Tunnels door de tijd [The Corridors of Time - nl]
- Автор: Андерсон Пол Уильям
- Год: 1968
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- Переводчик: J. Baars
- Жанр: Альтернативная история
Электронная книга - «Tunnels door de tijd [The Corridors of Time - nl]». Краткое содержание книги:
Het zijn vragen die de zojuist uit de gevangenis ontslagen Lockridge nauwelijks interesseren. Voor hem is zij immers in de eerste plaats een redder in hoge nood en al spoedig daarna — en onder wat voor onvermoede omstandigheden! — zijn minnares.
Toch zijn er mensen die haar met andere ogen bezien. De Tenil Orugaray noemen haar vol ontzag ‘De Storm’. Anderen zien haar als de onsterfelijke godin die leven schenkt. Voor Brann en zijn gardisten is zij onmiskenbaar een misdadige avonturierster, een meedogenloze vijand die even meedogenloos vernietigt dient te worden.
Samen met deze raadselachtige vrouw betreedt Lockridge de tunnels van de tijd, een web van tijdlijnen dat toegang geeft tot verleden, heden en toekomst. Daar, tijdens de talrijke, gevaarvolle zwerftochten die het uiterste van zijn geest en lichaam vergen, leert hij vele aspecten van haar wezen kennen. Maar helemaal doorgronden kan hij haar nooit.
Bovendien woedt rondom hem een oorlog waarin hem, zo blijkt al spoedig, een belangrijke rol is toebedeeld. Een oorlog ook die hem dwingt een keuze te maken: voor of tegen Storm. Een keuze die niet alleen voor hem, maar ook voor de toekomst van onpeilbaar groot belang is…
Het bebouwde land maakte plaats voor een woestenij met talloze eilandjes tussen meertjes en moerassige beken: de venen van Lincolnshire. Mareth gleed omlaag. De laatste verdorde bladeren weken voor hem opzij, hij kwam tot stilstand en bracht handig ook de anderen aan de grond. In het bleke licht van de ochtend zag Lockridge een hut van gevlochten twijgen.
‘Dit is mijn Engelse basis,’ zei de Wachter. ‘De tijdpoort bevindt zich eronder. Jullie blijven hier terwijl ik manschappen verzamel.’
Achter het primitieve uiterlijk van de hut ging een bijna luxueus verblijf schuil, met planken vloeren en wanden, ruim voorzien van meubilair en een grote voorraad boeken. Achter beweegbare panelen waren etenswaren en andere voorraden uit de toekomst verborgen, maar zo op het eerste gezicht was er niets te zien dat in deze eeuw al te veel zou opvallen. Wie in de hut binnendrong, zou misschien hebben opgemerkt dat het er in ieder seizoen warm en droog was. Maar niemand zou zich hier wagen. De boeren hadden hun bijgeloof, de landheren interesseerde het niet.
De drie mensen uit Mareths verleden waren maar al te blij met de gelegenheid om op adem te komen. Zij waren normale mensen, geen meesterwerken uit een tijdperk dat erfelijke eigenschappen in iedere gewenste vorm kon gieten, en hun zenuwen stonden op het punt het te begeven. De twee volgende dagen vormden een tussenspel van slapen en halfbewuste ogenblikken tussen waken en dromen.
Op de derde ochtend evenwel kwam Auri Lockridge opzoeken. Hij zat op een bank voor de deur en trok genietend aan een pijp. Hoewel hij geen verwoed roker was, had hij het toch gemist, en hij vond het een goede, zij het enigszins anachronistische gedachte van de Wachters dat zij een voorraadje tabak en enkele aardewerk pijpen hadden opgeslagen. Bovendien was het weer beter geworden. Flets zonlicht viel tussen de kale takken van de wilgen door. Hoog boven zijn hoofd vloog een late vlucht ganzen in V-vorm naar het zuiden; als een ver en eenzaam zwerverslied drongen hun kreten te midden van de diepe rust tot hem door. Hij hoorde Auri's voetstappen nader komen, keek op en werd getroffen door haar schoonheid.
