De Cock en een strop voor Bobby
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #1
- Год: 2004
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0614-9
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en een strop voor Bobby». Краткое содержание книги:
Ik moest lachen om De Cock. Hij kon zo lekker tekeergaan. Gifkikker, noemden wij hem en dat was een toepasselijke naam. Als hem iets dwarszat, blies hij zich op en spoot venijnig gif over de hoofden van hen die hem te na kwamen. Of dat nu collega’s waren of chefs, dat maakte voor hem geen verschil. Onderscheid in rangen accepteerde hij niet.
De Cock was wat klein van stuk en de enige van ons ploegje die een snorretje droeg. Door zijn levendige geest en zijn vermogen om alles en iedereen te imiteren was hij de komiek van de kamer. Hij was beslist een goede collega en het moet gezegd, een pientere rechercheur. Ik kon vaak de verleiding niet weerstaan om hem ongemotiveerd tegen te spreken. En dat alleen maar om later van zijn reacties te genieten.
‘Gut,’ zei ik, ‘als de mensen niet eens meer bij ons kunnen komen met een eenvoudige verduistering… ’
De Cock keek mij eens onderzoekend aan. Toen hij zag dat ik het niet ernstig meende, lachte hij.
‘Nou ja,’ zei hij, ‘ik moest even mijn hart luchten. Die cijfertjes leken op het laatst voor mijn ogen wel een samba te dansen. Als het mij niet direct lukt, word ik altijd een beetje opstandig. Dan vraag ik mij wel eens af of de mensen niet te veel van ons verwachten. Recherche is voor hen vaak een soort toverwoord, of misschien wel een tovermachine; men gooit er een probleem in en haalt er de oplossing uit. Het publiek heeft er vaak geen notie van hoe dikwijls wij met onze handen in het haar zitten.’
De Cock poetste de glazen van zijn bril schoon en sloeg het kasboek weer open.
‘Ik zal het nog eens proberen,’ zei hij. ‘Ik moet het vinden.’ ‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘je mag de mensen toch niet teleurstellen. Ze betalen toch ook belasting.’
Ik stond op en knoopte mijn jas dicht.
‘Ga je weg?’
‘Ja, ik ga naar huis.’
‘Er is nog een man voor je geweest. Ene Van der Kerk. Hij zou nog terugkomen.’
Ik keek op de klok.
‘Dan moet hij er gauw bij zijn. Ik heb geen zin om de hele avond op hem te zitten wachten. Bovendien komt Geert vanavond bij mij op visite.’
‘Je trekt nogal veel op met die jongen.’
‘Ja, ik mag hem wel.’
‘O,’ zei De Cock, ‘het is een aardige kerel, dat ben ik met je eens. Hij is alleen nog wat zacht. Het zal nog wel een tijdje duren voordat hij zo hard is als wij.’
‘En ben je daar trots op?’
‘Wat bedoel je?’
‘Ben je er trots op dat de dienst je heeft gemaakt tot wat je nu bent?’
De Cock haalde zijn schouders op.
‘Het gaat ongemerkt. Maar trots? Nee, trots ben ik niet. Ik weet alleen dat al de ellende die ik in mijn werk ontmoet, mij niets meer doet. Ik ben daar ongevoelig voor geworden. Zo gaat het ons toch allemaal?’
‘Ja, De Cock, zo gaat het ons allemaal. Wij weten het al. Wij hebben onze houding ten opzichte van onze medemensen al bepaald. Als een mens in moeilijkheden is geraakt, dan is dat natuurlijk zijn eigen schuld. Verder is elke vrouw een mogelijke prostituee en elke man een potentiële moordenaar. Zo is het toch. Daar gaan we van uit. En als het later anders uitpakt, dan kijken we elkaar stomverbaasd aan en zeggen: “Het is waarachtig een net mens.”’
De Cock deed zijn bril af.
‘Versteegh, je draaft door. In zekere zin heb je natuurlijk wel gelijk, maar zeg nu eens eerlijk, is dat voor ons niet de beste houding? We kunnen toch geen risico’s nemen?’
Ik gaf geen antwoord en overwoog of De Cock werkelijk gelijk had. Mijn omgang met Geert had mij tot nadenken gestemd. Het had mij ertoe gebracht mij zelf eens te onderzoeken en mij af te vragen of mijn visie op de samenleving inderdaad wel de juiste was. Hoeveel mens stak er nog in mij als rechercheur? Een klop op de deur onderbrak mijn overpeinzingen. Het was Van der Kerk. Hij zag er slecht uit. Zijn gezicht zag vaal en hij had diepe kringen onder zijn ogen. Het was hem aan te zien dat hij de laatste nacht niet had geslapen.
Hij stak mij een slap handje toe. Er was niets meer over van de opgewekte vitaliteit waarmee hij mij gisteren bij hem thuis nog had begroet.
