De Cock en de zorgvuldige moordenaar
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #9
- Год: 2003
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0155-4
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en de zorgvuldige moordenaar». Краткое содержание книги:
De Cock schoof zijn onderlip naar voren. ‘Heb je hem al uitgenodigd?’
Vledder reed de wagen aan de kant van de weg en stopte. ‘Nee,’ zuchtte hij, ‘nog niet. Ik kon hem nog niet te pakken krijgen. Ik probeer het vanavond nog wel eens. Misschien is hij dan wel thuis. Hij woont aan de Keizer Karelweg in Amstelveen.’ Hij draaide het contact af en keek opzij. ‘Verder ga ik niet. De rest gaan we lopen.’
De Cock maakte een verschrikt gebaar. ‘Het is nog bijna een kilometer.’
Vledder knikte. ‘Dat weet ik,’ zei hij gelaten. ‘Toch ga ik met dit oude vehikel geen meter verder.’
De Cock krabde zich achter in de nek, bleef nog even zitten, maar stapte ten slotte toch uit. Hij keek naar Vledder, die naast de wagen op hem wachtte. Langzaam hief hij zijn kin omhoog. ‘Kijk eens,’ zei hij gemaakt, ‘of mijn stropdas recht zit.’ Rond zijn lippen dartelde een milde grijns.
Jolanda, de oude villa van de Van der Wheeres, was vanaf de weg vrijwel niet te zien. Ze lag verscholen achter een gordijn van groen. De beide rechercheurs stapten de oprijlaan op, die werd gemarkeerd door een haag van rozerode rozen en ranke hoge berken. Het grove grind knarste onder hun zolen. Voor de hoofdingang bleven ze staan en namen toen de vijf treden naar het bordes. De Cock belde. Ze wachtten geduldig. Er gebeurde niets. Er kwam niemand aan de deur. De Cock keek op zijn horloge. Het was ruim vijf minuten over acht. Hij belde opnieuw, langer nu, nadrukkelijker.
Er verstreken seconden, minuten. De Cock werd onrustig, ongeduldig. Hij voelde aan de met smeedijzer beslagen deur. Ze was op slot. Onwrikbaar. Met de jonge Vledder in zijn kielzog rende hij om het gebouw. Ook de zijen achterdeur bleken gesloten. De oude speurder tastte in zijn zakken. Ergens, in een leren foedraal, had hij het oude instrumentje dat hij eens van zijn vriend en exinbreker Handige Henkie als geschenk had gekregen. Het was een koperen houdertje met een groot assortiment uitschuifbare, smalle stalen sleutels met baarden in allerlei vormen. Koortsig ging hij aan het werk. Na een paar seconden had hij de achterdeur open. Ze renden door het huis, zochten zich een weg door een doolhof van gangen en vertrekken. Er was niets, niemand.
De Cock keek verstrooid om zich heen. Hij voelde zich vreemd opgewonden. Hij had het angstige vermoeden dat er iets mis was. Dat er iets was gebeurd.
Hij stormde de trap op naar de eerste verdieping. Twee keer opende hij een verkeerde deur. Toen vond hij haar, de oude mevrouw Van der Wheere. Ze lag op haar bed, gekleed. Het haar als een zilveren krans om haar rimpelig gezicht.
Versteend bleef hij staan. Zijn vuisten waren gebald. Op zijn gezicht lag een verbeten trek. Hij voelde de hijgende adem van Vledder in zijn nek.
‘Dood?’
De Cock knikte traag. ‘Vermoord.’
9
De Cock drukte de rug van zijn hand tegen de wang van de dode vrouw. ‘Ze is koud,’ zei hij hees. ‘Het moet al een paar uur geleden zijn gebeurd.’
‘Gewurgd?’
‘Ik vermoed het.’
Vledder boog zich over het lichaam. ‘Er is aan haar hals weinig te zien.’
De Cock ademde diep. ‘Dat hoeft ook niet,’ verzuchtte hij. ‘Ze was al een oude vrouw. Mager en tanig.’ Hij keek in het rimpelige gelaat, de dode starende ogen, de halfopengezakte mond en schudde het grijze hoofd. ‘Ze zal het ons nooit meer kunnen zeggen,’ sprak hij triest.
Vledder knikte. ‘Zou ze daarom…?’
De Cock antwoordde niet. Hij liep bij het bed vandaan en begon de kamer te onderzoeken. Het was een grote slaapkamer, ruim en hoog, met een ouderwets boudoir en twee ramen, die uitzagen op een diepe, goed onderhouden tuin achter het huis.
