De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Rhand bleef staan, streek over het houten kistje met de fluit en slingerde dat op zijn rug. Ik veronderstel dat ik niet mocht verwachten dat hij alles opzij zou zetten en met me mee zou gaan, maar hij had toch wel met me kunnen praten? Licht, ik wou dat Ingtar er was. Hij stopte zijn handen in de zakken en voelde het briefje van Selene. ‘Je denkt toch niet dat ze...’ Loial zweeg bezorgd. ‘Denk je dat ze bedrog pleegde? Iedereen stond te grijnzen alsof ze iets knaps uithaalde.’
Rhand verschikte zijn mantel. Ik moet met de Hoorn vertrekken. Als we op Ingtar wachten, kan er van alles gebeuren. Vroeg of laat zal Fajin verschijnen. Ik moet hem vóór blijven. De mannen met de pop waren bijna bij hen.
‘Rhand,’ zei de Ogier opeens, ik denk dat dat geen...’ Opeens lieten de mannen hun stokken op het harde zand van de straat vallen. In plaats van neer te storten wierp de Trollok zich met uitgestoken handen op Rhand.
Er was geen tijd om na te denken. Instinctief haalde Rhand het
zwaard in een flitsende boog uit de schede. Maan boven de meren. De Trollok struikelde met een gorgelende kreet achteruit, grauwde zelfs nog onder het vallen.
Een moment lang bleef iedereen als versteend staan. Toen keken de mannen – het moesten wel Duistervrienden zijn – naar de gevallen Trollok voor hen, naar Rhand met het zwaard in zijn handen en naar Loial naast hem. Ze draaiden zich om en gingen ervandoor. Ook Rhand stond naar de Trollok te staren. De leegte had hem omhuld voor zijn hand het gevest raakte. Saidin glansde in zijn hoofd en wenkte ziekelijk. Hij moest zich inspannen om de leegte te laten verdwijnen en likte langs zijn lippen. Zonder de leegte kriebelde de angst over zijn huid.
‘Loial, we moeten terug naar de herberg. Hurin is alleen en ze...’ Hij kreunde toen hij omhoog werd getild door een dikke, lange arm die zijn twee armen tegen hem aanpersten. Een behaarde hand greep hem bij de keel. Hij zag nog net een snuit met slagtanden boven zijn hoofd. Een ranzige lucht van zuur zweet en mest vulde zijn neusgaten. Even snel als hij was vastgegrepen, werd de hand van zijn keel weggerukt. Stomverbaasd staarde Rhand naar de dikke Ogiervingers die zich om de pols van de Trollok klemden.
‘Hou vol, Rhand.’ Hij hoorde de inspanning in Loials stem. De andere hand van de Ogier kwam voor hem langs en greep de arm die Rhand nog steeds opgetild hield. ‘Hou vol.’
Rhand werd heen en weer geschud tijdens de worsteling tussen de Ogier en de Trollok. Opeens viel hij neer. Struikelend deed hij twee stappen om uit de buurt te komen en draaide zich toen met opgeheven zwaard om.
Loial stond achter een Trollok met een zwijnskop en hield hem vast aan beide onderarmen. De Ogier had zijn handen wijd uiteen en stond te hijgen van de inspanning. De Trollok snauwde keelklanken in de rauwe Trolloktaal, gooide zijn kop achterover en trachtte Loial met een slagtand te raken. Hun laarzen schraapten door het stof van de straat.
Rhand probeerde een plek te vinden om de Trollok met zijn wapen te treffen zonder Loial te verwonden, maar de Ogier en de Trollok tolden zo snel rond in hun wilde dans dat hij geen opening kon vinden.
Grommend trok de Trollok zijn linkerarm los, maar voor hij zich helemaal kon loswerken, sloeg Loial zijn arm om diens nek en klemde het monster tegen zich aan. De Trollok graaide naar zijn zwaard. Het zeisachtige wapen hing aan de verkeerde kant voor zijn linkerhand, maar duim voor duim kwam het donkere staal omhoog uit de schede. En nog steeds tolden ze zo vlug rond dat Rhand niet kon toeslaan zonder gevaar voor Loial.
De Kracht. Daarmee kon het. Hij wist niet hoe, maar hij wist niets anders. Het zwaard van de Trollok was al half uit de schede. Als de gebogen kling vrij kwam, betekende dat Loials dood. Aarzelend vormde Rhand de leegte. Saidin glansde verlokkend. Vaag leek hij zich een tijd te herinneren dat saidin hem had toegezongen, maar nu trok het licht hem slechts aan zoals bloemengeur een bij aantrekt en de stank van stront een vlieg aantrekt. Hij stelde zich open en reikte ernaar. Er was niets. Hij had net zo goed kunnen proberen licht vast te pakken. Het bederf glibberde op hem af, bevuilde hem, maar er vloeide geen licht in hem. Aangespoord door een uiterste wanhoop probeerde hij het telkens opnieuw. En steeds weer voelde hij alleen de vuiligheid.
