Tunnels door de tijd [The Corridors of Time - nl]
- Автор: Андерсон Пол Уильям
- Год: 1968
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- Переводчик: J. Baars
- Жанр: Альтернативная история
Электронная книга - «Tunnels door de tijd [The Corridors of Time - nl]». Краткое содержание книги:
Het zijn vragen die de zojuist uit de gevangenis ontslagen Lockridge nauwelijks interesseren. Voor hem is zij immers in de eerste plaats een redder in hoge nood en al spoedig daarna — en onder wat voor onvermoede omstandigheden! — zijn minnares.
Toch zijn er mensen die haar met andere ogen bezien. De Tenil Orugaray noemen haar vol ontzag ‘De Storm’. Anderen zien haar als de onsterfelijke godin die leven schenkt. Voor Brann en zijn gardisten is zij onmiskenbaar een misdadige avonturierster, een meedogenloze vijand die even meedogenloos vernietigt dient te worden.
Samen met deze raadselachtige vrouw betreedt Lockridge de tunnels van de tijd, een web van tijdlijnen dat toegang geeft tot verleden, heden en toekomst. Daar, tijdens de talrijke, gevaarvolle zwerftochten die het uiterste van zijn geest en lichaam vergen, leert hij vele aspecten van haar wezen kennen. Maar helemaal doorgronden kan hij haar nooit.
Bovendien woedt rondom hem een oorlog waarin hem, zo blijkt al spoedig, een belangrijke rol is toebedeeld. Een oorlog ook die hem dwingt een keuze te maken: voor of tegen Storm. Een keuze die niet alleen voor hem, maar ook voor de toekomst van onpeilbaar groot belang is…
‘Ik denk dat een andere man mij nooit meer zal durven aanraken,’ zei Auri. ‘Maar dat is best. Ik wil niemand anders dan jou.’
Vervloekte idioot dat je bent! schold Lockridge zichzelf uit. Vergeet haar leeftijd. Zij is geen Amerikaans schoolmeisje. Zolang ze leeft, heeft ze geboorte en liefde en dood gezien, ze heeft gezworven in de bossen waar wolven zijn, ze heeft in stormweer huidenkano's voortgepeddeld, ze heeft met stenen graan gemalen en met haar tanden huiden geprepareerd, ze heeft ziekten overleefd, de winters van de Noordzee, een oorlog, ze heeft een tocht gemaakt waarvan de meeste volwassen mannen het op de zenuwen zouden hebben gekregen. Meisjes jonger dan zij — en zij is ouder dan Shakespeare's Juliet — zijn al moeder. Kun je die idiote vooroordelen niet van je afzetten en haar tenminste deze ene vriendendienst bewijzen?
Nee. Die dag in het bootje had hij op het punt gestaan zich gewonnen te geven. Maar nu zag hij zich voor een afschuwelijk dilemma geplaatst. De gedachte aan Storm was het enige dat hem kon helpen bij zijn besluit te blijven. Indien hij levend terugkeerde, zou hij als beloning vragen dat hij alles mocht opgeven om haar te volgen. Hij wist dat het haar onverschillig liet wat hij deed met een vrouw die hij toevallig op zijn weg ontmoette. Maar hém liet het niet onverschillig. Dat was onmogelijk.
‘Auri,’ zei hij, terwijl hij zijn lompheid verwenste, ‘mijn taak is nog niet ten einde. Ik moet spoedig vertrekken om Haar zaken te behartigen en ik weet niet of ik ooit terug zal keren.’
Haar adem stokte, zij klemde zich aan hem vast en snikte hartverscheurend. ‘Neem me met je mee! Neem me mee!’ Een schaduw viel op hen neer. Lockridge keek op. Storm stond naar hen te kijken. Zij droeg de staf van de Wijze Vrouw, die met hagedoorn was versierd; blijkbaar had zij het Lange Huis verlaten om het volk dat haar nu toebehoorde, te zegenen. Het zwarte haar, het blauwe gewaad en de grijze mantel wapperden in een plotseling opstekend briesje om haar hoge gestalte.
Haar glimlach was ondoorgrondelijk, maar anders dan de glimlach die ze hem in het Lange Huis had geschonken. ‘Ik geloof,’ zei zij op een wat scherpe toon, ‘dat ik de wens van dit kind maar zal vervullen.’
14
Hu de Wachter verwachtte op de thuisreis geen moeilijkheden. Het stond vast dat Lockridge tot Brann zou doordringen in de periode tussen Storms vertrek naar de twintigste eeuw en de vernietigende tegenaanval van haar vijand. Dat feit lag verankerd in de wereldgeschiedenis.
De details ervan waren echter onbekend. (Evenals de afloop, dacht Lockridge somber. Zou hij het er levend afbrengen of niet? Door de onzekerheidsfactor van de tijdpoorten was het onmogelijk dat van te voren te controleren.) Maar indien agenten van de Gardisten Hu's gezelschap zouden opmerken, zouden ze er op zijn minst genomen toch te veel uit kunnen afleiden. Daarom ging hij omzichtig te werk.
Zelfs bij daglicht, zonder vijanden die hen op de hielen zaten en in gezelschap van een held en een god, was Auri bang voor het graf dat de ingang naar de tunnel maskeerde. Lockridge zag hoe wanhopig zij was en hoe zij verstijfde. ‘Probeer nog één keer dapper te zijn, zoals je het ook vroeger geweest bent,’ zei hij.
Ontdaan maar dankbaar glimlachte zij hem toe.
