De Cock en de zorgvuldige moordenaar
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #9
- Год: 2003
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0155-4
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en de zorgvuldige moordenaar». Краткое содержание книги:
‘Drie moorden en geen dader,’ verbeterde Vledder hem.
De Cock knikte. ‘Ik ga morgen naar Enkhuizen. Er moet toch ergens een leidraad zijn, een spoor, een aanwijzing. Hoe zorgvuldig onze moordenaar ook is… hij moet toch ergens een fout hebben gemaakt.’ Hij sprong weer van het bureau, driftig, onrustig. ‘Ga morgen naar Jerome en vraag of de oude mevrouw Van der Wheere een testament heeft nagelaten en of er al een notaris is benoemd voor de boedelscheiding.’ Hij keek peinzend op. ‘Is Jerome getrouwd?’
Vledder knikte. ‘Ruim tien jaar. Hij heeft een schat van een vrouw en twee lieve kinderen.’
‘Geen troubles?’
Vledder glimlachte. ‘Pure Oudhollandsche degelijkheid. Ze staan in Abcoude zeer goed bekend. Jerome zit in allerlei plaatselijke commissies en de jonge mevrouw Van der Wheere doet veel charitatief werk.’
De Cock kauwde op zijn dikke onderlip. ‘Ik vraag mij af of de oude Henri voor zijn dood fi nancieel niets ten aanzien van Janus van Drunnen had geregeld. Hij gold algemeen als zijn protégé… wat daarvan ook de achtergronden mogen zijn. Bovendien begint zijn naam met een J.’ Hij liep naar de kapstok en pakte zijn hoedje. ‘Pas op onze Janus van Drunnen,’ zei hij, zich half omdraaiend, ‘pas op André Beerenburgh, vergeet ook Jerome niet… praat nog eens met Margootje van Stové en vooral… pas op jezelf.’ Hij plantte zijn hoedje nonchalant achter op het hoofd en slenterde de kamer uit.
Vledder keek hem verwonderd na.
Rechercheur De Cock stapte het Centraal Station binnen, kocht een kaartje en schuifelde recht tegen een stroom binnenkomende reizigers in naar spoor 13a, de stoptrein naar Enkhuizen. Hij had van de dienst een auto kunnen krijgen, maar De Cock hield niet van auto’s. Hij miste elk gevoel voor mechaniek, wist nooit precies waarvoor al die knoppen op het dashboard dienden en vroeg zich steeds af of hij wel in de juiste versnelling reed. Bovendien vergde autorijden van hem een voortdurende oplettendheid, een voortdurende concentratie. En dat was De Cock te veel.
Hij hing zijn hoedje aan een haak en nestelde zich behaaglijk in een hoekje bij het raam. Omdat er tegenover hem toch niemand zat, deed hij zijn zware schoenen uit en legde zijn benen op de bank. Hij had vermoeide voeten. Een heel eskadron kleine duiveltjes prikten geniepig in de bol van zijn kuiten. De Cock wist wat dat betekende. Die tintelende pijn was er altijd als het slecht ging, als hij het verlammende gevoel had in een doolhof rond te tasten. De moordenaar voelde zich redelijk veilig. De Cock begreep dat best. Jonathan van der Wheere was een kosmopoliet, een man die zich overal thuisvoelde. Het moest voor hem niet moeilijk zijn om onder een of andere valse naam in Parijs, Zürich, Barcelona of Boekarest een min of meer onopvallend leventje te leiden. Hij kon dat rustig doen tot het rumoer rondom de beide moorden was verstild. Middels een advocaat of zaakgelastigde kon hij later altijd zijn rechtmatig erfdeel opeisen. Een bundeltje aandelen C.I.H. was een veilige basis voor een comfortabel bestaan, waar ook ter wereld.