Voordat hij in deze soezerige toestand was weggezakt, had hij geen tijd gehad om haar anders te zien dan als een kind dat volkomen afhankelijk was van de geringe bescherming die hij haar kon bieden. Maar nu zij deze morgen wat had rondgezworven in het moeras, dat zoveel leek op het gebied dat haar thuis was, uitsluitend gekleed in het blonde haar dat tot op haar middel hing. was zij als vernieuwd. Met de gratie van een ree holde zij op hem toe, haar blauwe ogen stonden groot in het openhartige gezichtje. Een trek van blijdschap en verwondering lag om haar mond. Lockridge stond op. zijn polsen begonnen sneller te kloppen.
‘O, kom eens kijken,’ riep zij, ‘wat een prachtige boot ik gevonden heb!’
‘Grote hemel,’ vermaande Lockridge met verstikte stem, ‘zou je niet wat kleren aantrekken, meisje?’
Waarom? Het is lekker warm.’ Zij danste voor hem heen en weer. ‘Lynx, zullen we gaan varen en vissen? We hebben de hele dag voor onszelf en de Godin is gelukkig en je zult nu wel uitgerust zijn. Kom dan toch!’
‘Maar…’ ‘Nou ja, waarom niet?’ ‘Goed. Maar je kleedt je aan, hoor je?’
‘Als je dat wilt.’ Verbaasd maar gehoorzaam haalde zij een jurk uit de hut, waar Fledelius te midden van verspreide bierkruiken nog luidruchtig lag te slapen. Dansend ging ze Lockridge voor door het bos.
Lockridge zag niets bijzonders aan het bootje, dat vastgebonden lag aan een boomstronk. Maar natuurlijk, Auri kende alleen maar ronde boten van huiden en uitgeholde boomstammen met boorden die waren vastgezet door middel van houten pennen of twijgen. Maar hier waren spijkers van echt metaal gebruikt! En zij keek met open mond toe hoe hij roeide in plaats van te bomen of te peddelen. ‘Deze boot komt vast en zeker uit Kreta,’ zei zij ademloos.
Hij had de moed niet om haar te vertellen dat Kreta verarmd was en onderdrukt werd door de Venetianen, in afwachting van het ogenblik dat de Turken het zouden veroveren. ‘Wie weet.’ Het bootje gleed tussen rietkragen en wilgestruiken door totdat zij een open stuk water bereikten. Het eiland lag achter het oevergewas verborgen, de plas lag helder en roerloos te blinken. Behalve het kledingstuk had Auri ook visgerei meegenomen. Zij bevestigde aas aan de haak en legde behendig in op een veelbelovend plekje onder een boomstam.
Lockridge ging op zijn rug liggen en stak een verse pijp op. ‘Wat een vreemd gebruik is dat toch,’ zei Auri.
‘Het is prettig, anders niet.’
‘Mag ik het eens proberen? Alsjeblieft …’
Zij vleide net zo lang tot hij haar de pijp toestak, met het verwachte resultaat. Proestend en naar adem snakkend gaf zij hem terug. ‘Ba… foei!’ Zij veegde de tranen uit haar ogen. ‘Nee, dat is veel te sterk voor iemand als ik.’
Lockridge grinnikte. ‘Ik heb je gewaarschuwd, kleintje!’ ‘Ik had naar je moeten luisteren. Jij hebt altijd gelijk.’ ‘Nou, hoor eens…’
‘Maar ik zou willen dat je niet tot me sprak alsof ik een kind was.’ Zij bloosde, en sloeg haar ogen neer. ‘Ik ben bereid vrouw te worden, wanneer je me ook maar hebben wilt.’ Ook Lockridge steeg het bloed naar het gezicht. ‘Ik heb je beloofd dat ik de betovering van je zou wegnemen,’ mompelde hij. De gedachte kwam bij hem op dat hij in de komende strijd wel eens zou kunnen sneuvelen. ‘In feite is ze al weggenomen. Je hebt verder geen behoefte meer aan magische krachten. En… de tocht door de onderwereld, weet je… wedergeboorte. Begrijp je wel?’