De Cock bleef staan en keek naar buiten. Niets bewoog. De laaghangende zon wierp schaduwen achter een ligusterheg. Een paar ranke cipressen stonden roerloos in een windstille avond. Het was een verstild beeld, alsof de tuin rouwde om de dood van de oude vrouw. Hij draaide zich langzaam om en snoof. De geur van lavendel was overal, zweefde door het vertrek, hing aan de damasten gordijnen.
Vledder kwam naar hem toe. ‘Het is… het is zo vredig,’ zei hij zacht, weifelend, ‘haast geweldloos. Er is geen spoortje van verzet, van een worsteling. Ze moet zich zonder een vorm van verweer aan haar moordenaar hebben overgegeven.’
De Cock keek langs hem heen. De woorden van de jonge rechercheur gleden langs hem heen, drongen niet tot zijn bewustzijn door. De dood van de oude vrouw had hem getroffen, verrast. Hij had het niet verwacht, zo direct, zo onmiddellijk na Juliette. Het gaf hem het vreemde, kwellend gevoel, dat het zijn schuld was, dat hij niet voldoende attent was geweest. ‘Hoe voorkom je een moord?’ vroeg hij hardop.
Vledder keek hem aan. ‘Voorkomen?’ vroeg hij verbaasd. ‘Dat is gewoon niet te doen. We kunnen moeilijk achter iedere man en vrouw een rechercheur zetten.’
De Cock klemde zijn dikke lippen op elkaar. Hij had het anders bedoeld, maar zei dat niet. Rusteloos stapte hij in de kamer op en neer. Hij voelde een onweerstaanbare behoefte zijn gekweld gemoed te luchten in een serie kernachtige vloeken, maar de indringende aanwezigheid van de dode vrouw op het bed weerhield hem.
‘Waar is het personeel,’ vroeg hij geërgerd. ‘Zo’n groot, bewerkelijk huis met een kolossale tuin… daar moet toch personeel zijn?’
Vledder haalde de schouders op. ‘Ik geloof niet dat je in huis iemand zult treffen. Je hebt het zelf gezien. Alle deuren voor en achter waren op slot.’
De Cock knikte. ‘Ze waren op slot, deugdelijk op slot.’ Het was alsof hij het voor zichzelf herhaalde. Hij keek langzaam naar Vledder op en gebaarde naar beneden. ‘In de hal, op een tafeltje, staat een telefoon. Bel de schouwarts, de technische dienst en de fotograaf. Kijk in het huis of er sporen zijn van inbraak en vraag aan het hoofdbureau om materiaal voor gipsafdrukken.’
‘Sporen van braak… gipsafdrukken?’
De Cock wapperde ongeduldig met zijn hand. ‘De dader,’ zei hij kriegel, ‘moet toch op een of andere manier zijn binnengekomen… weggegaan.’
Vledder grinnikte. ‘En als hij een sleutel had?’
Rechercheur De Cock keek zijn jonge collega enige tijd aan, strak, doordringend. ‘Je zult,’ zei hij traag, nadrukkelijk, ‘sporen van een inbraak vinden… een vernielde zijdeur… een open bovenlicht… een verbroken raam. Geloof me, je zult het vinden.’
Vledder keek terug, verward, niet-begrijpend. ‘Oké,’ zei hij na een poosje. ‘Ik zal kijken en bellen. Kan ik verder nog iets voor je doen?’
De Cock streek met zijn hand door het grijze haar. ‘Broer Jerome woont in Abcoude. Zijn nummer zal wel in de klapper naast de telefoon staan. Vraag of hij onmiddellijk wil komen.’ ‘Moet ik hem zeggen…?’
De Cock schudde het hoofd. ‘Als hij bijzonderheden vraagt, dan zeg je kortaf dat er voor nadere uitleg geen tijd is. Maar zorg wel dat hij komt, begrijp je?’
Vledder knikte vaag. Hij liep de kamer uit, weifelend, omkijkend. De jonge rechercheur voelde zich verward, onzeker. Zijn oude leermeester was op belangrijke momenten vaak een vreemde, bijna raadselachtige fi guur, een man die hij niet meer kon volgen, van wie hij het doen en laten niet meer begreep. Het verwarrende was dat hij uit ervaring wist dat alles wat de oude speurder deed, zin had, paste in het patroon van het onderzoek.
Hij liep peinzend de trap af naar de hal. Het was er vrij donker. Het schaarse licht kwam van twee smalle glas-in-loodramen naast de deur. De oude parketvloer kraakte onder zijn zolen.
Na een reeks telefoongesprekken onderzocht hij koel, systematisch de vertrekken gelijkvloers, de zitkamer, de rookkamer, de studeerkamer, de keuken. Scherp observerend gleed zijn blik langs de wanden, de vloer, het meubilair. Er was aanvankelijk niets dat zijn speciale aandacht trok. Vrijwel overal hing de geur van lavendel.