De Cock en moord op termijn
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #24
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0219-4
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en moord op termijn». Краткое содержание книги:
Caféhouder Lowietje, wegens zijn tengere gestalte en geringe borstomvang meestal Smalle Lowietje genoemd, streek met zijn handen langs zijn morsige vest en liep vrolijk op de grijze speurder toe. Zijn vriendelijke muizensmoeltje glom van genegenheid.
‘Het oude recept?’
Zonder op antwoord te wachten dook Lowietje aalglad onder de bar en kwam weer boven met een fles fijne cognac Napoleon, die de tengere caféhouder speciaal voor De Cock in voorraad hield. Klokkend schonk hij in.
‘Was er zo veel werk aan de Kit?’ vroeg hij belangstellend. ‘Ik heb je een paar dagen gemist.’
De Cock grinnikte. ‘En ik mijn cognac.’ Hij nam het bolle glas op, schommelde het zachtjes in de hand en snoof. Op zijn brede gezicht verscheen een uitdrukking van opperste verrukking. Hij nam omzichtig een slokje en liet de drank genietend door zijn keel glijden.
‘Weet je, Lowie,’ sprak hij dromerig, ‘ik wist bijna niet meer hoe het smaakte.’
Smalle Lowietje lachte. ‘Je behoeft je voorlopig geen zorgen te maken. Ik heb pas weer een nieuw voorraadje voor je ingeslagen.’
De Cock knikte dankbaar. Hij zette het glas voor zich neer en boog zich iets voorover. Toen het oor van de caféhouder dichtbij was, fluisterde hij: ‘Weet jij waar Kraaitje tegenwoordig uithangt?’
Het gezicht van Smalle Lowietje betrok, kreeg een haast smartelijke uitdrukking.
‘Zoek je hem?’
De grijze speurder glimlachte.
‘Bezorgd, Lowie?’
De caféhouder haalde wat mistroostig zijn magere schoudertjes op.
‘Ach, weet je,’ sprak hij zorgelijk, ‘ik heb nu eenmaal een zwak voor Kraaitje.’
De Cock knikte instemmend.
‘Ik ook.’
‘Toch zoek je hem?’
De grijze speurder spreidde zijn handen in een verontschuldigend gebaar. ‘Wat moet ik?’ sprak hij met een zweem van wanhoop. ‘Ik kan moeilijk toestaan dat hij een advocaat de schedel inmept.’
‘Die… eh, die meester Van Abbenes… heeft hij dat gedaan?’
De Cock wreef over zijn kin.
‘Wat denk jij, Lowie?’
De caféhouder staarde enige tijd nadenkend voor zich uit. Zijn altoos vriendelijke muizensmoeltje toonde ernstige trekken.
‘Weet je, De Cock,’ begon hij aarzelend, ‘toen ik in de krant las dat ze die advocaat hadden doodgeslagen, dacht ik onmiddellijk: dat heeft Kraaitje geflikt.’ Hij klopte met zijn vuist op zijn smalle borst. ‘Maar hier vanbinnen kan ik het niet geloven.’
‘Waarom niet?’
De caféhouder reageerde wat korzelig.
‘Kraaitje heeft een machtig grote bek…. een muil als de Westerschelde.’ Hij hield zijn rechterhand omhoog, duim en wijsvinger iets uit elkaar. ‘Maar een hart uit een zakkie snoep.’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren.
‘Vroeger mepte hij er toch ook lustig op los.’
‘Ach, branie… toen was hij nog jong.’
De Cock glimlachte.
‘Is hij na de dood van die meester Van Abbenes nog bij je in de zaak geweest?’
‘Nee.’
‘Wat van hem gehoord?’
‘Nee.’
‘Op de vlucht?’
Smalle Lowietje schudde zijn hoofd. ‘Zo moet je dat niet zien, geloof ik.’
Hij zweeg even.
‘Kijk,’ sprak hij belerend, ‘Kraaitje heeft zo vaak verkondigd dat hij die advocaat zijn hersens zou inslaan, dat iedere penozejongen denkt dat hij het ook werkelijk heeft gedaan. Snap je? Dat begrijpt Kraaitje drommels goed.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Waarom had hij zo’n pest aan die advocaat?’
De caféhouder antwoordde niet direct. Hij schonk zichzelf en de beide rechercheurs nog eens in en nam een slok van zijn cognac.
‘Kraaitje…’ begon hij toen voorzichtig, ‘Kraaitje heeft het moeilijk. Een jaar of tien geleden is hij hier uit de buurt vertrokken. Hij vond dat hij met zijn reputatie van doldrieste nar, die door eenieder kon worden opgewarmd, hier in Amsterdam geen echte toekomst had. Daarom ging hij weg.’
‘Ik was hem ook totaal uit het oog verloren.’