Blijdschap tekende zich af op haar gezicht. Met een sprong was zij bij hem.
‘Nee, nee, nee,’ zei hij wanhopig. ‘Ik kan niet.… Ikzelf…’ ‘Waarom niet?’
‘Nou, kijk… eh… kijk maar om je heen. Het is nu toch geen lente!’
‘Wat geeft dat? Al het andere is veranderd. En Lynx, ik hou zo veel van je.’
Warm en begerig drukte zij haar lichaam tegen hem aan. Haar mond en haar handen waren verrukkelijk onhandig. Haar haren en haar lichaam brachten hem in verwarring en hij dacht: verdraaid, mijn bloedeigen grootvader zou ieder die haar man was, gelukwensen… Maar vervloekt, nee!
‘Ik zal je moeten verlaten, Auri…’
‘Laat dan in ieder geval je kind bij mij achter. Meer verlang ik vandaag niet.’
De situatie groeide hem boven het hoofd en hij wist nog maar één uitweg te bedenken. Hij liet zich helemaal naar een kant drukken met het gevolg dat het bootje kapseisde. Tegen de tijd dat zij het hadden opgericht en leeggeschept, was hij de toestand weer meester. Auri legde zich zonder angst neer bij dit teken van goddelijk ongenoegen, want haar hele leven had zij te midden van zulke voortekenen geleefd; zij toonde zelfs niet al te veel teleurstelling, want daarvoor was zij veel te luchthartig van aard. Zij trok haar natte jurk uit en lachte uitbundig om Lockridge's weigering zich eveneens van zijn natte kleren te ontdoen.
‘Dan had ik je tenminste eens kunnen zien,’ zei zij toen zij weer tot bedaren kwam. ‘Maar die tijd komt nog wel, als je Avildaro eenmaal bevrijd hebt.’
Een sombere stemming had zich van Lockridge meester gemaakt. ‘Het dorp dat je gekend hebt, zal nooit meer terugkeren,’ zei hij. ‘Denk aan degenen die gevallen zijn.’
‘Ik weet het,’ antwoordde zij ernstig. ‘Echegon, die altijd vriendelijk was, en de vrolijke Vurowa en zo vele anderen.’ Maar door alles wat er sindsdien was gebeurd, was haar verdriet al wat vervaagd. Bovendien lag het niet in de aard van de Tenil Orugaray om over het verlies van verwanten zo hevig te treuren als de mensen die na hen leefden. Zij hadden maar al te goed geleerd zich bij de realiteit neer te leggen. ‘En je zult nog altijd rekening moeten houden met de Yüthoaz,’ zei Lockridge. ‘Misschien kunnen we ditmaal deze troep nog verdrijven. Maar er zijn er nog meer, sterk en begerig naar land. Zij zullen terugkeren.’
‘Waarom moet je altijd zo tobben, Lynx?’ Schalks keek Auri hem aan. We hebben deze dag toch… o kijk, een vis!’ Hij wilde dat hij even vrolijk kon zijn als zij, en niet alleen maar doen alsof. Maar de wetenschap dat er zo velen zouden sterven, bedrukte hem: volken, koningen, de talloze onbekenden in alle tijdperken van de tijdoorlog — ja, zelfs de jongen die hijzelf had gedood, over vierhonderd jaar. Hij zag nu in dat zijn eigengerechtigheid een dekmantel was geweest voor bloedschuld. Natuurlijk, het was absoluut zijn bedoeling niet geweest zoiets te doen, hield hij zich moedeloos voor, maar toch was het gebeurd… toch zal het gebeuren… en als het mogelijk was, zou ik de tijd binnenste buiten keren om het ongedaan te maken.