De Cock en een strop voor Bobby
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #1
- Год: 2004
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0614-9
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en een strop voor Bobby». Краткое содержание книги:
Toen hij de volgende morgen uit zijn roes ontwaakte, was Ria verdwenen. Bobby had weer eens een overwinning behaald. Hij kreeg Ria zelfs zo ver, dat zij tegen Haagse Bertus een aanklacht indiende terzake souteneurschap. Bobby ging zelf mee naar het hoofdbureau van politie om erop toe te zien dat Ria op het laatste moment toch nog niet terugkrabbelde.
Toen enige rechercheurs Bertus de volgende dag kwamen ophalen, brulde hij als een getergd dier en tranen rolden langs zijn misvormde neus. De buurt werd er koud van. Bertus had zijn zoveelste knock-out geïncasseerd.
Nog voordat Bobby kans had gezien Ria haar spaarduitjes te ontnemen, kwam Ria tot inkeer. Haar uitstapje met Bobby was maar een opwelling geweest. Ze herinnerde zich de toewijding van honderd-en-tien-kilo-Bertus en kreeg berouw. Ze schreef ellenlange brieven vol zelfverwijt naar het huis van bewaring, waar Bertus in afwachting van zijn vonnis was opgesloten en besteedde een lief sommetje voor de beste advocaat, die er maar te vinden was.
Maar het gerecht nam zijn loop en Haagse Bertus verhuisde naar de rijkswerkinrichting te Norg in Drenthe, kortweg Veen-huizen. Ria bleef trouw. Iedere bezoekdag liet zij zich door een bevriende snorder naar de kop van Drenthe rijden. Het kostte haar kapitalen, maar dat deerde haar niet. Om zijn moreel op peil te houden, bracht ze hem aanmoedigingskreten uit de buurt en vertroetelde hem verder met sigaretten en — Bertus was er zo dol op — ontelbare staafjes amandelspijs.
De buurt, die Ria haar overstapje spoedig had vergeven, wachtte af. Als Bertus vrij kwam zou de vergelding wel volgen. En nu was Bertus vrij.
Dat hij gezien was in gezelschap van Dikke Toontje voorspelde niet veel goeds. Haagse Bertus had zijn ervaringen opgedaan in gereglementeerde gevechten van man tot man. Dikke Toontje niet. Zijn faam als krachtpatser had hij opgebouwd in talloze knokpartijen, waarbij geen scheidsrechter aanwezig was om break te roepen. Samen vormden zij een eenheid; te vergelijken met een tankdivisie bij een conventionele bewapening.
Bobby kon dus wat verwachten. Het enige wat ik in de door Dirk opgevangen conversatie niet begreep, was de uitlating: ‘Ik rijg hem aan het mes.’ Noch Bertus, noch Toontje waren messentrekkers. Het mes is het wapen van laaghartige individuen, sluwe mannetjes, die anoniem en zonder directe aanleiding, te midden van een ploegje, een ander geniepig vijftien centimeter staal in het lijf drukken. Zulke typen waren Bertus en Toon niet. Als ze vochten, dan deden zij dat met open vizier. Men kon ze hoogstens verwijten, dat hun methoden nogal cru waren en dat zij hun surplus aan kracht misbruikten. Maar ze kwamen moeilijk in beweging. Alleen inbreuk op de door henzelf gehanteerde code kon hen tot actie brengen. Dan werd er iets rechtgezet. Met andere woorden: er werd recht gedaan en daarbij riskeerden zij eenvoudig een veroordeling door dat andere recht, het recht van de witte beffen die nu eenmaal een andere code hanteerden. Bobby had de code van de buurt doorbroken. Hij had een vrouwtje ertoe gebracht een aanklacht in te dienen. De buurt zegt: ‘Souteneurs worden niet geboren maar gemaakt.’ Gezien in dit licht was Haagse Bertus een volkomen legale souteneur. Daarom accepteerde de buurt de daad van Bobby niet. Het kon lang of kort duren, de vergelding kwam.
Ik vroeg mij af of het raadzaam was om tussenbeiden te komen. Ik kon naar Bertus gaan en hem zeggen dat hij zich rustig moest houden, omdat ik wist wat hij van plan was. Ik kon zelfs naar Ria gaan en via haar proberen enige druk op Bertus uit te oefenen. Ik kon rekenen op haar steun. Ze zou het niet prettig vinden om opnieuw haar kapitaaltje aan te spreken voor het aantrekken van een goede advocaat als Bertus voor zijn vergeldingsactie opnieuw kwam vast te zitten. Het was alleen de vraag of het zou helpen. Als Bertus iets in zijn hoofd had — en hij had een vol jaar de tijd gehad om erover na te denken — dan viel het niet mee om hem tot andere gedachten te brengen.