Smalle Lowietje knikte.
‘Zijn oude moeder woont hier nog in de buurt. Die komt zo af en toe nog wel eens een neut bij mij halen. Zodoende blijf ik op de hoogte. Kraaitje ging naar Utrecht. Met wat geld van een oom begon hij daar een zaak in rijwielen en bromfietsen. Daar had hij wat verstand van. En het liep lekker. Kraaitje kon algauw zijn zaak uitbreiden en verdiende aardig wat kluiten.’ De caféhouder zette zijn glas neer. Zijn gezicht betrok. ‘Twee jaar geleden ontmoette hij dat wijf.’
‘Wat voor een wijf?’
Smalle Lowietje grinnikte. ‘Sophie heet ze.’ Zijn gezicht klaarde op. ‘Een kanjer… echt. Misschien niet helemaal zuiver op de graat, maar om te zien een moordwijf met alles d’r-op en d’ran. En Kraaitje was verkocht. Onmiddellijk. Binnen een maand waren ze getrouwd. Toen begon de ellende.’
De Smalle haalde achteloos zijn schouders op. ‘Niet direct… maar toch al gauw. Ze belazerde Kraaitje bij het leven. In het begin wilde de jongen er niets van horen. Hij noemde het gezwam van mensen die jaloers waren op zijn geluk. Tot hij haar thuis in bed betrapte met een andere kerel. Hij smeet haar de straat op en stapte naar een advocaat.’
‘Meester Van Abbenes.’
‘Ja.’
‘Om echtscheiding aan te vragen?’
Smalle Lowietje knikte traag.
‘Precies… en dat heeft hij geweten.’ Hij spreidde zijn beide handen. ‘Wat dat wijf met die advocaat heeft gedaan, weet ik niet. Het gaat mij in feite ook niet aan, maar ze zal haar fraaie lijf wel in de strijd hebben geworpen. Hoe dan ook… wat er uiteindelijk uit de bus kwam, was voor Kraaitje zo verschrikkelijk, dat hij alles waarvoor hij jaren had geploeterd, in één klap kwijt was.’
‘Zo erg?’
‘Beslist,’ knikte Lowietje overtuigend. ‘Die jongen zit compleet aan de grond. Hij kan zijn zaak in Utrecht wel verkopen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Van der Kraay hoefde toch niet onmiddellijk met die echtscheidingsvoorwaarden akkoord te gaan? Er waren toch nog wel rechtsmiddelen?’
De caféhouder gebaarde wat triest voor zich uit. ‘Wat weet zo’n jongen van rechtsmiddelen? Ze hadden hem die meester Van Abbenes aangeprezen als een bijzonder handige advocaat… specialist in echtscheidingen.’ Hij zuchtte. ‘Daar komt nog bij dat Kraaitje in zijn onnozelheid meende dat hij volkomen in zijn recht stond. Hem kon niets gebeuren. Zíj had toch overspel gepleegd, hij niet.’
De Cock luisterde en plukte aan zijn neus.
‘Het ellendige is nog dat Fransie van der Kraay zijn stomme bedreigingen ook in het kantoor van die advocaat Van Abbenes heeft uitgesproken. Nog wel in het bijzijn van getuigen.’
Smalle Lowietje kneep zijn ogen even dicht.
‘Kloothommel.’ Het kwam uit de grond van zijn hart.
De Cock pakte zijn glas op en nam een slok. Hij zette het glas direct weer neer. De cognac smaakte hem niet. Hij keek Lowietje wat droevig aan.
‘Zou Kraaitje het echt gedaan hebben?’
De Smalle reageerde verwonderd.
‘Ben ik rechercheur… of jij?’
De grijze speurder liet zich zwijgend van zijn kruk glijden en zette zijn hoedje achter op zijn hoofd.
Smalle Lowietje wees naar het restje cognac dat nog in zijn glas was achtergebleven.
‘Moet je niet meer?’
‘Nee.’
De tengere caféhouder keek De Cock enige ogenblikken onderzoekend aan. ‘Ik begrijp het,’ sprak hij meelevend. Hij pakte het glas weg. ‘Ik vind het ook verschrikkelijk. Vooral voor die Martha.’
‘Wie is Martha?’
Smalle Lowietje glimlachte vertederd.
‘Een lief ding. Een jaar of dertig. Een beetje stijfjes. Kraaitje is een keer met haar bij mij in de zaak geweest. Sinds Sophie bij hem weg is, scharrelt hij er zo’n beetje mee.’ Hij schudde grijnzend zijn hoofd. ‘Je zou zeggen, niets voor Kraaitje, maar hij schijnt gek op haar te zijn. Ze is zo’n zedig typetje… zo’n vrouwtje van de zwarte kousenkerk… praat alleen maar over God, liefde en eeuwige gerechtigheid.’