprak hij geduldig, ‘had hij honderd bankbiljetten van duizend gulden met tape op zijn buik geplakt. Van dat geld kennen wij nog steeds de herkomst niet.’
Marianne van Hoogwoud trok haar schouders op. ‘Ik ken dat verhaal,’ reageerde ze nukkig. ‘Ik weet niet hoe hij aan dat geld komt.’ Ze keek fel op. ‘En het interesseert mij ook niet.’
De Cock liet zich in zijn stoel terugzakken. Hij begreep dat verder aandringen geen zin had. Marianne van Hoogwoud leek hem geen vrouw die onder een golf van vragen zou bezwijken. Hij keek haar nog eens aan, monsterde haar profiel. Zijn blik gleed van haar kin naar een fraaie broche, die ze rechts op haar blouse droeg… een brede, glimmende ronde rand, kunstig opgevuld met ragfijn filigreinwerk in zilver. Hij plukte aan zijn onderlip.
‘We hadden aanvankelijk aan onze dokter Rusteloos wat bijzonderheden over aids willen vragen. Dat is niet meer nodig. U hebt ons al volledig ingelicht.’ Hij keek haar bewonderend aan.
‘Ik moet zeggen… u weet er echt veel van.’
Marianne van Hoogwoud gebaarde achteloos.
‘Niet zo verwonderlijk als men een broer heeft die aan die ziekte lijdt. Bovendien ontmoet ik aids dagelijks in mijn werk.’
‘Uw werk?’
‘Ik ben verpleegster in het Mattheus Ziekenhuis.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen iets samen.
‘Bij dokter Hardinxveld?’
Er kwam een waakzame blik in haar ogen.
‘Kent u hem?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Nee… ik ken hem niet. Maar ik heb zijn naam wel eens horen noemen.’
9
De volgende morgen stapte De Cock opgewekt en gladgeschoren de grote recherchekamer in de Warmoesstraat binnen. Een gezonde nachtrust had zijn geest verkwikt en een opdoemende loomheid uit zijn botten verdreven. Aanvankelijk had hij de slaap niet kunnen vatten. Honderdduizend gulden op een jongensbuik… een dode door aids op een bank… een wreed vermoorde man in een portiek… een stiertje voor een Steenbok… een vreemd gevormde wond… brokstukken van gesprekken… expressies, intonaties… domme dreigementen… het tolde wild en ongrijpbaar door zijn hersenen als in een dolgedraaide computer.
Even had hij geprobeerd om de contouren wat scherper te stellen, in dat alles lijn te ontdekken, verbanden, maar na een hopeloos halfuurtje had hij het opgegeven… alles uit zijn gedachten gedrukt en was weggedommeld in het ritme van het melodisch gesnurk van zijn vrouw naast hem.
Hij wierp zijn oude hoedje naar de kapstok en miste de haak op een halve meter. Lachend om zijn mislukking raapte hij zijn hoofddeksel van de vloer, hing het ordentelijk op en liep naar Vledder. De jonge rechercheur zat achter zijn schrijfmachine en typte als een razende aan een rapport. Toen hij De Cock in het oog kreeg, liet hij zijn vingers rusten, griste een notitie van zijn bureau en stond op.
‘Ik heb het adres van Martha.’
De grijze speurder vroeg verrast, ‘Hoe kom je daaraan?’