‘Versteegh,’ zei hij, ‘ik wil even met je spreken.’ Hij keek schuin in de richting van De Cock. ‘Maar onder vier ogen.’
Ik knikte en bracht hem naar ons verhoorkamertje.
‘Ga zitten Van der Kerk en stort je hart uit.’
Hij was erg nerveus. Zijn mondhoeken trilden en zijn vingers speelden voortdurend met de bovenste knoop van zijn colbertje. ‘Ik ben al bij Bram geweest,’ zei hij, ‘maar hij stuurde mij naar jou.’
‘Wat is er dan?’
Hij schoof onrustig op zijn stoel.
‘Ik wil het adres van Bobby.’
‘Waarom?’
Hij keek mij met verwilderde ogen aan.
‘Begrijp je dat niet? Je denkt toch zeker niet, dat ik op jullie ga zitten wachten. Wat wordt er tegen die schoft gedaan? Niets hè, helemaal niets. Maar ik zeg je, als jullie er niets aan doen, dan weet ik wat mij te doen staat.’
Ik zweeg.
‘Verdomme,’ riep hij uit, ‘er bestaat toch wel ergens recht. Bij wie moet ik anders aankloppen, als ik bij de politie niet terecht kan. Wie weet er dan nog beter dan jij, dat hij mijn Mientje de dood heeft ingejaagd. Is dat dan geen moord?’
Ik wist niet goed wat ik zou antwoorden. Van der Kerk wond zich steeds meer op. ‘Is dat dan geen moord,’ schreeuwde. hij. ‘Weet jij hoeveel mijn kind geleden heeft voor ze, voor ze…’
Hij liet zijn hoofd op het tafeltje zinken en begon te huilen.
Ik legde mijn hand op zijn schokkende schouder.
‘Kom Van der Kerk. Het heeft geen zin om je zo overstuur te maken. Je weet drommels goed dat wij er niets aan kunnen doen. Wat dacht je? Dan hadden wij hem toch allang gepakt.’ Hij hief zijn betraand gezicht omhoog. Ik zag een verbeten trek om zijn lippen.
‘Geef mij het adres van Bobby,’ zei hij.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, Van der Kerk, dat adres krijg je niet.
Hij stond op. Zijn houding was veranderd. Hij leek flinker, meer vastberaden.
‘Goed,’ zei hij, ‘dan zoek ik het zelf wel uit.’
Zonder verder iets te zeggen verliet hij het verhoorkamertje. Ik keek hem na. Zijn rug was recht en hij zette zijn voeten stevig op de vloer.
Toen hij bij de deur was riep ik hem.
‘Van der Kerk.’
Hij draaide zich om.
‘Weet Anna wat je van plan bent?’
Ik zag dat hij iets van zijn zelfbewuste houding verloor. Hij scheen te twijfelen. Het duurde maar even.
‘Nee,’ zei hij, ‘en het gaat haar ook geen bliksem aan.’
Toen draaide hij zich weer om en verliet de recherchekamer.
Ik bleef een ogenblik in gedachten staan. ‘Het kan fraai worden,’ mompelde ik in mijzelf. ‘De kring van Bobby’s vijanden wordt steeds groter.’
‘Wat zeg je?’ vroeg De Cock van boven zijn kasboek.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Niets, helemaal niets.’
Ik groette en ging naar huis.
Het was echt gezellig.
Geert ontpopte zich in de huiselijke kring als een vrolijke opgewekte jongeman en een prettig causeur. Hij leek hier een heel andere jongen dan aan het bureau. Marjan en mijn vrouw schenen zijn bezoek bijzonder op prijs te stellen. Vooral Marjan, die naast hem op de bank zat — een arrangement van mijn vrouw — was opgewekt en levendig. Ze babbelde ongedwongen en deed erg haar best om bij hem in de smaak te vallen. Het gebeurde niet opvallend, maar mijn geoefend oog en mijn neiging om elk gebaar en elke stemnuance te analyseren, deden mij tot de conclusie komen dat ik wat Marjan betrof, met het inviteren van Geert een goede daad had verricht. Mijn vrouw acteerde als een volmaakte gastvrouw. Ze had een heerlijke cake gebakken en schonk de koffie, die zij alleen kon brouwen. Haar uiterlijk had ze een beetje boven het alledaagse getild. Ze droeg een van haar nieuwere japonnen en ik zag dat zij haar gezicht van een weinig make-up had voorzien. Haar lippen hadden een klein accentje gekregen en haar haren waren zorgvuldig gekapt. Ze zag er doorgaans wel verzorgd uit, maar in de regel kon ik de volgende dag niet meer vertellen welke japon zij de dag tevoren had gedragen. Geert zag eruit als een kantoorbediende op zondag. Hij droeg een nieuw effen blauw kostuum, waarbij hij zelfs een passende das had gevonden. Zijn weerbarstige blonde haren had hij met brillantine bedwongen en zo nu en dan blonken zijn tanden in een stralende lach. Het was gewoon feestelijk.