Ik kon natuurlijk ook naar Bobby gaan en hem de raad geven om een poosje uit de buurt te verdwijnen. Maar in mijn hart gunde ik Bobby wel een afstraffing. Ik was alleen bang voor Bertus. Hij kon in zijn opgekropte woede wel eens te ver gaan en met zijn enorme kracht Bobby onherstelbaar verkreukelen. Wanneer hij daarbij nog de hulp had van Dikke Toontje was dat gevaar heus niet denkbeeldig. Ik moest mijzelf eerlijk bekennen dat ik Haagse Bertus heel wat sympathieker vond dan Bobby, ten opzichte van wie ik nu eenmaal mijn haatgevoelens moeilijk kon onderdrukken. Beiden waren souteneur, maar er was een wezenlijk verschil. Haagse Bertus was de souteneur geworden van een vrouwtje dat toen al enige jaren de prostitutie bedreef; Bobby leefde van de meisjes die hij voor dat doel zelf in de prostitutie had gebracht. Voor een buitenstaander moge dit verschil niet zo spreken, maar voor mij was het onderscheid zo groot, dat ik het bepaald niet prettig zou vinden wanneer ik Haagse Bertus voor een vergeldingsactie tegen Bobby zou moeten arresteren. Ik besloot om voorlopig de kat maar eens uit de boom te kijken en net als de buurt rustig af te wachten. Er was uiteindelijk nog niets gebeurd.
Bij het bureau nam ik afscheid van Geert.
‘Kom je dan vanavond? Ik zou het bijzonder prettig vinden.’ ‘Goed,’ antwoordde Geert. ‘Acht uur, schikt je dat?’
‘Prima. Ik zal ze thuis op de hoogte brengen.’ Ik hield hem even bij de mouw van zijn jas vast. ‘En Geert, gedraag je rustig. Ik ben tot nu toe de enige man in huis geweest.’
Geert lachte.
‘Ik zal eraan denken.’
Ik ging nog even naar de recherchekamer om te horen of er nog iets bijzonders was. Alleen De Cock was er nog. Hij zat met een ernstig gezicht te bladeren in een kasboek. Om hem heen lagen stapels papieren. Ik ging tegenover hem zitten en keek geamuseerd toe.
‘Je lijkt wel een boekhouder,’ zei ik.
De Cock klapte het kasboek met een slag dicht.
‘Was ik het maar,’ zuchtte hij. ‘Ik heb vroeger op school nog wel eens iets geleerd over debet en credit en ik weet dat er zoiets als verlies en winst bestaat, maar dat is dan ook alles wat ik van boekhouden weet.’
‘Dat is al veel,’ lachte ik.
De Cock gebaarde naar de boeken en bescheiden voor hem.
‘Ze denken, dat wij overal verstand van hebben. Vanmiddag kwamen hier twee heren met dure aktetassen en smeten die rommel op mijn bureau. “We komen aangifte doen van verduistering,” zeiden ze, “onze kassier heeft in de boeken geknoeid.” Of meneer het maar even wil uitzoeken.’
Hij klapte met zijn vlakke hand op het kasboek. ‘Het moet hier ergens in zitten. Ik ben al een uur of drie aan het bladeren, maar ik zie niets anders dan cijfertjes en nog eens cijfertjes. Je wordt er tureluurs van. Ik vraag mij af of ik die verduistering ooit zal kunnen bewijzen.’
Hij zuchtte. ‘En gesteld dat ik het bewijs, hoe krijg ik dat alles dan in fatsoenlijk Nederlands in een proces-verbaal, zodat ook een rechter er iets van snapt?’
Hij haalde zijn shagdoos voor de dag en begon een zware Van Nelle te rollen. Zijn tong gleed langs het vloeitje.
‘Kijk,’ zei hij, ‘die verduistering loopt al over drie jaar. In die tijd hebben de accountants van de firma de boeken regelmatig gecontroleerd, maar ze hebben nooit een foutje gevonden. Nou, als zij met al hun kennis en ervaring in drie jaar niets kunnen ontdekken, hoe kunnen ze dan van mij verwachten, dat ik zomaar op stel en sprong bewijs dat die kassier aan het goochelen is geweest? En toch wordt dat van mij verlangd.’ Hij spuwde een draadje tabak uit zijn mond.
‘We hebben het de recherche in handen gegeven, zeggen ze dan met een dikke tong. En daarmee is dan alles gezegd. Maar aan die arme rechercheur, die alleen gewapend met een kleine dosis gezond verstand het zaakje uiteindelijk toch moet klaren, denkt niemand. We hebben het de recherche in handen gegeven. Je zou erom moeten lachen, als het niet zo droevig was. Maar straks sta ik met mijn beide vingertjes omhoog om te verklaren hoe de kassier kans heeft gezien om geld te verduisteren.’