De trein sukkelde traag het station uit, schommelde over een serie wissels en gleed steunend langs rijen afbraakpanden. De Cock wreef zich achter in de nek. Onvoldaan, wrevelig. De redenering bevredigde hem niet. Hoe redelijk het ook klonk… het was niet juist. Als Jonathan een rustig, comfortabel leventje had gewild, dan waren de moorden overbodig, zinloos. Het kapitaal van de Van der Wheeres was groot en het aandeel van Jonathan ruim genoeg om hem een leven in weelde te garanderen. De Cock schudde het hoofd. Het verlangen van Jonathan reikte verder. Hij wilde de C.I.H. en de daaraan verbonden machtspositie. En in dat licht bezien waren de moorden…
Ineens ontdekte hij een jonge vrouw. Ze zat links van hem aan de andere kant van de wagon. Hij bezag haar van opzij tegen het lichtende wit van statige stapelwolken. Haar profi el was mooi, vond hij, fascinerend, met een zacht welvend voorhoofd, een bijna klassieke neus en lang glinsterend haar, dat golvend van haar schouders gleed. Vanonder haar minirok staken lange benen. Ze had ze over elkaar geslagen. Het linkerbeen wiebelde zachtjes in de cadans van de trein. Het was een bijzonder fraai linkerbeen met een gave knie en een slanke enkel. Het dwong De Cock te blijven kijken. Het wiebelende been fi xeerde zijn netvliezen, maar zijn gedachten dwaalden weg, ver over de cumuluswolken heen naar Margootje, mooi, helblond, opwindend. De trein raasde voort. De monotone cadans drong zijn gedachten binnen. Trouwen-in-De-Rijp… trouwen-in-De-Rijp… trouwen-in… langzaam sukkelde De Cock in slaap. Hij werd pas wakker in Enkhuizen.
Het was stralend weer en Enkhuizen lag er vanuit het treinraam vriendelijk bij. De Cock wurmde zich in zijn schoenen, wipte zijn hoedje van de haak en verliet als een der laatsten de trein. De schone met het fraaie linkerbeen liep een tiental meters voor hem uit. Hij constateerde met genoegen dat haar rechterbeen niet voor haar linker onderdeed. Hij glimlachte voor zich uit. Als hij Vledder vertelde dat hij bij het zien van zulke benen in slaap was gesukkeld, dan zou hij hem beslist adviseren onverwijld zijn pensioen aan te vragen. Hij vroeg zich af wat zo’n exotische schoonheid in het toch wat slaperige Enkhuizen had te zoeken. Haast werktuiglijk liep hij achter haar aan.
Hij keek op zijn horloge en zag dat hij ruim de tijd had. In ieder geval tijd genoeg om zich een klein zijsprongetje in zijn onderzoek te permitteren.
Ze liep langs een fraai smeedijzeren hek met Snoeck van Loosenpark in gouden letters en sloeg toen rechtsaf in de richting van lage huisjes onder aan een dijk. Ze wist kennelijk niet precies welke weg ze diende te volgen. De Cock hield zijn pas wat in, liet de afstand tussen hem en haar wat groter worden.
Halverwege de dijk ging ze langs een trap omhoog. De Cock zag dat ze een oude man aansprak en hem de weg vroeg. De oude boog zich iets naar haar toe en wees toen verder naar het noorden.
De Cock treuzelde wat, nam dezelfde trap en volgde haar over de dijk. Rechts beneden was een haven met een plankier en lange witgekopte palen. Er lag een vloot van kleine zeilboten. De vlaggen hingen slap. Er was weinig wind. Meeuwen krijsten de stilte weg.
De schone liep voor hem uit over een hobbelig keienpad tussen gras. Hij leidde naar de Dromedaris. De Cock versnelde zijn pas. Hij wist dat in de oude stadspoort een studentencentrum was gevestigd en vermoedde dat daar haar tocht zou eindigen. Maar tot zijn verbazing liep ze verder, onder de poort door naar een smalle houten klapbrug. Over de brug stapte ze naar links. Het liep wat hellend af. Haar tred werd vaster, bewuster, feller, alsof ze het verder wist, haar einddoel had onderkend.
De Cock liep haar na, gespannen, nieuwsgierig. En ineens zag hij het, links aan de kade, een droom van een jacht. Helwit, blinkend in de zon.
De schone voor hem bleef weifelend staan, streek het haar uit haar gezicht. De Cock kwam naderbij. Vanover haar schouder keek hij naar de spiegel van het jacht en las hardop: Julia Amsterdam.
18
Ze draaide zich om en keek in het vriendelijke gezicht van De Cock.’ Het lijkt wel,’ zei ze verwonderd, ‘of er niemand aan boord is.’ Ze sprak met een prettig, zangerig Amerikaans accent.
De Cock schudde langzaam het hoofd. ‘Er is niemand aan boord,’ zei hij strak. ‘De hele bemanning is ontslagen.’
‘Ontslagen?’ Haar gezicht weerspiegelde schrik en verbazing. ‘En waar is… eh…’
‘…Jonathan van der Wheere?’
Er blonk achterdocht in haar ogen. ‘U bent de man uit de trein.’
De grijze speurder maakte een lichte buiging. ‘Inderdaad, de man die sliep.’ Hij glimlachte. ‘Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa. Ik ben rechercheur van politie in Amsterdam. En wie bent u?’