Plotseling gooide Loial de Trollok hijgend opzij, zo hard dat het monster tegen de zijmuur van een gebouw tolde. Hij klapte er met zijn kop tegenaan, er klonk een luid gekraak en hij gleed langs de muur omlaag met zijn nek in een onmogelijke hoek. Loial stond er met zwoegende borst naar te staren.
Rhand keek even toe vanuit de leegte voor hij besefte wat er was gebeurd. Meteen liet hij de leegte en het bezoedelde licht los en haastte zich naar Loial toe.
‘Ik heb nooit eerder... gedood, Rhand.’ Loial haalde bevend adem. ‘Hij zou jou hebben gedood als jij dit niet had gedaan,’ zei Rhand. Bezorgd keek hij naar de stegen, de luiken en vergrendelde deuren. Als er twee Trolloks waren, zouden er zeker meer zijn. ‘Het spijt me dat je het moest doen, Loial, maar het zou ons allebei hebben gedood of erger.’
‘Ik weet het. Maar ik gruwel er wel van. Zelfs bij een Trollok.’ De Ogier wees naar de ondergaande zon en greep Rhands arm beet. ‘Daar komt er nog een.’
Tegen de zon in kon Rhand geen details onderscheiden, maar het leek alsof een tweede groep mannen met een geweldige pop op Loial en hem afkwam. Maar nu wist hij waar hij naar moest kijken. De ‘pop’ bewoog zijn benen te natuurlijk en de snuit ging omhoog om de lucht op te snuiven zonder dat iemand een stok optilde. Hij dacht niet dat de Trollok en de Duistervrienden hen in de avondschaduwen konden zien. Daar bewogen ze zich te langzaam voor. Toch was het duidelijk dat ze op jacht waren en steeds dichterbij kwamen. ‘Fajin weet dat ik hier ergens ben,’ zei hij terwijl hij haastig zijn kling afveegde aan de jas van de Trollok. ‘Hij heeft ze op jacht gestuurd om mij te vinden. Maar hij is bang dat de Trolloks op straat opvallen, anders zou hij ze niet hebben vermomd. Als we in een straat kunnen komen waar mensen zijn, zijn we veilig. We moeten terug naar Hurin. Als Fajin hem daar vindt, alleen met de Hoorn...’ Hij trok Loial mee de hoek om en liep in de richting van het gelach en de muziek, maar lang voor ze daar aankwamen, verscheen er voor hen in de verder lege straat een nieuwe groep mannen met een zogenaamde pop. Rhand en Loial sloegen de volgende hoek om. De straat leidde naar het oosten.
Telkens als Rhand probeerde bij de muziek en het vertier te komen, dook er een Trollok voor hen op die de lucht opsnoof. Sommige Trolloks gebruikten hun reuk bij de jacht. Op plaatsen waar geen ogen toekeken, stapte soms een Trollok alleen rond. Meermalen wist Rhand zeker dat hij die al eerder had gezien. Ze sloten hen in en zorgden ervoor dat hij en Loial niet uit de lege straten met de dichte luiken wegkwamen. Geleidelijk werd het tweetal naar het oosten, weg van Hurin gedrongen, weg van de andere mensen, door smalle, steeds donkerder straatjes die alle kanten op liepen, omhoog en omlaag. Rhand nam de huizen om hen heen eens op. De grote gebouwen waren ’s nachts stevig afgesloten, zag hij tot zijn spijt. Zelfs als hij op een deur ging bonzen tot iemand opendeed, en zelfs al zouden ze hem en Loial binnenlaten, zou geen van die deuren een Trollok kunnen tegenhouden. Het enige gevolg zou zijn dat er nog meer slachtoffers zouden vallen.
‘Rhand,’ zei Loial ten slotte, ‘we kunnen nergens anders heen.’ Ze waren aan de oostelijke grens van Voorpoort gekomen; de hoge gebouwen links en rechts van hen waren de laatste. Lichten in de ramen op de hogere verdiepingen bespotten hem, maar alle deuren aan de straat zaten potdicht. Voor hen lagen de lege heuvels in het vroege schemerlicht, afgezien van een enkele boerderij. Toch leek het landschap niet helemaal verlaten. Hij kon nog net bleke wallen onderscheiden rond gebouwen op een van de hogere heuvels, misschien op een span afstand.