Tunnels door de tijd [The Corridors of Time - nl]
- Автор: Андерсон Пол Уильям
- Год: 1968
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- Переводчик: J. Baars
- Жанр: Альтернативная история
Электронная книга - «Tunnels door de tijd [The Corridors of Time - nl]». Краткое содержание книги:
Het zijn vragen die de zojuist uit de gevangenis ontslagen Lockridge nauwelijks interesseren. Voor hem is zij immers in de eerste plaats een redder in hoge nood en al spoedig daarna — en onder wat voor onvermoede omstandigheden! — zijn minnares.
Toch zijn er mensen die haar met andere ogen bezien. De Tenil Orugaray noemen haar vol ontzag ‘De Storm’. Anderen zien haar als de onsterfelijke godin die leven schenkt. Voor Brann en zijn gardisten is zij onmiskenbaar een misdadige avonturierster, een meedogenloze vijand die even meedogenloos vernietigt dient te worden.
Samen met deze raadselachtige vrouw betreedt Lockridge de tunnels van de tijd, een web van tijdlijnen dat toegang geeft tot verleden, heden en toekomst. Daar, tijdens de talrijke, gevaarvolle zwerftochten die het uiterste van zijn geest en lichaam vergen, leert hij vele aspecten van haar wezen kennen. Maar helemaal doorgronden kan hij haar nooit.
Bovendien woedt rondom hem een oorlog waarin hem, zo blijkt al spoedig, een belangrijke rol is toebedeeld. Een oorlog ook die hem dwingt een keuze te maken: voor of tegen Storm. Een keuze die niet alleen voor hem, maar ook voor de toekomst van onpeilbaar groot belang is…
Zij waren bezig hun vangst te roosteren en op te eten toen er hoorngeschal klonk. Lockridge schrok. Nu al? Zo snel mogelijk roeide hij terug.
Mareth was inderdaad teruggekeerd, vergezeld door zes andere Wachters. Zij hadden hun vermomming van priester, ridder, koopman, boer of bedelaar verwisseld voor een uniform, even strak sluitend als dat van de Gardisten, maar bosgroen; van hun schouders viel een glanzende mantel. Van onder de bronskleurige helm keken grote donkere ogen hooghartig neer op hun helpers; hun gelaatstrekken vertoonden een merkwaardige gelijkenis met die van Storm. ‘We hebben nog een agent op de Britse eilanden,’ zei Mareth.
‘Na het invallen van de duisternis komt hij met ons leger. Wij zullen inmiddels alle voorbereidingen treffen.’ Lockridge, Auri en Fledelius zagen zich werkzaamheden toegewezen waarvan zij de bedoeling niet begrepen. Omdat deze tunnel de vijand onbekend was en de poort tot een uiterst belangrijke periode toegang gaf, bevatte het voorvertrek grote voorraden oorlogstuig en waren de doorgangen breed genoeg om deze door te laten. Sommige dingen kon de Amerikaan wel zo ongeveer thuisbrengen, zoals voertuigen en geweren.’ maar wat was die kristallen bol waarin een zwarte nacht kolkte doorspikkeld met lichtpuntjes als sterren? Wat was die spiraal van geel vuur, die ijskoud aanvoelde? Een antwoord op zijn vragen werd botweg geweigerd.
Zelfs Fledelius brieste van nijd. ‘Ik ben hun slaaf niet,’ gromde hij tegen Lockridge.
De Amerikaan probeerde zijn eigen geïrriteerdheid te onderdrukken. ‘Och, je weet hoe onderofficieren ervan houden op hun strepen te gaan staan. Als we eenmaal bij de koningin zijn, zal het wel anders worden.’
‘Ja, dat is waar. Voor Haar ben ik bereid dit alles te slikken… Op hun strepen staan! Ha ha, die is goed, jongen!’ Fledelius bulkte van het lachen en sloeg Lockridge op de schouders dat deze wankelde.
De schemering viel en vervolgens de nacht, en uit de lucht daalden de mannen van koning Hendriks Engeland.
Het was een woest, onguur gezelschap, alles bijeen een honderd man: ontslagen soldaten, matrozen die halve zeerovers waren, gelukzoekers, struikrovers, ketellappers, Welshe opstandelingen en veedieven uit de Lowlands, bijeengebracht uit alle windstreken, van Dover tot Lands’ End, uit de Cheviots en de sloppen van Londen. Lockridge kon slechts raden hoe ieder van hen gerecruteerd was. Sommigen om godsdienstige redenen, anderen om geld, weer anderen om uit handen van de beul te blijven — een voor een waren zij door de Wachters ontdekt en hadden zij zich aangesloten bij het geheime genootschap; en nu was het moment gekomen om hen in te zetten.
Bij het licht van de fakkels viel hier en daar een gezicht op in de menigte die rumoerig over het eiland krioelde. Naast Lockridge stond de gedrongen gestalte van een zeeman; zijn haar was in staartjes gevlochten, zijn hemd en broek waren gerafeld; hij was blootsvoets, droeg oorringen en vertoonde talrijke littekens van vroegere gevechten. ‘Waar kom jij vandaan, vriend?’ vroeg hij.