Lockridge had zich tegen Storms beslissing verzet. De koningin van de Wachters had haar gebiedende houding laten varen en vriendelijk gezegd: We hebben nauwkeurige informatie nodig over deze cultuur. Antropologische aantekeningen alleen zijn niet voldoende; we moeten hun psyche in diepte ontleden om te voorkomen dat we afschuwelijke fouten maken nu we zo nauw met hen in contact treden als in mijn bedoeling ligt. Ervaren specialisten kunnen veel te weten komen door het observeren van een typische vertegenwoordiger van een primitieve samenleving, die met de beschaving in aanraking komt. En waarom zouden we haar niet daarvoor gebruiken? Na alle vroegere ervaringen zal het haar echt niet méér schade doen. Zou jij iemand anders in zo'n abnormale situatie willen plaatsen?’ Hij had daar niets tegen in kunnen brengen.
De aarde opende zich en zij daalden omlaag in de tunnel. Op hun reis naar de toekomst ontmoetten zij niemand. Maar in de zevende eeuw na Christus bracht Hu hen weer naar de oppervlakte. ‘Bij deze poort regeert Frodhi over de Deense eilanden,’ legde hij uit. ‘Bovendien heerst er hier vrede op het vasteland en de Wanen — de oudere aarden watergoden — zijn minstens nog even sterk als de Asen. Een eindje verder zullen de Gardisten ons terugdrijven, dan beginnen ook de tochten van de Noormannen. Er bestaat heel veel kans dat we in dat deel van de tunnel vijanden tegenkomen.’
Lockridge dacht aan de mannen met wie hij gestreden had, en trok een bedenkelijk gezicht.
In de buitenwereld was het winter, een dik pak sneeuw lag onder de kale bomen van het nog altijd onafzienbare woud, de lucht was koud en egaal grijs. ‘We kunnen onmiddellijk verder,’ besliste Hu, ‘we zijn veilig voor waarneming vanaf de grond. Niet dat het erop aankomt indien een of andere inboorling ons zou zien. Maar toch… ’ Hij raakte de knoppen van zijn zwaartekrachtgordel aan en tezamen stegen zij omhoog.
‘Lynx, waar zijn we?’ riep Auri uit. ‘Zo iets moois kan niet bestaan!’
Lockridge, die gewend was aan het schouwspel van wolken die er van boven uitzagen als witte bergen met blauwe schaduwen, had meer belangstelling voor de vraag hoe zij het tijdens hun vliegreis door deze ijskoude lucht zo warm konden hebben. Een verwarmingstoestelletje? Maar toen hij de ogen van het meisje zag stralen, benijdde hij haar een beetje. Het deed hem goed haar weer te horen lachen. Denemarken verdween achter hen. Duitsland, het grensland van de christenheid, lag eveneens onder een dik wolkendek verborgen, maar een uur later begonnen de Alpen scherp tegen de horizon af te steken. Hu bepaalde zijn positie en korte tijd later daalde hij met zijn gezellen door de wolken heen omlaag. Lockridge zag een dorpje liggen — houten hutten bedekt met plaggen en omringd door een palissade — midden in een overigens verlaten winters landschap. De bodem was heuvelachtig, donkere riviertjes doorsneden een dunne deken van sneeuw, langs de oevers van de meren lagen ijsschotsen. Dit was het land dat eens Beieren zou heten.
Hu vloog zo snel hij kon, in een lange glijvlucht daalde hij af naar een hoge bergkam. Toen zij de grond hadden bereikt, slaakte hij een uiterst menselijke zucht van opluchting. ‘Thuis!’ zei hij.
Lockridge keek om zich heen. De rotsachtige en sombere woestenij maakte een benauwende indruk op hem. ‘Nou, ieder zijn meug.’
Een lichte geprikkeldheid tekende zich af op Hu's fijne gelaatstrekken. ‘Dit is het land van de Koriach; in de toekomst zal het een van haar domeinen zijn en daarom behoort het haar in alle tijden toe. In deze omgeving zijn niet minder dan zeven tunnels gebouwd. Een ervan heeft een poort die tot deze kwarteeuw toegang geeft.’
‘Maar niet op mijn eigen tijd, hè? En daarom kon zij vanuit Amerika niet naar Duitsland gaan. Maar ik vraag me af waarom ze niet op het idee gekomen is om langs deze route vanuit neolithisch Denemarken terug te keren, in plaats van via Kreta.’
‘Gebruik je verstand!’ viel Hu uit. ‘Na de ontmoeting met de Gardisten in die tunnel — jij was er bij, je zou het moeten weten — achtte zij de mogelijkheid dat zoiets nog eens zou gebeuren, te groot. Nu echter, nu we Brann hebben, is deze route betrekkelijk veilig.’ Hij liep weg. Lockridge en Auri gingen achter hem aan. Het meisje huiverde, de bevroren grond knerpte onder haar blote voeten.
‘Hé, zo gaat het niet,’ zei Lockridge. ‘Kom hier.’ Hij tilde haar op en zij nestelde zich tevreden in zijn armen.
Ver hoefden ze niet te gaan. In een ondiepe grot opende Hu de grond. Het licht van het toegangspad vermengde zich met het grijze daglicht.
In een stilte die het pulseren van de krachtvelden nog luider deed klinken, reden zij naar de toekomst. Eenmaal moesten zij overstappen, waarbij zij door een poort naar een tunnel gingen die, materieel gesproken, in de drieëntwintigste eeuw bestond, en vandaar door een tweede poort naar de tunnel die Hu hebben moest. Lockridge's pols begon sneller te kloppen en zijn mond werd droog.