‘Van Devon ben ik.’ Lockridge kon hem maar nauwelijks verstaan. Zelfs Londenaren spraken de klinkers nog uit als iemand uit de Nederlanden en deze kerel legde er bovendien een dialect op dat dik genoeg was om te snijden. ‘Maar toen ik de oproep ontving, was ik in moeder Colley's bordeel in Southampton.’ Hij smakte met zijn lippen. ‘Ah, ik had daar een lekkere troel! Zeldzaam! Als ik nog een uurtje de tijd had gehad, dan zou ze Ned Brown niet gauw meer vergeten hebben. Maar toen de medaille sprak… voorwaar, ik heb onder Frans kanonvuur gestaan en Karribalen gespietst terwijl zij krijsend de boorden van ons galjoen beklommen, maar die oproep zou ik nooit durven veronachtzamen.’
‘De… medaille?’
Brown tikte op een rond schijfje dat om zijn hals hing en waarop de maagd Maria was afgebeeld. Lockridge bemerkte een soortgelijk voorwerp op de borst van verscheidene andere mannen. ‘Wat? Heb jij dit teken niet gekregen? Nou, het fluistert wanneer ze je nodig hebben, maar zo dat niemand het horen kan behalve jijzelf, en het zegt je waarheen je je snel moet begeven. Hij ontmoette me daar en bracht me door de lucht naar een verzamelplaats in de wildernis, en vandaar hierheen… Ik wist niet dat het Verbond zoveel leden telde.’
Uit de deur van de hut trad Mareth te voorschijn. Hij verhief zijn stem enigszins en onmiddellijk verstomde het geroezemoes. ‘Mannen,’ zei hij, ‘sinds lange tijd zijn de meesten van jullie lid van het Verbond en niet weinigen onder jullie zullen zich de tijd herinneren dat het hen van kerker of dood redde. Jullie weten dat je in dienst bent van de witte tovenaars, die door hun kunsten het heilige katholieke geloof verdedigen tegen heidenen en ketters. Vannacht doen wij een beroep op jullie om je belofte gestand te doen. Jullie zullen een verre, vreemde reis maken om te strijden tegen wilden, terwijl wij, jullie meesters, de tovenaars die zij dienen, zullen aanvallen. Ga nu moedig voorwaarts; zij die de strijd overleven, zullen rijk worden beloond, zij die vallen, zullen een nog grotere beloning ontvangen in de hemel. Kniel nu neer en ontvang de vergeving van jullie zonden.’
Met een bittere smaak in de mond sloot Lockridge zich bij het ritueel aan. Was zo veel cynisme nu echt noodzakelijk? Enfin — het was om Storm Darroway te redden. Ik zal haar weerzien, dacht hij, en zijn hart klopte wild.
Meer onder de indruk en ernstiger dan hij voor mogelijk had gehouden, gingen de Engelsen een voor een door de deur van de hut omlaag langs het pad naar de tunnel. In het voorvertrek, vóór het regenbooggordijn, ontvingen zij hun wapens: zwaarden, pieken, strijdbijlen, kruisbogen. Buskruit zou nutteloos zijn tegen de Gardisten en overbodig tegen de Yüthoaz. Mareth wenkte Lockridge. ‘Jij kunt het beste vlak bij mij blijven en als gids optreden,’ zei hij. Hij drukte de Amerikaan een energiepistool in de hand. ‘Alsjeblieft, je komt uit een tijd die technisch genoeg bij is om met dit wapen om te kunnen gaan. De bediening is heel eenvoudig.’
‘Ik weet hoe het werkt,’ zei Lockridge kortaf.
Mareth liet zijn hooghartigheid varen. ‘Ja, zij heeft jou uitgekozen, is het niet?’ mompelde hij. ‘Je bent niet de eerste de beste.’
Auri worstelde zich door het gedrang heen. ‘Lynx,’ smeekte zij. De angst voor de onderwereld had haar weer te pakken. ‘Blijf bij me.’
‘Laat haar hier wachten,’ beval Mareth.
‘Nee,’ zei Lockridge. ‘Als ze wil, kan ze meegaan.’
Mareth schokschouderde. ‘Let er dan op dat ze ons niet voor de voeten loopt.’
‘Ik moet in de voorhoede zijn,’ zei Lockridge tegen haar. In zijn armen voelde hij haar huiveren. Hij zou haar moeten kussen…of niet?
‘Kom, meisje.’ Jesper Fledelius legde zijn gorilla-arm om haar schouders. ‘Blijf maar bij mij. Wij Denen kunnen maar beter bij elkaar blijven te midden van dit Engelse geboefte.’ Zij verdwenen in de menigte.
In de loop van de dag had Lockridge geholpen verscheidene vliegtuigen door de poort te brengen. Het waren glanzende, eivormige toestellen, doorzichtig en niet bestaande uit een of ander materiaal, maar uit krachtvelden die zijn begrip te boven gingen. Elk ervan bood plaats aan twintig personen. Hij nam plaats op de voorste, naast Mareth. De mannen die zich er al op bevonden, haalden moeilijk adem, fluisterden gebeden of vloeken en wierpen als gevangen dieren verschrikte blikken om zich heen. ‘Zouden ze niet te bang zijn om te vechten?’ vroeg Lockridge in het Deens.